Olympische Spelen zijn een decadent westers feestje, waar witte atleten in witte sporten de medailles voor de witte naties binnenhalen. De rest van de wereld is figurant. Ze lijken op een cricket- en croquetfestijn van kolonialen die honderd jaar geleden in hotel Raffles in Singapore hun rijkdom en witte suprematie etaleerden.
Aanvankelijk was deelnemen nog belangrijker dan winnen. Maar dat was een eeuw geleden al voorbij. Daarna mochten nog decennialang alleen amateurs meedoen. Maar toen de staatsamateurs uit Oostbloklanden de meeste medailles wegpikten, dreigde de commercie af te haken.
De Spelen van Montreal in 1976 werden een financieel fiasco, omdat niemand hield van de volksliederen van de Sovjet-Unie en de DDR. Professionele sportmiljonairs uit kapitalistische landen moesten in de jaren tachtig orde op zaken stellen en zorgen voor hogere kijkcijfers. Daarmee explodeerden ook de inkomsten uit televisierechten.
Peter de Waard is journalist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
De schijn dat het om pure sport gaat die zich onderscheidt van andere kampioenschappen, werd door de IOC-bonzen nog een beetje opgehouden. Shirtreclame was verboden, geen reclameborden in de stadions en geen prijzengeld voor de winnaars.
Een medaille met 300 euro aan puur goud was de hoogste eer, al zal die door de stijging van de goudprijs nu misschien 400 euro waard zijn. Het ultieme doel van de Spelen bleef ‘verbroedering van de jeugd in de hele wereld’. En het propageren van sportbeoefening in onderontwikkelde landen. Dat maakte het vierjaarlijkse toernooi uniek.
Nu wordt er door olympische comités in welvarende landen al een dikke cheque aan de medaillewinnaars uitgekeerd. In Nederland is dat 30 duizend euro voor de winnaars van gouden medailles. Daar gaat de Internationale Atletiekbond nog eens 50 duizend dollar (46 duizend euro) bijleggen.
Hiermee wordt het laatste idealisme van de olympische gedachte doorgeprikt. Want dat geld gaat niet naar Bangladesh, Indonesië, Ghana en Peru. Dat belandt vooral bij rijke sporters in Europa en de VS.
De rijke landen bieden de beste selectiemethoden, de beste training, de beste faciliteiten en de beste begeleiding. Nederland gaat naar Parijs met een bataljon van wetenschappers, inspanningsfysiologen, fysiotherapeuten, artsen en diëtisten, terwijl in een willekeurig Afrikaans land binnen 50 kilometer niet eens een dokter is te vinden om iemand in acute nood te helpen.
Wie op het Indiase platteland rijst teelt, heeft veel minder kans te worden ontdekt dan een atheneumstudent in Zutphen. De nummers die op het olympische programma staan, moeten vooral westerse televisiekijkers boeien, want daar ligt het grote geld. Heel veel sporten, zoals paardendressuur, zijn exclusief voor witte atleten.
In de afgelopen jaren had iedereen de mond vol van inclusiviteit en diversiteit. Na Black Lives Matter is er meer aandacht gekomen voor een grotere culturele diversiteit in bedrijven, overheidsinstellingen en in de cultuur, zoals de Oscar-uitreiking. Maar sport valt daar niet onder. Jeroen Stekelenburg van de NOS zei woensdag ‘het goed te vinden dat atleten nu ook meeprofiteren van de opbrengsten’.
Maar eigenlijk zouden die opbrengsten moeten worden gebruikt voor de ontwikkeling van sport in landen waar talent nauwelijks kansen heeft.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant