In de nieuwe theatervoorstelling Brown Sugar Baby staat een jazzband centraal - en dat betekent dat de acteurs piano, banjo en trompet moeten (leren) spelen. Hoe stressvol is dat? ‘Ik denk dat je ook een beetje kunt acteren dat je pianospeelt.’
Er klinkt vrolijk swingende jazzmuziek in de repetitiestudio van Het Nationale Theater in Den Haag. Een vol en warm geluid vult de ruimte, met opzwepende drums, piano, een ronkende saxofoon en ook nog close harmony van drie zangeressen. Hier wordt gewerkt aan Brown Sugar Baby van regisseur Eric de Vroedt, een muziektheatervoorstelling die draait om een jazzband in het Nederlands-Indië van 1935. De Brown’s Sugar Babies noemen zichzelf ‘de beste jazzband van de archipel’. Ze nemen deel aan een prominent muziekconcours, met als inzet een tournee door Europa.
Om deze topband overtuigend neer te zetten zijn een paar muzikanten aangetrokken die het geheel zo authentiek mogelijk moeten laten klinken. Naast drie professionals spelen ook acteurs mee in de band. De meeste aandacht trekt acteur Hein van der Heijden, die als bandleider Kurt de Bruin zowel trompet als banjo speelt.
Hoe is het voor acteurs om niet alleen tekst te moeten stampen, maar ook nog een muziekinstrument te moeten leren spelen? Gaat dat samen? Na afloop van hun repetitie vertellen drie acteurs in de kantine over hun ervaringen met het muziek maken. Roben Mitchell (38) heeft sinds zijn 14de ‘geen piano meer aangeraakt’, maar vertolkt in Brown Sugar Baby wél de rol van de Indische pianist Eddie, die erop gebrand is om het concours te winnen en zo in Europa een beter leven op te bouwen. Het personage is gemodelleerd naar de grootvader van regisseur Eric de Vroedt.
Mitchell moest voor de rol beter piano leren spelen: ‘Ik kreeg een snelcursus de afgelopen maanden. Ik weet hoe ik een tekst leer, maar van muziek wist ik dat eigenlijk niet. Het kostte me veel inspanning om die twee zaken te combineren: wanneer acteer je, wanneer speel je piano? Gelukkig gaan de pianopartijen nu in mijn spiergeheugen zitten, dan gaat het spelen wat meer automatisch. Maar ik ben wel regelmatig in de stress geschoten tijdens het samenspel met de andere muzikanten. Ik heb heel vaak het idee dat ik achter iedereen aanloop. We moeten namelijk wel de illusie wekken dat we we een van de beste bands op het concours zijn. Dus ja, dat is een uitdaging. Maar ik wíl ook altijd een beetje bang worden van de rollen waar ik ja op zeg. Op die manier leer ik iets over mezelf.’
Over de auteur
Joris Henquet schrijft voor de Volkskrant over cabaret, stand-upcomedy en musical.
Actrice Emma Buysse (28) speelt Poppie, een achtergrondzangeres die een groot familiegeheim met zich meedraagt. Buysse waagt zich aan close harmony, terwijl ze geen ervaren zangeres is. Buysse: ‘Toen ik voor de rol werd gevraagd was mijn eerste reactie: dan wil ik wel met een zangdocent werken. Zingen is niet iets waar ik heel zelfverzekerd over ben. En we spelen hier wel bij Het Nationale Theater, niet bij een amateurgezelschap. Dus ik heb veel geoefend met het zingen van close harmony, samen met de twee andere zangeressen, Mariana Aparicio en June Yanez. Ik speel binnen dat trio wel de zangeres die niet altijd zuiver is, dus dat is mijn dekmantel. Maar ik oefen er hard op, hoor.’
Hein van der Heijden (65) vertolkt Kurt de Bruin, de koloniale, Nederlandse bandleider die zijn Indische muzikanten tot grote hoogten probeert te stuwen. Zijn ambitie is om het concours te winnen en overal in Europa furore te gaan maken. Van der Heijden heeft al ervaring met trompet spelen. ‘Ik heb ooit trompet geleerd voor een voorstelling bij Toneelgroep Amsterdam in 1990. Sindsdien is het een hobby gebleven. Ik vind het ontzettend leuk om die muzikale kant nu weer eens voor een rol in te zetten. De banjo is daar nu bij gekomen. Dat vind ik zo’n leuk instrument, ik speelde er al geregeld op voor de lol. Ik heb de afgelopen periode dagelijks geoefend op de muziekpartijen. Daar heb ik uren en uren aan besteed.’
Van der Heijden is bescheiden over het niveau van zijn trompetspel: ‘Een professioneel trompettist ben ik niet. Ik heb een embouchure, oftewel lipspanning, die niet sterk genoeg is om lang te spelen. De truc is om me alleen te richten op de partijen die ik in deze voorstelling moet spelen. Als je heel goed oefent, heb je de zekerheid dat het klopt. Ik denk dat je ook een beetje kunt acteren dat je piano of trompet speelt. Als acteur doe je altijd alsof. En zo kun je dus eigenlijk meer dan je denkt.’
In Brown Sugar Baby heeft muziek een groter aandeel dan gebruikelijk in de voorstellingen van schrijver en regisseur Eric de Vroedt. ‘De sprankeling van de jazz was hier het uitgangspunt’, vertelt De Vroedt. De artistiek leider van Het Nationale Theater in Den Haag maakte al twee persoonlijke voorstellingen over zijn Indische familie, maar wilde dit keer het verhaal van zijn opa uitlichten. ‘Mijn in 2020 overleden moeder was een poortwachter voor onze Indische familiegeschiedenis. Ze liet altijd maar twee dingen los over mijn opa: hij was jazztrompettist in Batavia en hij is omgekomen in een jappenkamp. Ik wilde graag iets met die jazz doen, ook omdat ik zelf een enorme jazzliefhebber ben. Die liefde voor Miles Davis, Billie Holiday en Nat King Cole heb ik van mijn ouders meegekregen.’
De Vroedt deed research naar de jazzband van zijn opa en bracht voor zijn theatervoorstelling een paar wijzigingen aan in de samenstelling ervan. In werkelijkheid was zijn opa de trompettist, maar in deze voorstelling is hij de pianist geworden. En terwijl er in de oorspronkelijke band alleen maar mannen speelden, zijn er nu drie zangeressen aan de band toegevoegd.
In Brown Sugar Baby staat de aanloop naar een jazzconcours centraal, dat via de radio ook in Europa wordt uitgezonden. De wedstrijd zelf vindt plaats in Hotel der Nederlanden in Batavia (nu Jakarta), de vroegere hoofdstad van de kolonie op Java. Daar zal de hele ‘koloniale elite’ in de zaal zitten. De voorstelling toont op komische wijze de stress achter de schermen bij de laatste repetities voor het concours. Wat opvalt, is dat de band in Brown Sugar Baby internationaal georiënteerd is: er wordt jazz en pure Amerikaanse dansmuziek gespeeld, van onder anderen Duke Ellington, George Gershwin en Cole Porter. De band blijft nadrukkelijk weg van de typische Indische muziekstijlen en -instrumenten.
De Vroedt over deze keus: ‘Bij Nederlands-Indië hoort een imago van een gemoedelijke, saaie, beetje suffe kolonie. Mensen denken al snel aan de muziekstijl gamelan, de tempodoeloesfeer van vroeger tijden. Terwijl in werkelijkheid die kolonie veel opwindender en decadenter was, met meer jazz. Er was een internationale muziekscene waarop jazz uit Amerika veel invloed had. Ik wil laten zien dat die trekjes vertoonde van het Berlijn in de jaren dertig. Nederlands-Indië was sexyer, maar tegelijkertijd ook een naardere kolonie dan altijd is verteld. Het was ook een politiestaat vol onderdrukking. Dat dubbele beeld wil ik laten zien’
Een andere reden om de jazz zo centraal te stellen is De Vroedts jarenlange samenwerking met zijn muzikaal leiders Florentijn Boddendijk en Remco de Jong. ‘Zij kunnen zoveel doen met muziek. Dat potentieel heb ik met deze voorstelling ook willen benutten.’
Muzikaal leider Florentijn Boddendijk beaamt dat muziek in deze nieuwe productie een groot aandeel heeft. ‘Maar het is niet zo dat de voorstelling één lang concert is. Er zijn muziekfragmenten. De jazzband is wel de motor van het verhaal, maar niet de clou. Uiteindelijk gaat het stuk niet over de vraag of die band wel of niet het concours wint, maar over de strubbelingen binnen de band en waar die vandaan komen.’
Aan Boddendijk en zijn collega Remco de Jong de taak om een geloofwaardige, authentieke jazzband neer te zetten. Boddendijk: ‘Gewoonlijk doen Remco en ik met zijn tweeën de livemuziek, nu staat er een complete band. We hebben jazzmuzikanten met een Indische achtergrond aangetrokken als drummer Eddie B. Wahr, saxofonist Kurt Schwab en bassist Kim Soepnel. Daarnaast moeten er ook een paar acteurs in de band meespelen, anders hadden we de conflicten binnen die band niet kunnen laten spelen.’
Het is de bedoeling dat muzikanten en acteurs elkaar versterken: de muzikanten moeten een beetje acteren, en de acteurs worden op muzikaal vlak als het goed is opgetild door de professionele musici. Boddendijk: ‘Je moet de kwaliteiten die iemand heeft zien te benutten. Slimme arrangementen maken, de mensen een rol geven die past. We gebruiken piano én banjo in de begeleiding, waardoor we voor acteur Roben Mitchell niet een heel ingewikkelde pianopartij hoefden te schrijven. En de meeste solo’s zijn saxofoonsolo’s, want Kurt Schwab is een van de beste muzikanten. Van Hein van der Heijden wist ik al dat hij trompet kon spelen, maar nu kwam hij ook met die banjo op de proppen. Dat bleek heel goed uit te pakken in de jarendertigsetting.’
Via de verhaallijn rond het muziekconcours worden er in het stuk van De Vroedt thema’s aangesneden die raken aan maatschappelijke debatten. Zo wordt er gediscussieerd over de verschillende huidskleuren van de bandleden: het gaat over de verschillen tussen witte Nederlanders, Indo-Europeanen (met een gemengde afkomst) en de inlanders (Indonesiërs). De voorstelling begint met een controverse rond de inlandse drummer van de band Andi (Fjodor Jozefzoon), die op de voorpagina van de krant staat. Hij is de beste drummer van Java, maar raakt besmet omdat hij door de autoriteiten tot een gevaarlijke radicaal wordt bestempeld, een ‘drummende dubbelspion’. Het is de dag van de finale van het concours, en al snel wordt besloten dat Andi niet meer mee kan doen.
Eric de Vroedt: ‘Die jazzband zie ik als een metafoor voor de kolonie. In eerste instantie denk je: wat ziet het er allemaal aantrekkelijk uit, wat een mooi romantisch plaatje, al deze muzikanten bij elkaar. Maar gaandeweg de voorstelling ontdek je dat er tussen de leden van die jazzband eigenlijk grote verschillen zijn. Dat de positie van de inheemse, inlandse drummer daarin heel anders is, en veel moeilijker, dan die van de Indische pianist. Maar die positie is ook weer anders dan die van de Nederlandse bandleider. Je ziet dat er allemaal vakjes bestaan, een hele hiërarchie, die in eerste instantie niet opvalt. Maar die wel bepalend is voor welke positie de bandleden hebben, welke privileges.’
Genoeg drama en maatschappelijke relevantie dus in de voorstelling, naast komedie en vooral veel fijne muziek. De acteurs zijn enthousiast over deze mix van ingrediënten. Emma Buysse: ‘Die liveband geeft extra dynamiek aan de scènes. Zo’n band erbij zorgt voor een extra laag, het stuwt de vertelling voort.’
Hein van der Heijden: ‘Er is niets mooiers dan eerst een scène spelen en die dan laten volgen door muziek. Als de band gaat spelen, heb je meteen iets van: lekker! Daar wordt het publiek ook vrolijk van.’
Brown Sugar Baby door Het Nationale Theater, tekst en regie Eric de Vroedt, première 13/4 in de Koninklijke Schouwburg Den Haag, tournee t/m 4/6.
Ook bij Internationaal Theater Amsterdam bespelen acteurs steeds vaker muziekinstrumenten. Muzikant en oefenmeester Thijs van Vuure over de lol van het leren spelen.
Bij de grote Nederlandse theatergezelschappen zie je de laatste tijd vaker acteurs die ook een muziekinstrument bespelen. Het is een handelsmerk van regisseur Eline Arbo, die bejubelde voorstellingen maakte als Weg met Eddy Bellegueule, De Uren en De Jaren. Sinds 2023 is Arbo artistiek directeur van Internationaal Theater Amsterdam (ITA). Zij werkt nauw samen met haar partner, componist en muzikant Thijs van Vuure. In 2023 maakten ze bij ITA Penthesilea, een moderne bewerking van de toneelklassieker van Heinrich von Kleist. Het uitgangspunt van deze versie is dat de acteurs samen een rockband vormen. We zien onder anderen acteurs Felix Schellekens en Eefje Paddenburg op gitaar, Jesse Mensah en Steven van Watermeulen op toetsen en actrice Maria Kraakman op drums.
Thijs van Vuure legt uit wat het grote voordeel is van werken met musicerende acteurs: ‘Ik zie het inzetten van muziek als een vorm van storytelling. In Elines regiestijl is er vaak geen vierde wand. Ze zet een groep spelers op het toneel die zeggen: wij gaan jullie een verhaal vertellen. Als je dan een personage muziek laat maken, heeft dat meer betekenis dan wanneer je een professionele muzikant op het toneel zet die verder geen inhoudelijke bijdrage levert.’
Deze opvatting van Van Vuure betekent in de praktijk wel extra veel werk. ‘Mijn filosofie is dat iedereen een muzikale kwaliteit heeft die je kunt gebruiken. Maar je moet die kwaliteit wel eerst zien te vinden, en vervolgens zo goed mogelijk ontwikkelen. Daarom heb ik voor elke voorstelling een intakegesprek met de acteurs. Dan onderzoek ik hoe muzikaal ze zijn, of ze toonvast zijn, of ze kunnen zingen. Ik vraag of ze al eens een instrument hebben gespeeld. Vervolgens componeer ik nieuwe muziek of arrangeer ik bestaande muziek die aansluit bij de voorstelling. De instrumentatie baseer ik op de vaardigheden van de groep. Ik ga bijvoorbeeld niet een acteur zonder ritmegevoel laten drummen. Maar ik vraag ook dingen van ze die ze nog niet kunnen. Dan ga ik het ze leren en word ik muziekdocent, of ik maak tutorials zodat ze het zelf kunnen instuderen. Ik werk ook fulltime aan het project. Eline werkt acht weken met de acteurs, maar ik leid ook acht weken parallelle repetities waarop we de muziek instuderen.’
De werkwijze van Van Vuure heeft al mooie resultaten bij acteurs opgeleverd. ‘Neem acteur Steven van Watermeulen, die is fantastisch. Hij had nog nooit een instrument aangeraakt, maar toen we begonnen met Penthesilea zei ik: ik ga jou toetsen leren. Dat is gebeurd, en nu speelt hij in Penthesilea vier nummers op de synthesizer. Of Eefje Paddenburg. Ze had nog nooit eerder gitaar gespeeld, maar nu heeft ze een gitaarsolo. Maria Kraakman heeft alleen een jaartje gedrumd toen ze 13 was, maar ze heeft dat weer opgepakt. Nu drumt ze de hele show bij elkaar.’
‘Het is intensief, maar ik zie wel blije gezichten, want ik merk dat acteurs het ook zelf graag willen. Ze zijn heel goed in leren: niet alleen tekst, maar ook vaardigheden. Soms moeten ze voor een rol leren paardrijden, dan doen ze dat. Dat kan dus ook met een muziekinstrument.’
Penthesilea is dit najaar opnieuw te zien bij ITA.
Eric de Vroedt maakte in 2012 de voorstelling Mightysociety10, die was gesitueerd in Indonesië en ging over zijn Nederlandse vader. In 2020 volgde De eeuw van mijn moeder over zijn Indische moeder. Daar komt nu een derde voorstelling over zijn familie bij. De Vroedt: ‘Door onderzoek te doen, naar Indonesië te reizen, verre familieleden te spreken heb ik zoveel nieuwe verhalen ontdekt. Die moesten verteld worden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant