Home

De zeehond keek naar mij, ik keek naar de zeehond, en vanaf het strand keek mijn hond naar ons

Het was de eerste echt lekkere dag van het jaar, en ik wilde meteen naar het strand en in de zee zwemmen. Het KNMI had gewaarschuwd dat de zee nog heel koud was. Ik vind het KNMI lief, maar: natuurlijk is de zee nog heel koud. De zee staat erom bekend dat hij erg langzaam warm wordt. Omdat hij groot is. Bovendien is de Noordzee niet van zins om ooit echt een lekkere temperatuur te bereiken, en er zijn waterpartijen die het nog veel bonter maken, bijvoorbeeld de Atlantische Oceaan bij Portugal, die altijd stervenskoud is.

Ik was ook niet van plan om uren te gaan liggen dobberen in zee, zo’n zwempartij zou het niet worden. Gewoon: een paar zelfbedachte Wim Hof-oefeningen doen en dan erin en eruit.

Op het strand bij IJmuiden bleek niemand anders te zwemmen. Iedereen had naar het KNMI geluisterd, of gewoon naar zijn eigen gezonde verstand. Maar ik had nu al tien keer gezinsbreed aangekondigd dat ik ging zwemmen, dus ik moest erin. Mijn hond volgde me op de voet, zoals altijd, maar bleef bij de rand van het water staan en keek verbaasd hoe ik doorliep, het water in. Voor de zekerheid bleef ze zo dichtbij mogelijk en hield mij vanaf het strand in de gaten.

Ik ging erin. En daar, op 3 meter afstand, keek er nog iemand naar mij. Een zeehond. Hij was donkerblauw, met donkerblauwe ogen, zijn gladde hoofd stak boven het water uit. De zeehond keek naar mij, ik keek naar de zeehond, en vanaf het strand keek mijn hond naar ons. Mijn hond, een teckel, en de zeehond leken ook nog eens heel erg op elkaar; de zeehond was de blauwe, oorloze versie van mijn hond. Ze vertoonden een verwantschap. Vooral in de trouwe manier waarop ze naar me keken.

Daar, in de zee onder de letterlijke rook van Tata Steel, voelde ik me meer één met de natuur dan ooit tevoren. De magische driehoek die de zeehond, mijn hond en ik vormden, werd door niemand opgemerkt. Wij keken elkaar alsmaar aan, en ik wist zeker dat we elkaar geen kwaad wilden doen, sterker nog: het leek alsof we ons om elkaar bekommerden. De zeehond dacht: wat doe jij in die koude zee? Ik dacht: zeehond, wat fijn dat jij nog bestaat. En mijn hond dacht: wat doe jij in die koude zee met die andere hond?

Na een minuut moest ik er weer uit, van het KNMI en van mezelf. De zeehond dook naar beneden en verdween. Maar die minuut hadden we maar mooi, de mooiste minuut van de eerste zomerse dag.

Source: Volkskrant

Previous

Next