Home

Hoe raak schiet de film ‘Civil War’? Kan er zomaar weer een burgeroorlog komen in Amerika?

Een tweede Amerikaanse burgeroorlog is het onderwerp van de film ‘Civil War’, die vanaf donderdag draait in de bioscoop. In hoeverre weerspiegelt die het échte gepolariseerde Amerika? Michael Persson, van 2015 tot 2021 correspondent in de Verenigde Staten, ging kijken.

Dat er in de Verenigde Staten een soort van burgeroorlog zou kunnen uitbreken, durfde ik voor het eerst op te schrijven op 5 november 2016, een paar dagen voor de verkiezingen. Ik had toen het land een jaar van dichtbij gezien en schreef dat ik ‘soms het idee had door het Joegoslavië van 1990 te reizen, een land met verschillende stammen die van alles gemeen hebben maar elkaar grondig haten, van bovenaf gevoed door opportunistische of onnadenkende leiders en van onderaf door vooringenomen fanaten die zich hebben opgesloten in hun eigen gelijk’.

Ik was net in Hillsborough geweest in North Carolina, een rustiek voorstadje met keurige winkeltjes en ambachtelijke bierbrouwers, waar een brandbom door het raam was gegooid van het plaatselijke Republikeinse hoofdkwartier. Ik had de half gesmolten tweezitsbank gezien, en wat er met zwarte letters op de muur geschreven was. ‘Nazi Republicans leave town or else’. Een jongeman was aan het opruimen. ‘Hillary for Prison’, stond er op zijn T-shirt. Voor hem was de aanval de druppel. ‘Er komt een moment dat je je moet verzetten.’

Over de auteur
Michael Persson is economieverslaggever en commentator van de Volkskrant.

Voelbare dreiging

Het was een klein incident. Tanks of gevechtshelikopters waren in geen velden of wegen te bekennen. Maar het paste in een patroon van groeiende onverzoenlijkheid, en maakte een dreiging voelbaar die de jaren daarop op steeds meer momenten tot uitbarsting zou komen, tot en met de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021.

Als ik over die tekenen schreef werd daar vaak lacherig over gedaan. In Amerika? De oudste democratie ter wereld?

Maar er kan dus ook daar van alles gebeuren.

Een tweede Amerikaanse burgeroorlog is het onderwerp van de film Civil War, die vanaf vrijdag wereldwijd in bioscopen te zien is. De timing is perfect, met opnieuw verkiezingen voor de boeg, met de afloop van de vorige nog vrij vers in het geheugen en met een kandidaat, Donald Trump, die meer autoritaire trekken vertoont dan ooit, geweld en wetteloosheid toejuicht en zijn politieke tegenstanders ‘ongedierte’ noemt.

Hoe trekt de Britse filmmaker Alex Garland, bekend van dystopische sciencefiction (Ex Machina, Annihilation), de huidige historische lijnen in het land door?

Dystopisch is Civil War zeker. Een zelfmoordaanslag in Brooklyn, vluchtelingen in een stadion, rokende winkelcentra, een snelweg vol gebombardeerde auto’s, lijken die zijn opgehangen aan een viaduct waarop nog de aanmoediging voor de plaatselijke footballclub staat, een sluipschutter die zich schuilhoudt rond een verlaten kerstmarkt, een massagraf achter een keurig gemaaid gazon: de beelden die we kennen uit echte oorlogen zijn geplaatst in het decor van archetypisch Amerika, en dat maakt de film surrealistisch apocalyptisch. De Amerikaanse symbolen van geluk en stabiliteit blijken zich prima te lenen als toneel voor onvoorspelbare gruwelen.

Visueel verruimt dat het voorstellingsvermogen. Scènes uit de Balkan, Rwanda, Syrië en al die andere (voor Amerikanen) exotische plekken zijn met gemak te transponeren naar het land dat zichzelf zo graag als exceptioneel ziet.

Clichéjournalisten

Daar waren de afgelopen jaren natuurlijk al voorproefjes van te zien. De rookwolken boven Minneapolis na de dood van George Floyd. De militaire helikopters vlak boven de hoofden van demonstranten rond het WItte Huis. De zombieachtige figuren die het bordes van het Capitool in Washington beklommen. Wie dat zag, wist al dat Amerika een land is van onbegrensde mogelijkheden tot opstand.

Maar inhoudelijk heeft de film niet datzelfde voorstellingsvermogen-verruimende effect. De scènes worden aan elkaar geregen tot een soort roadmovie, waarin vier (cliché-)journalisten vanuit New York naar Washington rijden voor een laatste interview met de president. Die tocht leidt tot bizarre ontmoetingen met bordkartonnen soldaten en militiemannen die moeiteloos moorden en martelen, maar deze confrontaties tonen niet veel meer dan dát er strijdende partijen zijn, niet waarvoor of waartegen ze precies strijden.

In het echte gepolariseerde Amerika denken de twee kampen wel gerechtvaardigde redenen te hebben om elkaar te haten, maar onmenselijk zijn ze nooit. Ook de vrachtwagenchauffeur die Florida wilde afscheiden van de rest van Amerika en een hekel had aan alles wat uit Washington en New York kwam, haalde, toen we elkaar ’s avonds laat troffen in een motel ergens diep in de bergen, de voorraadkast in zijn cabine leeg om mijn hongerige kinderen eten te geven. Dat raadsel, hoe vrienden toch vijanden kunnen worden, wordt in de film overgeslagen.

Ja, de staten Texas en Californië hebben zich in Civil War kennelijk verenigd als ‘Western Forces’ en belegeren nu de hoofdstad, om een president af te zetten die als ‘fascist’ wordt betiteld en kennelijk een derde termijn wil aanblijven. Maar waarom een jonge vrouw daartoe, gewapend met bomgordel en een vlag met twee sterren, een massa om water schreeuwende New Yorkers wil opblazen blijft onduidelijk.

Voor een burgeroorlog komen er eigenlijk opvallend weinig vechtende burgers in het verhaal voor. Garland lijkt de polarisatie in de samenleving weliswaar als uitgangspunt te hebben genomen, maar die mondt uit in vrij standaard militair geweld.

Racistische schietpartijen

Daarmee is deze ‘Civil War’ tamelijk on-Amerikaans. Als er een land ter wereld is waar burgers zélf de wapens kunnen oppakken, dan is het Amerika. Zie Kenosha in 2020, waar Kyle Rittenhouse twee Black Lives Matter-demonstranten doodschoot, en Portland, waar een linkse extremist een rechtse extremist doodschoot, en zie de racistische en antisemitische schietpartijen in winkelcentra, kerken en een synagoge, waarbij in de afgelopen jaren tientallen doden vielen.

‘We moeten vechten voor de dingen waar we in geloven!’, hoorde ik een extreem-rechtse ‘patriot’ zeggen op de herdenkingsdienst van een doodgeschoten wapenbroeder in Portland, waar tientallen Proud Boys en andere zwaarbewapende militieleden zich hadden verzameld. ‘Jullie kunnen je verstoppen, maar straks staan ze op de drempel van jullie buren, en als ze bij jullie buren komen, dan komen ze daarna bij jullie!’

Een paar maanden later, op verkiezingsavond, kwam ik enkelen van hen tegen bij een bloederige steekpartij in Washington DC, en weer een paar maanden later gingen sommigen van hen voorop in de bestorming van het Capitool. Een andere militie, de Oath Keepers, had die dag grote voorraden wapens klaarliggen waar ze na de bestorming op konden terugvallen. Het leger bleef bij deze poging tot machtsgreep afzijdig.

In het boek How Civil Wars Start hanteert Barbara Walter, die dertig jaar burgeroorlogen heeft bestudeerd, drie criteria om te kijken hoe gevoelig landen zijn voor zo’n geweldsexplosie. Allereerst: hoe democratisch is een land? Landen die op een schaal van +10 (meest democratisch) naar -10 (meest autocratisch) tussen +5 en -5 zitten, hebben een twee keer zo grote kans op onrust als dictaturen en een drie keer zo grote kans als democratieën. Amerika belandde in 2020 voor het eerst in de gevarenzone.

Het tweede criterium is ‘factievorming’, oftewel in hoeverre politieke partijen geordend zijn naar etniciteit, godsdienst, ras of een andere identiteit, in plaats van ideologie. Dat gaat gepaard met enorme haat jegens de ander, meestal aangewakkerd door demagogen – zoals de cultuurstrijd tegen woke in het huidige Amerika. Het derde, gerelateerde criterium: het verlies van status. Een verloren verkiezing wordt dan als een veel grotere, onacceptabele nederlaag gezien.

En dan kan er van alles gebeuren, zonder dat het leger daarbij een grote rol speelt, schrijft Walter.

Valse balans

Dat rechts onder Trump in deze dynamiek veel verder is afgegleden dan links – zie de bestorming van het Capitool, en het goedpraten daarvan – is in de film geen onderwerp. In oorzaken of aanleidingen van zijn burgeroorlog is regisseur Garland niet geïnteresseerd, en zijn adrenalineverslaafde hoofdpersonen evenmin (een interview met de president is volgens hen het ‘enige verhaal dat nog over is’, de verhalen van gewone mensen doen er kennelijk niet meer toe). Daardoor blijft de film politiek en psychologisch op de vlakte en neigt hij enigszins naar bothsidesism, het geven van een valse balans.

Daar lijkt Garland voor te hebben gekozen. Want cliché-conservatief Texas en cliché-progressief Californië zijn natuurlijk verre van realistische bondgenoten. En bij het ‘antifa massacre’ dat ergens aan het begin van de oorlog heeft plaatsgevonden, mag de kijker zelf bedenken of de antifascisten slachtoffers waren of daders. Dat is natuurlijk slim, en niet verboden – het blijft fictie, waarin kijkers mogen zien wat ze willen. Maar daardoor beklijft als boodschap niet veel meer dan ‘verschrikkelijk, zo’n burgeroorlog, en die journalisten zijn trouwens ook geen lieverdjes’.

Toch is er één moment waarop Garland inhoudelijk expliciet wordt. Als de journalisten zich in paniek proberen te redden tegenover een schietgrage soldaat die met een kiepwagen een massagraf aan het volstorten is met lijken, zeggen ze uit arren moede maar dat ze ook Amerikanen zijn. ‘What kind of Americans?’, vraagt de soldaat dan – ja, maar wát voor een Amerikanen?

Het xenofobe exces dat volgt maakt duidelijk dat deze fictieve burgeroorlog wel degelijk gedreven wordt door reflexen die ook in het huidige Amerika zichtbaar zijn.

De Amerikaanse Burgeroorlog

De eerste Amerikaanse Burgeroorlog werd uitgevochten tussen 1861 en 1865. De staten in het zuiden scheidden zich af omdat ze de slavernij wilden behouden. De oorlog, uitgevochten in grote veldslagen, kostte zeker 700 duizend Amerikanen het leven. Nog steeds schermen radicaal-rechtse groeperingen met de rebellen vlag, als symbool van hun afkeer van Washington dan wel gekleurde Amerikanen of immigranten. De staat Mississippi verwijderde het rebellenkruis pas in 2020 uit zijn vlag, na de dood van de zwarte Amerikaan George Floyd door toedoen van de politie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next