De plattelandsjeugd die niet kan wachten om naar de stad te verhuizen? Veel jongeren blijven juist graag in hun dorp wonen, alleen: daar vinden ze geen huizen. In Lattrop en Spannum kwamen ze tot creatieve oplossingen.
Na een dag in Enschede heeft Boy Groeneveld (28) het altijd wel weer gezien. Door al die stadse drukte verlangt hij dan weer naar de rust van het Twentse platteland. Naar zijn dorp, Lattrop, waar hij werd geboren en tot zijn dood hoopt te blijven. ‘Ieder uur een sirene, niets voor mij’, zegt ook zijn ‘kameraad’ en dorpsgenoot Pim Scholte Lubberink (29).
Het had niet veel gescheeld of de woningnood had de twee van hun geboortegrond verdreven. Maar ze namen het heft in eigen handen, waardoor de twee rustzoekers nog net voor hun 30ste het ouderlijk huis zullen verlaten. Ze worden buren; op een paar straten afstand van hun ouders strijken ze binnenkort neer in hun riante zelfbouwwoningen. Inclusief uitzicht over de es die aan de rand van het dorp richting Duitsland golft.
Het tekort aan woonruimte in Nederland groeit en groeit. Woningzoekenden staan jarenlang ingeschreven, koophuizen zijn voor steeds minder mensen betaalbaar. De Volkskrant onderzoekt de oorzaken en gevolgen van de wooncrisis en gaat langs bij mensen die een oplossing proberen te vinden. Lees hier eerdere afleveringen.
Het cliché wil dat plattelandsjongeren hun geboorteplaats liefst zo snel mogelijk inruilen voor de stad. De realiteit is vaak anders. Van het Friese Achlum tot Alem in Gelderland: veel twintigers en dertigers willen juist graag in hun eigen dorp blijven wonen.
Maar waar? Sociale huur is er schaars, nieuwbouw vaak voorbehouden aan centrumplaatsen en de koophuizen die mondjesmaat vrijkomen zijn meestal onbetaalbaar – zeker nu er steeds vaker kapers op de kust zijn vanuit de Randstad.
Boys vader Hans Groeneveld (66) kreeg een jaar of zeven geleden door dat de gemeente Dinkelland ‘in de slaapstand stond’ als het aankwam op het aanwijzen van bouwlocaties. Ootmarsum, Denekamp: in de wat grotere kernen gebeurde in het meest oostelijke puntje van Overijssel nog weleens wat. Maar in een klein dorp als Lattrop zat de woningmarkt voor de elfhonderd inwoners muurvast, laat staan dat er eens een nieuwe inwoner bijkwam.
Groeneveld had al eens met succes bij de gemeente afgedwongen dat het dorp een sporthal kreeg. Dat moest ook lukken met nieuwbouw voor jongeren. Er kwam een stichting onder voorzitterschap van Groeneveld, die de projectontwikkeling op zich nam. De hoop onder een generatie dorpsjongeren groeide: zouden ze voor een woning misschien toch niet noodgedwongen moeten uitwijken naar Dedemsvaart of Ootmarsum?
De gemeente was aanvankelijk passief, maar bleek welwillend toen Groeneveld ze vertelde over de plannen. Bezwaren, vaak een groot obstakel voor nieuwbouw, werden aan de keukentafel van omwonenden – allemaal bekenden – weggenomen; op de uiteindelijke plannen werd geen zogeheten zienswijze ingediend.
Wat ook hielp: de twee lokale aannemers bleken bereid mee te werken. Niet in de laatste plaats om jongens zoals Boy en Pim te behouden voor het dorp; de een timmert voor bouwbedrijf Niehof, de ander werkt er op kantoor. In het rijtje van acht nieuwe woningen zijn er ook nog jongens die werken voor de andere aannemer, Warmes.
Van concurrentie tussen de bouwbedrijven bleek bij dit project geen sprake. Ze financierden de grond samen voor, wat de deelnemers anders met ingewikkelde constructies en risico’s zelf hadden moeten doen. Nu konden ze ieder voor zich in een later stadium, vanuit hun hypotheek, het eigen perceel kopen van de bouwbedrijven.
Om het voor de jongeren betaalbaar te houden, kochten de aannemers de materialen voor ze in, waarna de zelfbouwers anderhalf jaar lang in de avonduren en weekenden samenwerkten aan elkaars droomhuis. ‘Dat is waarom ik hier wil blijven’, zegt Pim. ‘Iedereen kent en helpt elkaar. Toen mijn badkamertegels werden geleverd, stonden diezelfde dag twee dorpsgenoten op de stoep om te helpen sjouwen.’
Wat ze in Twente noaberschap noemen, heet 150 kilometer verderop in Noordwest-Friesland mienskip. Vraag aan Jorrit Jorritsma wat het verenigingsleven omvat in Spannum, een dorpje met amper 280 inwoners, en je krijgt een indrukwekkende opsomming: een kaatsvereniging, een korfbalvereniging, een jeu-de-boulesvereniging, een biljartvereniging, twee fanfares, een bejaardensoos en een toneelclub. Vorig jaar was bijna het hele dorp betrokken bij het openluchtspel.
‘De levendigheid in het dorp is groot. Maar die moet je wel in stand houden’, zegt Jorritsma, zelf onder andere kerkrentmeester en lid van de woningbouwcommissie.
Des te groter was het verlies toen in 2022 de basisschool moest sluiten. Die vormde het hart van het dorp, maar dertien leerlingen was niet genoeg. ‘Echt een aderlating’, zegt Jorritsma, die er zelf in de jaren zeventig nog in de banken zat.
Gebouwd werd er in Spannum bovendien al decennialang niet meer. In voorzieningen werd ook niet meer geïnvesteerd. Met het perspectief van een krimpgebied creëerde de overheid zo een zichzelf waarmakende voorspelling, vindt Jorritsma.
Dat tij wil het dorp keren. Om het verenigingsleven en de mienskip in stand te houden, is aanwas nodig. Maar die mensen moeten wel ergens wonen.
Daarom ontstond het idee een klein wijkje met dertien huizen bij te bouwen, inclusief een nieuwe pastorie. Een voordeel: de kerk bezit flink wat grond. Destijds was nog de hoop dat in elk geval een paar kavels ook voor telgen uit het eigen dorp geschikt zouden zijn.
Maar nu de grond bouwrijp gemaakt wordt, zijn de bouwkosten en de rente flink gestegen. Er komen wel drie gezinnen uit het dorp wonen, voor de jeugd is het onbetaalbaar geworden.
‘De jeugd wil helemaal niet weg’, zegt Jorritsma. In 2022 werd er een woonenquête gehouden in het dorp. Van de acht nog thuiswonende jongeren met verhuisplannen wilden er zeven graag in Spannum blijven.
Margit Cnossen (26) werkt als verpleegkundige in Heerenveen, Jasper de Boer (24) is planner bij een houthandel in Harlingen. Ze hebben het forenzen er graag voor over om in Spannum te blijven wonen. Al betekent dat vooralsnog: bij hun ouders.
‘Een andere mogelijkheid is er hier niet’, zegt Cnossen. Op jezelf gaan wonen betekent voor de Spannumer jeugd: het dorp verlaten. ‘Maar ik ben hier geboren en getogen. Ik heb al mijn vrienden en mijn sport hier. Ik hoef het niet ergens anders te zoeken.’ De Boer ervoer het meer stadse leven tijdens zijn studietijd in Emmen. ‘Maar dit dorp voldoet voor mij in alles.’
Hij staat wel ingeschreven bij de woningbouwstichting, maar sociale huurwoningen zijn er in het dorpje amper. ‘Ze komen zelden vrij. En als dat al gebeurt, dan zijn er altijd wel tien wachtenden voor je.’ Staat er eens een huis te koop, dan is dat zo weg. Jorritsma: ‘Soms gaat het ook naar kopers uit het Westen. Daar kan onze jeugd niet tegenop bieden.’
‘Daarom is het zo mooi dat de school op ons pad kwam’, zegt Jorritsma. Die heet CBS de Tarissing, Fries voor: ‘voorbereiden op het leven dat komt’. Dat gold voor Margit en Jasper, toen ze hier een jaar of vijftien geleden afscheid namen in groep 8. Maar wie weet, keren ze er straks weer terug.
Want dit jaar nog worden de voormalige leslokalen met het onvermijdelijke linoleum op de vloer omgebouwd tot appartementen. Vier voor eigen jeugd, één voor een statushouder. ‘Met elk een mooi terrasje’, zegt Jorritsma.
In samenspraak met het dorp verkocht de gemeente het pand aan een projectontwikkelaar, die het gaat verbouwen. Het bestemmingsplan is rond. De woonruimten gaan vallen in het sociale huursegment. Dorpsbelang bewaakt de toewijzingsprocedure in samenspraak met de verhuurder.
Voor Cnossen en De Boer is het een uitgelezen en betaalbare kans om in eigen dorp onderdak te vinden. Al is het nog even de vraag of ze tot de gelukkigen gaan behoren. De school verkopen aan de hoogste bieder was sowieso een slecht idee geweest, denkt Jorritsma. Het pand grenst namelijk aan het dorpshuis. ‘Dan krijg je binnen de kortste keren gemekker over de repetities van de muziekkorpsen.’
De rust die het bekende, vertrouwde dorp ze geeft, bindt ook de Lattropse jongens, van wie de meesten elkaar iedere zaterdag op de voetbalvelden van Dinkelland Tilligte Combinatie treffen. In de gevels van hun nieuwe huizen wordt hun eigenheid zichtbaar. De een ging voor de in Twente veel geziene Saksische stijl, de ander koos met hout en steen in de buitengevel voor Oostenrijkse invloeden. Pim Scholte Lubberink ging voor modern landelijk, terwijl Boy Groeneveld zich liet inspireren in België, waar hij tijdens een vakantie gecharmeerd raakte van de Kempische bouwstijl.
Door loting onder louter inwoners van Lattrop werd gegarandeerd dat de bouwkavels niet alsnog in handen van randstedelingen kwamen. De afspraak is nu dat de nieuwe bewoners er in ieder geval vijf jaar blijven wonen. Een energieneutraal koophuis van 200 vierkante meter met tuin en uitzicht, en dat voor je 30ste: Groeneveld en Scholte Lubberink weten dat ze geen doorsneestarterswoning bezitten.
Met een investering van een kleine 500 duizend euro denkt Scholte Lubberink voor de rest van zijn leven klaar te zijn. Maar stel, hij wil er over vijf jaar of later toch vanaf en een randstedeling overbiedt een dorpsgenoot met 150 duizend euro. Wordt dat dan niet lastig? Hij lacht: ‘Nee hoor, dat wordt niet lastig. Dan gaat-ie gewoon naar de hoogste bieder.’
In 36 middelgrote Friese dorpen wordt de helft van de sociale huurwoningen die vrijkomen met voorrang toegewezen aan mensen met binding met het dorp. Het is een proef waarmee de Friese corporatie Elkien vorig jaar is begonnen. ‘We kregen signalen uit dorpen dat de leefbaarheid onder druk kwam te staan. Zij zagen een toestroom van mensen van buiten, die geen binding hebben met het dorp’, zegt bestuurder Chantal Droste.
Ook in Friesland is de wachttijd voor een sociale huurwoning opgelopen tot twee of drie jaar. De proef is niet specifiek gericht op jongeren. ‘Maar die kunnen daar wel voordeel van hebben.’ Het criterium is dat iemand het afgelopen jaar aaneengesloten, of zes van de afgelopen twaalf jaar in het dorp heeft gewoond. ‘Zo komen ook jongeren in aanmerking die voor hun studie tijdelijk vertrokken zijn.’
Droste wil benadrukken dat het niet per se zo is dat mensen die ‘van buiten’ komen geen bijdrage leveren aan het verenigingsleven in een gemeenschap. ‘Dat is absoluut niet waar.’ Elkien heeft daarom een onafhankelijk onderzoeksbureau opdracht gegeven de proef te monitoren. ‘Het is voor ons geen doel op zich dat eigen jeugd voorrang krijgt. Het gaat echt om het verbeteren van de leefbaarheid.’
In een eerdere versie van dit artikel stond dat Alem in Noord-Brabant ligt, het ligt in Gelderland.
Geselecteerd door de redactie
Een gezin beginnen op de ouderlijke zolder: ‘Natuurlijk had ik liever eerst een eigen huis gehad’
Huren in het middensegment misschien toch niet aan banden – huurwet van Hugo de Jonge wankelt
Huizenprijzen stijgen weer: is er nog hoop voor woningzoekenden?
Source: Volkskrant