Home

Iedereen wil minder zelfmoorden, maar de preventiewet neigt naar symptoombestrijding

Natuurlijk moet de overheid zich inspannen om zelfmoorden te voorkomen, maar een wettelijke plicht leidt vooral tot overspannen verwachtingen.

De Wet integrale suïcidepreventie bevat veel behartenswaardige woorden. Een breed front van fracties in de Tweede Kamer wil zo de overheid verplicht stellen al het mogelijke te doen om het aantal zelfmoorden terug te dringen. Want zelfmoord is iets vreselijks, stellen de partijen: ‘Een groot maatschappelijk probleem dat jaarlijks 1.800 levens kost en het leven van nog eens 250 duizend mensen diep raakt.’ Niemand zal het daarmee oneens zijn.

Het is bovendien een probleem waar de overheid wat aan kan doen, benadrukken de initiatiefnemers: ‘Onderzoek laat zien dat suïcide kan worden voorkomen, mits er over een lange periode een breed pakket aan preventieve maatregelen wordt ingezet.’

Dat willen ze daarom wettelijk verplicht stellen. Voor het antwoord op de vraag wat dat concreet zou kunnen betekenen, verwijzen ze naar handreikingen van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO: verminder de toegang tot ‘methoden en middelen’ waarmee zelfmoord kan worden gepleegd, biedt ‘voorlichtings- en veerkrachtprogramma’s’ aan op scholen, vergroot de toegang tot hulp ‘voor iedereen’. Prachtige doelstellingen waar, opnieuw, niemand het mee oneens zal zijn.

De vraag is wel wat het effect van wetgeving zal zijn. Suïcidepreventie is sinds 2014 officieel overheidsbeleid, vastgelegd in de ‘landelijke agenda suïcidepreventie’ die om de paar jaar opnieuw wordt vastgesteld. Een wet kan voorkomen dat een kabinet, bijvoorbeeld uit bezuinigingsoverwegingen, opeens besluit dat er andere prioriteiten zijn en met één pennenstreek de preventieprogramma’s schrapt. Dat is de positieve kant van de zaak.

De keerzijde ligt in de overspannen verwachtingen. De Kamer kan er zelf maar ten dele iets aan doen, maar het is een feit dat de geestelijke gezondheidszorg door een diepe crisis gaat en dat daardoor de toegang tot adequate hulpverlening voor heel veel mensen nu wordt belemmerd. De wachttijd is opgelopen tot achttien weken. Er moet van alles gebeuren om de GGZ uit het moeras te trekken, maar het is zeker niet opgelost met een wet die voorschrijft dat de overheid alles moet doen om zelfmoorden te voorkomen.

Intussen gemeenten - alsof die al niet genoeg te doen hebben - wel wettelijk verplicht stellen om de beschikbaarheid van ‘methoden en middelen’ te verlagen, neigt naar symptoombestrijding. Bovendien is het wachten op rechtszaken tegen gemeenten die hun spoorwegovergangen straks niet voldoende beveiligd hebben en daarvoor door nabestaanden aansprakelijk worden gesteld. Dan wordt het weer aan rechters om te bepalen hoever de verantwoordelijkheid van de overheid precies reikt.

De Raad van State waarschuwt al enkele jaren tegen de politieke neiging om allerlei maatschappelijke afspraken te ‘vertalen’ of van een legitimatie te voorzien in wetten die dan uiteindelijk te vaag worden, te weinig concrete doelen stellen en daardoor te weinig houvast bieden. Die neiging holt de waarde van wetgeving uit en leidt intussen wel tot frustraties en overbodige bureaucratie.

Ondanks alle goede bedoelingen is deze wet daarvan een voorbeeld: er is te veel mist over wat de rechten en de plichten van alle betrokkenen straks zijn. De Tweede Kamer kent die kritiek, maar zet niettemin door. Gelukkig is er ook nog een Eerste Kamer.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next