Home

Het transparantieregister, gerund door de zorgsector, moet plaatsmaken voor een overheidsregister

Transparantie Het transparantieregister dat betaling aan artsen en klinieken moest tonen, werkte niet. De overheid gaat dat nu zelf bijhouden.

Het transparantieregister voor de gezondheidszorg is niet transparant en eigenlijk ook geen register. Niet transparant, omdat er – met veel moeite – alleen een betaling aan een individuele arts of onderneming is te vinden en niet bijvoorbeeld een reeks betalingen door een farmaceutisch bedrijf gedurende meerdere jaren. Geen register, omdat bijvoorbeeld niets te vinden is over de betalingen aan artsen voor het doen van geneesmiddelenonderzoek.

Het Transparantieregister Zorg (TRZ) doet dus niet wat het moet doen. Het is in 2012 onder meer opgezet zodat patiënten de financiële belangen van hun arts kunnen nagaan. „Voldoende transparantie draagt bij aan een klimaat waarin misstanden minder snel voorkomen”, zo schrijft demissionair minister Pia Dijkstra (Medische Zorg, D66) in een brief die ze maandag aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Met misstanden doelt zij op „situaties waarbij medische professionals uit eigenbelang handelen, en niet in belang van de patiënt”.

Zo bleken cardiologen in het Isala Ziekenhuis in Zwolle zelf fors te verdienen aan medische hartapparaten die zij bij hun patiënten plaatsten. De verhalen hierover in NRCwerden gevolgd door publicaties en uitzendingen van Follow The Money en Nieuwsuur over het ontbreken van enig zicht op de omvangrijke geldstromen van de medische industrie naar ziekenhuizen, universiteiten, artsen en onderzoekers.

Onder druk van deze onthullingen komt minister Dijkstra nu met maatregelen. Het huidige transparantieregister, dat door de zorgsector zelf wordt gerund, moet plaatsmaken voor een overheidsregister waarin ook de grote geldstromen gemeld moeten worden. Ziekenhuisbesturen moeten beter zicht krijgen op die geldstromen binnen hun muren. Er komen strakke regels voor ‘sponsoring’, een vage verzamelnaam voor de meest uiteenlopende betalingen door het bedrijfsleven – van het ondersteunen van congressen tot het geven van beurzen.

Dit alles moet volgens Dijkstra „ongewenste beïnvloeding van zorgprofessionals door medische bedrijven” tegengaan. Deze regulering wordt wel een zaak van lange adem, zo leren de Kamerbrief en enkele meegestuurde onderzoeken. Zelfs als de nieuwe spelregels over enkele jaren van kracht worden, dan nog blijft het spel van beïnvloeding zo ingewikkeld en subtiel dat het waarschijnlijk lastig zal blijven om ‘gewenst’ en ‘ongewenst’ uit elkaar te houden.

Het klassieke omkopen van de dokter met reisjes en concertkaartjes is de laatste decennia goeddeels verdwenen door regels die dit zogeheten gunstbetoon verbieden. Gebleven is de symbiotische relatie tussen artsen en industrie die voor onderzoeken naar nieuwe geneesmiddelen en medische hulpmiddelen van elkaar afhankelijk zijn. De industrie levert geld voor onderzoek, de ziekenhuizen kennis en proefpersonen.

Zulke sponsoring door medische bedrijven komt veel voor, signaleert de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Daarbij gaat het volgens de Kamerbrief „om hoge bedragen waarvan de besteding niet duidelijk of niet transparant is”. Het geld gaat in principe naar de hoofdonderzoeker van een ziekenhuis of universiteit, die het vaak in de pot van de afdeling stopt of soms op de rekening van het onderzoeksinstituut. Gelden gaan ook wel naar maatschappen van artsen, andere medische ondernemingen of onderzoekstichtingen.

Die geldstromen blijven nu voor vrijwel iedereen ongrijpbaar. Ziekenhuisbesturen zijn zelf niet op de hoogte van de financiële relaties van hun artsen met medische bedrijven, zo bleek eerder uit IGJ-onderzoek. Voor de buitenwereld is het ook lastig om zich op te krijgen. De laatste decennia moeten onderzoekers bij hun publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en op congressen vermelden of ze zijn betaald voor hun onderzoek en door wie. Die ‘disclosures’ zijn voor het publiek alleen niet toegankelijk.

Het is ook niet mogelijk om die relaties terug te vinden in het huidige register. Medische bedrijven houden zich doorgaans wel aan hun meldingsplicht, vooral omdat ze die buiten Nederland ook meestal hebben. Alleen gaat het daarin om betrekkelijk kleine betalingen voor bijvoorbeeld spreekbeurten, niet om de hoge geldbedragen waar hele onderzoeksprogramma’s op draaien.

Terwijl bij die hoge bedragen volgens Dijkstra „het risico op ongewenste beïnvloeding mogelijk zelfs groter is dan bij andere soorten financiële relaties die nu al wel onder het register vallen”. Het is daarom dat Dijkstra de besturen van (academische) ziekenhuizen wil verplichten om financiële overeenkomsten met de industrie voortaan mee te ondertekenen; dan moeten ze hun eigen huishoudboekje wel kennen. Daarom ook komen de grote geldstromen in het overheidsregister te staan, zodat iedereen die straks makkelijk kan zien.

Tegelijkertijd benadrukt Dijkstra: „Buiten kijf staat dat dit soort geldstromen meestal wenselijk en zelfs nodig zijn voor bijvoorbeeld onderzoeksfinanciering.” Precies dat maakt het lastig om de knoop van industrie en medici te ontwarren. Medische wetenschappers moeten voor hun loopbaan veel publiceren en kunnen dat eigenlijk alleen met onderzoek dat door de industrie is betaald – de bedragen die de overheid geeft voor onafhankelijk onderzoek zijn een fractie van die van de industrie. Farmaceutische bedrijven geven daarnaast vaak beurzen waarmee universiteiten jonge onderzoekers kunnen laten promoveren - doorgaans op een onderwerp naar eigen keuze.

Het wordt lastig om voor sponsoring regels te bedenken die licht brengen in dit schemergebied. Onduidelijk is in hoeverre een eind komt aan de wirwar van stichtingen waarheen nu veel sponsorgelden voor ‘research’ worden overgemaakt. Er zijn geen „geen verifieerbare data over hoe breed ongewenste beïnvloeding in de zorg voorkomt”, schrijft Dijkstra. Het is de vraag of die data er wel komen.

Source: NRC

Previous

Next