Home

‘Nee, ik weet het honderd procent zeker. Ze is al helemaal koud. O man, zo eng!’

Nog een beetje slaperig liep ik ’s ochtends over de markt. Het was zo’n onverwacht mooie lentedag, waarvoor sommige mensen zich tegenwoordig een beetje schamen; wie onbekommerd geniet van dat ooit zo heilzame zonnetje schuift weer een stukje nader tot het eeuwige hellevuur.

Mijn gepeins werd onderbroken door een passant, een dunne, blonde jongen van een jaar of 20, die paniekerig stond te telefoneren onder de luifel van de visboer. ‘Ja man, jezus’, riep hij. ‘Ik kom binnen, en daar ligt ze, op bed. Ik denk nog, wat ligt ze er raar bij. Ik roep haar, geen sjoege. En ik kijken, hè? Jezus, ik schrik me helemaal kapot!’

Over de auteur

Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Hij luisterde even. ‘Nee, ik weet het honderd procent zeker. Ze is al helemaal koud. O man, zo eng!’ Zijn stem sloeg over. ‘Gisteravond, ik ging, hoe laat was het? Half 12, denk ik. Ik ging de stad in met Sam en Thomas, en toen was er nog niets aan de hand. Ze lag al lekker te slapen. Ja, of zou ze toen al...? ’

Hij luisterde weer even, en hernam: ‘Ja, maar wat moet ik dan nu dóén? Ik schrik me de tering man, ik ben weer naar buiten gerend. Wacht even.’ hij haalde een pakje sigaretten uit zijn borstzakje, stak er met trillende handen een op en inhaleerde diep. ‘Jeeezus, man. Dit soort dingen leren ze je ook niet op school he?’, piepte hij.

Hij luisterde weer, terwijl ik belangstelling veinsde voor de stapel avocado’s bij de groentekraam. Die arme jongen! Een kind eigenlijk nog, met zijn vlashaar en zijn bibberende lip. Met een beetje pech zou de politie hem natuurlijk nog verdenken ook. Moest ik me hiermee gaan bemoeien? Ik kon immers getuigen dat hij onschuldig was. Of was hij dat níét? En was dit telefoongesprek onderdeel van een geraffineerd alibi? Maar kijk die stakker nou lijkbleek zien.

’Serieus? Kán dat?’, riep de jongen verbaasd. ‘Krijg je daar geen last mee? En wáár dan?’(...) Nee, maar mijn ouders hebben wél een tuin. In Amstelveen. Maar hoe doe ik dat dan? Ik kan haar toch niet zomaar.’ Gespannen kneep ik in de avocado’s. Ze knepen niet terug, ondanks het waarschuwingsbordje van de groenteboer.

De jongen slaakte een zucht. ‘Ja, ik heb wel een oude sporttas’, zei hij. ‘Maar jezus, man. Ze was pas 11. Nou ja, 12 misschien, nét. Ik was 10 toen ik haar kreeg. Voor mijn verjaardag.’ Hij slikte hoorbaar en zijn ogen werden rood.

Ik legde de avocado terug. Hij was keihard. Maar die jongen is een lieverd. Die gaat het nog moeilijk krijgen, in het leven.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next