Annie de Kuiper-Backer is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt?
Annie de Kuiper-Backer kijkt vanuit haar kamer uit over het Amstelveen dat ooit bestond uit weilanden die ze volgebouwd zag worden. De 100-jarige groeide op met zes broers, voor wie ze de sokken stopte en kleding verstelde. Ze zou het liefst morgen haar koffers pakken voor een buitenlandse vakantie.
Hoe gaat het met u?
‘Zo lui als ik nu ben, ben ik mijn hele leven niet geweest. Ik was altijd zelfstandig en ondernemend. Maar ik ben onhandig geworden en nu afhankelijk van anderen. Ik zou graag even op de fiets stappen om dit en dat te gaan doen, mensen te helpen – dat heb ik altijd gedaan. Het kriebelt in mijn vingers. Mijn hele leven ging ik overal op de fiets naartoe, een auto hebben we nooit gehad. Met onze vier kinderen fietsten we in de zomer naar Heemskerk, naar een vakantiehuisje. Mijn kinderen zijn heel goed voor mij, nu ik zo oud ben. Ik ben een tevreden mens.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Ik had thuis niet veel te vertellen natuurlijk, want ik was het enige meisje. Ik had drie broers boven mij en drie onder mij. Ik moest altijd voor ze klaarstaan, van alles en nog wat voor ze doen: hun sokken stoppen, kapotte kleren herstellen, broekjes en bloesjes naaien. Ik was altijd bezig. Als ik thuiskwam van school was het van: doe je dit, doe je dat? En ging ik meteen achter de naaimachine zitten, waar altijd een stapel kleding naast lag om te repareren.’
Kreeg u weleens een bedankje?
‘Ben je betoeterd, nooit! Ze waardeerden al het werk dat hun zusje deed niet. ‘Is mijn broek al gemaakt?’, ‘Is het nóg niet klaar?’ Ze vonden het heel gewoon als ze hun kapotte broeken, die ze ’s avonds naast de naaimachine legden, de volgende ochtend weer konden aantrekken, gemaakt en al – en ook nog geperst.’
Hoe vond u het dat u al dat werk moest doen voor uw broers?
‘Heel gewoon, in alle gezinnen bij ons in de buurt ging het zo. Mijn moeder was blij dat ze een dochter had, anders had ze dat allemaal in haar uppie moeten doen. Ze had het al druk genoeg. Mijn broers hadden ook een taak: als ik na het avondeten de afwas deed, schilden zij met mijn moeder emmers vol aardappels voor de volgende dag.
‘Mijn moeder was opgegroeid op een boerderij en kon van melk, die ik op de fiets bij boeren in de polder haalde, roomboter en slagroom maken. Ze was ook druk met het inmaken en zouten van groenten uit onze tuin, die werden in weckflessen bewaard voor de winter.
‘Mijn vader was metselaar, als hij thuiskwam, hielp hij mijn moeder zoveel mogelijk met al het huishoudelijke werk. Op zondagavond begon hij met de was. Dan bracht hij al het witgoed aan de kook, dekte het af met flanellen lakens en liet het broeien. De volgende ochtend kon mijn moeder het dan wassen, drie keer spoelen, wringen en ophangen. Als het zeikerig weer was, hing de was op zolder te drogen, en sliepen we onder de lakens.
‘Wij waren de eerste in de straat met een wasmachine. Dan hoefde je alleen maar een stekker in het stopcontact te doen en dan ging de was vanzelf draaien. Iedereen kwam kijken.’
Hoe was de sfeer in huis?
‘Het was niet zo dat je denkt: god, wat had ik een lieve ouders. Dat geldt ook voor mijn broers. Het was geen gezellig gezin. Er werd eigenlijk alleen maar gewerkt, ’s avonds gingen we bijtijds naar bed, heel af en toe deden we een spelletje. Mijn vader was heel streng, hij tolereerde niks. Als enige meisje in het gezin werd er extra op mij gelet. Hij zag er streng op toe dat ik hard werkte en er geen jongens achter mij aankwamen. Hij wist altijd waar ik was, hij had zo zijn spionnen in het dorp. Als ik te laat thuiskwam, gaf hij mij klets, boem een oplawaai, met zijn ruwe metselaarshanden.
‘We waren katholiek, en op zondag in de kerk was mijn vader kerkwacht. Op de sjerp die hij droeg stond: ‘Eerbied in Gods huis’. Hij moest erop letten dat iedereen zich netjes gedroeg en hoefde niets te zeggen want zette zijn strenge blik op.’ (Ze doet het voor en kijkt fel uit haar ogen.)
‘Als mijn moeder vader zag thuiskomen uit zijn werk, waarschuwde ze ons: ‘Jullie vader komt eraan!’ Dan was het meteen stil in huis. Mijn moeder was een jaknikker, durfde nooit ergens tegenin te gaan. Zo wilde ik niet worden.’
Mocht u doorleren na de lagere school?
‘Ik kon alleen een jaar naar de Nijverheidsschool, om ijverig met naald en draad te leren omgaan. Daarna, op mijn 14de ging ik naast het werk thuis drie dagen in de week als dienstmeisje aan de slag. Dat vond ik leuk, kwam ik eens bij andere mensen thuis en ik genoot ervan in zo’n groot huis te zijn, met mooiere spullen dan ik gewend was. Ik verdiende 3,50 gulden per dag en daarvan mocht ik 50 cent houden van mijn ouders. Dat spaarde ik op, om iets te kopen dat ik toch niet van hen kreeg, zoals een mooi tasje.
‘Ik kan wel zeggen dat het leven geen luxe was. Vergeleken met toen leven we nu in grote weelde. Na de oorlog veranderde de hele zaak, ook mijn leven. Iedereen ging trouwen, ik ook, met Henk, die ik in de eerste winter na de oorlog op het ijs had ontmoet. We gingen inwonen bij een moeder en haar ongetrouwde dochter, die onderwijzeres was. Wij kregen de verdieping boven toegewezen, zij woonden beneden. Dat ging in die tijd zo, door de woningnood. Die moeder en dochter waren daar helemaal niet blij mee. In het begin was het vreselijk, ze deden heel afhoudend. Toen ze zagen dat we op zondag netjes naar de kerk gingen en ons eerste kind lieten dopen, deden ze aardiger. Ze waren gek op Peter, hij mocht zelfs op hun piano spelen.’
Heeft u tegenslagen te verwerken gehad?
‘Natuurlijk, zoals iedereen.’
Op de vraag welke tegenslagen, blijft het stil. Haar zoon Peter, aanwezig bij het interview, citeert uit het fotoboek dat hij voor de 100-jarige verjaardag van zijn moeder heeft gemaakt: ‘Het meest donkere moment in mijn leven was het plotselinge overlijden van Henk.’
Ze zegt: ‘Dat weet ik niet meer.’
Peter: ‘Nadat hij op zijn 60ste was afgekeurd voor zijn werk in de bouw, kreeg hij allerlei klachten, waaronder hoofdpijn. Hij kon het werk in zijn moestuin niet meer aan, ging niet meer naar zijn klaverjasclub en zat de hele dag in zijn hoekje op de bank. Hij vereenzaamde.’
Ze zegt: ‘Hij was opperman en steigerbouwer en sjouwde de hele dag met bouwmaterialen zoals bakstenen en cement. Dat werk heeft veel van zijn lichaam gevraagd.’
Peter: ‘Ineens was hij weg. Hij vond het leven te zwaar en koos ervoor het recht in eigen hand te nemen. Daar was jij heel boos over.’
Ze zegt: ‘Ja, ik was boos dat hij er zelf voor had gekozen. Het werd net leuk, we konden van alles gaan doen samen. Dit zijn dingen die ik vergeten wil. Met die periode leef ik niet meer.’
Hoe bent u hier overheen gekomen?
‘Ik ging verder met leven en heb er nooit meer over nagedacht. Van mezelf ben ik een opgewekt mens. Ik ben gaan werken, om mij te ontspannen. Er kwamen kleinkinderen op wie ik kon passen. En ik ging schoonmaakwerk doen. Doordat ik geld verdiende kon ik mij meer permitteren en wat van de wereld zien en te weten komen. Ik kocht een museumjaarkaart en heb met een vriendin bijna alle musea in Nederland bezocht. Ik volgde een cursus kunstgeschiedenis en werd lid van een studiekring met boekbesprekingen, films en lezingen. Met een van mijn zoons reisde ik naar Egypte. Jezus, wat heb ik veel gedaan. Ik zou zo mijn koffertje willen pakken en weer op vakantie gaan.’
Maakte u een inhaalslag?
‘Ja, de gelegenheid kwam dit allemaal te doen. Henk vond het niet goed als ik ging werken. Na de lagere school werd ik opgevoed om het huishouden te doen, iets anders was er niet bij.’
Wat voor moeder was u voor uw kinderen?
‘Wel makkelijk, denk ik. Om één kind heb ik wel zorgen gehad. Als iedereen rechtdoor ging, ging hij links- of rechtsaf. Als iets werd afgeraden, ging hij het juist doen, zoals blowen. Hij werd volwassen in de tijd dat drugs in raakten en kon er niet meer van afblijven. Wat kon ik doen om hem bij te sturen? Niks, bleek. Hij moest zelf de uitgang vinden, en dat is hem gelukt. Hij ontmoette altijd de goede mensen.’
Wat heeft u van uw leven geleerd?
‘Je kunt je weg niet uitstippelen, maar moet het leven op je af laten komen, want het loopt altijd anders dan je denkt. Toen ik jong was, had ik allerlei gedachten hoe ik het wilde hebben, maar daar kwam niets van terecht. Zo had ik wel een goed inkomen willen hebben, maar dat is nooit gebeurd. Ach, wat we hadden was goed genoeg, wat moet je eigenlijk met meer?’
Afgelopen week is Annie de Kuiper-Backer overleden. In overleg met haar familie is besloten dit interview postuum te publiceren.
geboren: 30 december 1923 in Nieuwer-Amstel (overleden op 4 april 2024)
woonde: in een verpleeghuis in Amstelveen
beroep: huisvrouw en schoonmaker
familie: twee broers (90 en 93), vier kinderen, zes kleinkinderen, vier achterkleinkinderen
weduwe: sinds 1992
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant