Honderdduizenden Nederlanders werkten tijdens de Tweede Wereldoorlog verplicht in nazi-Duitsland. Voor die Arbeitseinsatz was nooit veel belangstelling – tot nu. Marjon Bolwijn, die voor de Volkskrant 100-jarigen interviewt van wie velen verplicht in Duitsland werkten, spreekt erover met historica Renske Krimp, auteur van Tewerkgesteld, en met twee 100-jarigen.
De jongste man die historica Renske Krimp de afgelopen jaren interviewde over zijn jaren als dwangarbeider in nazi-Duitsland was 91 jaar, de oudste 101. ‘Je bent te laat’, kreeg ze soms te horen. Krimp: ‘Daarmee werd bedoeld dat de aandacht voor hen te laat komt; als zo’n onderzoek eerder was gedaan, hadden ze er misschien nog iets aan gehad. Het is het eerste onderzoek in Nederland waarvoor zo veel verplicht tewerkgestelden zo uitgebreid naar hun ervaringen zijn gevraagd. Ze hebben erkenning gemist voor wat zij hebben meegemaakt. Er was na terugkeer geen aandacht voor hun ervaringen, dus de meesten hebben erover gezwegen. Voor een aantal was ik de eerste aan wie zij hun verhaal vertelden.’
Deze week verscheen Tewerkgesteld – Getuigenissen van de Arbeitseinsatz, waarvoor Krimp 51 hoogbejaarde mannen sprak die tijdens de Tweede Wereldoorlog waren tewerkgesteld in nazi-Duitsland. Aan de hand van hun herinneringen en openbare bronnen schreef ze een reconstructie die bijdraagt aan de geschiedschrijving van een onderbelicht aspect van de Tweede Wereldoorlog.
Hoe kan het dat er na de Tweede Wereldoorlog zo weinig aandacht is geweest voor deze groep, ook in de geschiedschrijving?
‘Dat verbaast mij ook, zeker gezien de cijfers: naar schatting 500- à 600 duizend Nederlandse mannen zijn tijdens de Duitse bezetting verplicht naar nazi-Duitsland te gaan om daar te werken – dat was 20 procent van de beroepsbevolking. Eén op de acht gezinnen had een man of zoon die tewerkgesteld was. 30 duizend mannen hebben het niet overleefd, ze stierven bij bombardementen of door ziekte en uitputting. Dat zijn enorme aantallen, die lang onder de radar zijn gebleven, ongelooflijk. Pas in 1991 werden ze voor het eerst genoemd bij de Dodenherdenking op de Dam.
‘Dat er zo weinig aandacht is geweest voor deze groep burgerslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, was het vertrekpunt van mijn onderzoek, in opdracht van het Comité 4 en 5 mei en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, het Niod. Ik ontdekte dat er heel weinig expertise over is in Nederland.
‘De gebrekkige aandacht heeft verschillende oorzaken. Ten eerste heerste in het Nederland van na de bevrijding een sfeer van: we hebben allemaal geleden, we richten nu onze aandacht op de wederopbouw. Ook de jonge mannen zelf die terugkwamen uit Duitsland wilden eindelijk hun leven op de rails zetten. In die naoorlogse jaren ging de aandacht vooral uit naar degenen die actief verzet hadden geboden tegen de Duitsers. Pas veel later, in de jaren zestig, kwam er aandacht voor de Joodse slachtoffers van de Holocaust en pas de laatste vijftien jaar voor de Sinti en Roma. De tewerkgestelden zijn nog niet aan bod gekomen.
‘Na de oorlog werd hun verweten dat ze geen principiële keuze hadden gemaakt en gehoorzaam waren geweest aan de oproep van de bezetter om in Duitsland te gaan werken. ‘Had je niet kunnen onderduiken?’, was een veelgestelde vraag. En: ‘Je hoeft er niet trots op te zijn dat je bent gegaan’, kregen ze te horen. Onderduiken kwam voor deze groep pas in de zomer van 1943 echt op gang, 300 duizend mannen wisten een onderduikadres te vinden om aan de arbeidsinzet te ontkomen, dat lukte niet iedereen.
‘Wie wel in nazi-Duitsland was gaan werken, kon na de oorlog worden uitgemaakt voor ‘laf’, ‘landverrader’ of ‘collaborateur’ – dat laatste werd gezegd over de mannen die in wapenfabrieken moesten werken. Het Nationaal Instituut, dat de naoorlogse regering adviseerde, schilderde tewerkgestelden af als losgeslagen mannen, die weer in het gareel moesten worden gebracht in heropvoedingskampen. Minister Drees van Sociale Zaken zette een streep door dit plan.
‘In deze naoorlogse sfeer ga je als teruggekeerde tewerkgestelde niet uitgebreid over je ervaringen vertellen, maar zwijg je. Het veroorzaakte dubbele pijn dat hun oorlogservaringen niet werden gezien en ze ook nog eens werden weggezet als een stel verwilderde mannen die de verkeerde keuze hadden gemaakt. Door deze maatschappelijke echo vol verwijten kon een gevoel van schaamte ontstaan, zoals bij Ger Ebbeling, een van de mannen die ik heb geïnterviewd. Hij zat nog steeds vol zelfverwijt en vroeg zich af of hij ‘labbekakkerig’ was geweest door zich naar Duitsland te laten afvoeren.’
Van keuzevrijheid was toch geen sprake?
‘Ger Ebbeling is op 1 november 1944 opgepakt bij een razzia in Rotterdam. Hij was 17 jaar. De hele buurt was omsingeld, huizen werden een voor een uitgekamd. Er was geen ontkomen aan voor Rotterdamse jonge mannen; tussen de 50- en 52 duizend van hen werden opgepakt en naar Duitsland gebracht. Ebbeling probeerde aan deze razzia te ontsnappen via de tuin, klom een schutting over en verstopte zich in de schoorsteen van een lege fabriek vlakbij, maar zijn vader werd bang toen de Duitsers voor de deur stonden, liep naar de fabriek en zei tegen zijn zoon: ‘Dit gaat niet, je moet mee.’
‘Voor de meeste tewerkgestelden was er geen keuzevrijheid. Het is goed te weten dat al voor de oorlog uitbrak, en in het eerste jaar van de bezetting, de Nederlandse overheid werkloze mannen onder druk zette om in Duitsland te gaan werken. Daar was wel werk genoeg. Wie niet ging, kreeg geen steun meer van de overheid – dus je kunt je afvragen hoe vrij de keuze was om naar Duitsland te gaan. Zonder inkomen van de man kwamen de vaak grote gezinnen in die tijd zonder geld te zitten. Na de bevrijding is geen oog geweest voor het belang van de Nederlandse overheid voor de arbeidsinzet in Duitsland – het scheelde veel geld aan werkloosheidsuitkeringen.
‘Naarmate de oorlog langer duurde en nazi-Duitsland meer werknemers nodig had om Duitse soldaten aan het front te vervangen en de economie en de oorlogsindustrie draaiende te houden, werden repercussies in het vooruitzicht gesteld voor wie geen gehoor gaf aan de oproep van de Duitse bezetter voor de arbeidsinzet. Jonge mannen werd voorgehouden dat als zij niet zouden gaan, ze zwaar bestraft zouden worden en hun vaders in hun plaats moesten gaan. Toch gaan voelde als een goede daad, zo van: ík ga wel, want ik ben jong en sterk. Er was steeds meer sprake van dwang door gijzelingen en razzia’s.’
Uit de interviews die ik voor de Volkskrant maak met 100-jarigen, blijkt dat het sommige mannen ook nog steeds dwarszit dat werkgevers, arbeidsbureaus en de Spoorwegen meewerkten aan hun tewerkstelling in nazi-Duitsland.
‘Het Nederlandse ambtenarenapparaat heeft de tewerkstelling gefaciliteerd, hoewel er ook ambtenaren waren die jonge mannen hielpen aan een vrijstelling, en artsen die hen afkeurden, terwijl ze niks mankeerden. Maar dat neemt niet weg dat zo’n half miljoen mannen wel naar nazi-Duitsland werd gedirigeerd om daar te werken. De Nederlandse politie escorteerde het vertrek van groepen en de Spoorwegen hebben ze vervoerd.’
De 100-jarige Arie den Hartog beklaagde zich in de Volkskrant erover dat de Nederlandse overheid de pensioengelden van dwangarbeiders heeft ‘gejat’. Hoe ziet u dat?
‘Het klopt dat het in nazi-Duitsland opgebouwde pensioengeld nooit aan de individuele mannen is uitgekeerd. In 1956 hebben Nederland en Duitsland een overeenkomst gesloten, waarna de Duitse overheid alle pensioengelden van tewerkgestelden in één keer heeft overgemaakt aan de Nederlandse overheid.
‘De mannen hebben meer materiële schade geleden. Degenen die bij terugkeer in Nederland van hun loon gespaarde Rijksmarken op zak hadden, moesten die bij de grens inleveren. Dat was omdat de Rijksmark geen wettig betaalmiddel meer was. Ze kregen allemaal een kwitantie waarop het bedrag stond vermeld, met de belofte dat ze dat later in guldens uitbetaald zouden krijgen. Dat is in veel gevallen niet of niet volledig gebeurd. Uiteindelijk konden ze vanaf 1984 een Wubo-uitkering aanvragen, een compensatieregeling voor burgerslachtoffers van de oorlog. Maar velen hebben die uitkering niet gekregen.
‘Wat hier allemaal achter schuilgaat, is dat deze groep maatschappelijk nooit erkend is als burgerslachtoffer van de oorlog. Alsof zij niet werkelijk iets hebben meegemaakt. Dat ze nooit zijn gecompenseerd voor geleden lichamelijke, psychische of materiële schade heeft sterk bijgedragen aan hun gevoel niet gezien en erkend te zijn als oorlogsslachtoffer.’
Zijn veel mannen getraumatiseerd geraakt door hun ervaringen als dwangarbeider en het gebrek aan erkenning?
‘Dat is lastig te zeggen en verschilt per persoon. Het hangt af van hun karakter, wat ze hebben meegemaakt en waar in nazi-Duitsland ze terechtkwamen. Er waren mannen die, ondanks het feit dat ze gedwongen van huis waren, het relatief goed hadden. Die in een bakkerij moesten werken of bij een boer, die in een gastgezin woonden waar ze goed te eten kregen. Voor sommigen was het ook een groot avontuur: ze waren voor het eerst van huis en in het buitenland. In hun vrije tijd dronken ze hun eerste biertje, gingen naar de opera of werden verliefd.
‘Heel anders verging het jonge mannen die in fabrieken werden tewerkgesteld en vaak met velen in een Lager werden ondergebracht, zonder privacy. Een groot deel werd geplaatst in de oorlogsindustrie, die in de laatste oorlogsjaren vaak doelwit was van geallieerde bombardementen. Perioden van dagelijkse en nachtelijke bombardementen gaven angst en stress. Veel tewerkgestelden vertellen dat ze verzet pleegden door zich er op de fabriek makkelijk van af te maken of sabotage te plegen. Wie werd verdacht van sabotage, kwam in een heropvoedingskamp van de Gestapo terecht, waar gevangenen werden mishandeld, hard moesten werken en weinig te eten kregen.
‘Aan het einde van de oorlog verslechterden in heel nazi-Duitsland de omstandigheden: er was weinig voedsel, de winter was bitterkoud; velen hadden honger, zaten onder de luizen en werden ziek. Vergeet ook niet dat de tewerkgestelden niet alleen in een oorlogsgebied leefden met voortdurende bombardementen, maar ook onder een dictatuur, waarin je niet vrijuit mocht praten en mensen elkaar in de gaten hielden.’
Het valt op dat u het woord ‘tewerkgesteld’ gebruikt, terwijl de mannen zelf van ‘dwangarbeid’ spreken.
‘Ik heb gekozen voor de meest neutrale benaming. Voor mijn boek heb ik naast de herinneringen van de 51 mannen gebruikgemaakt van bronnen uit verschillende tijdvakken. Eerst heette het ‘arbeidsinzet’ en ‘tewerkstelling’ of ‘verplichte tewerkstelling’. Het begrip dwangarbeid kwam pas in 1986 in zwang, toen een groep voormalige tewerkgestelden zich organiseerde in de Vereniging voor ex-Dwangarbeiders Nederland. Hun doel was erkenning en compensatie. Met de term ‘dwangarbeid’ benadrukten zij de urgentie van hun missie en de verschrikkingen die een deel heeft meegemaakt.
‘Ik snap dat zij het woord dwangarbeid gebruiken, en dat is ook terecht. Met mijn keuze voor ‘tewerkgesteld’ omvat ik de hele bandbreedte van uiteenlopende ervaringen. De gemene deler is dat alle naar schatting 500 duizend mannen zijn beperkt in hun persoonlijke vrijheid.’
Heeft u tijdens uw onderzoek nieuwe inzichten opgedaan?
‘Er zijn ook 30 duizend Nederlandse vrouwen verplicht tewerkgesteld. Daarover is bijna niets bekend. Dat vraagt om een onderzoek.’
Is er een ex-dwangarbeider die u sprak die u vooral is bijgebleven?
‘Dat is moeilijk kiezen, want ze hadden allemaal een bijzonder verhaal en de variëteit van hun ervaringen is groot. Van ontberingen hebben geleden tot een leuke tijd hebben gehad. Een ontmoeting die grote indruk op mij heeft gemaakt, is die met Jan de Louter. Hij was 16 jaar toen hij op 2 december 1944 bij een razzia in Apeldoorn werd opgepakt. Met zijn vader verstopte hij zich onder de vloer, maar een buurvrouw verraadde hen.
‘Hij moest met andere opgepakte jongens te voet, door de sneeuw, bij 15 graden onder nul, bijna 50 kilometer lopen naar kamp Rees, net over de grens. Hij raakte geblesseerd aan een voet, die bevroor door de kou, en is daar zijn leven lang last van blijven houden. In dat kamp moest hij buiten in de vrieskou fysiek zware dwangarbeid verrichten, hij werd mishandeld en leed honger. Ik heb een paar dagen moeten bijkomen van dit interview. Ik zag Jan de Louter voor mij, als 16-jarige jongen in deze barre omstandigheden, moederziel alleen.’
Renske Krimp-Schraven: Tewerkgesteld – Getuigenissen van de Arbeitseinsatz. Boom; 286 pagina’s; € 29,90.
‘Als dwangarbeider in nazi-Duitsland ben ik mijn geloof verloren. Waar was de God die ons zou beschermen? In Hannover heb ik veel bombardementen meegemaakt en de verschrikkelijkste dingen gezien. Dwangarbeiders moesten de lijken weghalen uit het puin. Ik zag voeten, handen, hoofden, alles. Ik dacht: als ik dit doe, word ik gek – en ben weggelopen.
‘Als dorpsjongen uit Rijssen van net 19 jaar moest ik in 1943 voor dwangarbeid naar een rubberfabriek in Hannover en de mijnen in de Harz; zeven dagen per week werken, twaalf uur per dag. Met driehonderd dwangarbeiders sliep ik op een zolder, op jutezakken met stro. Daar liep ik schurft, scabiës en luis op. Iedereen had het, het was één grote troep, je kon je nauwelijks wassen. We kregen alleen koolsoep te eten. Het was overleven. Overdag deed ik dat door zo min mogelijk te werken. Ik liep rond met een tas met hout en deed net of ik druk bezig was.
‘Ik werd zes weken opgesloten in een concentratiekamp in Helmstedt, omdat ik werd verdacht van sabotage. De zaagmachine waarvoor ik verantwoordelijk was, liet ik tijdens mijn lunchpauze gebruiken door twee bejaarde Hannovers om brandhout mee te zagen. Door verkeerd gebruik – ze probeerden een spoorbiels door te zagen – brandde de motor door. Ik heb de mannen niet verraden, met als gevolg dat ik werd bestraft. In het kamp moest ik met medegevangenen barakken bouwen en een paardenstal uitmesten, zodat we daar op het stro konden slapen. De stank van ammoniak ruik ik nog steeds.
‘Op 17 mei 1944 kreeg ik vijf dagen verlof voor het huwelijk van mijn broer. Daarna ben ik ondergedoken en heb ik mij weer aangesloten bij het verzet. Zo kwam ik na de bevrijding als een verzetsman de straat op. Daardoor ben ik nooit aangekeken op de dwangarbeid.’
‘Ik zat op de hbs toen ik in mei 1943 een oproep kreeg mij te melden op het Gewestelijk Arbeidsbureau. Ik ging er fluitend naartoe, want ik had een vrijstellingsbrief van de burgemeester van Leiden. De ambtenaar die mijn papieren bekeek, droeg een NSB-teken, verscheurde die brief en gooide hem in de prullenbak.
‘Ik werd tewerkgesteld in een fabriek in Straatsburg waar granaten werden geproduceerd. We sliepen in een barak met tien kamers, twaalf jongens per kamer, het was er altijd rumoerig. Ik deed alles om de productie te traineren, zoals kapotte granaten in het productieproces opnemen, waardoor de machine afsloeg en uren onbruikbaar was. Ik heb in die twee jaar dwangarbeid alles gedaan om de boel te traineren. Er was een regel dat als je ziek was, je je pas na drie dagen moest melden bij de arts, dus ik meldde mij heel vaak ziek en ging op de vierde dag weer werken.
‘Omdat ze vonden dat ik te weinig uitvoerde, werd ik overgeplaatst naar Daimler Benz in Gaggenau, waar ik motoren moest controleren. Die fabriek werd steeds vaker gebombardeerd. Ik moest een gang helpen boren in een rots, als schuilplaats. De bombardementen werden steeds zwaarder, 95 procent van de fabriek werd verwoest. In de krater waar onze barakken hadden gestaan, lag één koffer bovenop; mijn koffer – al mijn spullen waren nog intact.
‘We werden overgebracht naar het eiland Reichenau in de Bodensee. Vandaar zijn we met een stel in de nacht met roeibootjes ontkomen naar Zwitserland. In juni 1945 kwam ik thuis. ‘Die rotoorlog moeten we vergeten, we richten ons op de toekomst’, was het credo na de bevrijding. Dat is volkomen fout geweest, daardoor konden Joden en dwangarbeiders die terugkeerden uit nazi-Duitsland hun verhaal niet kwijt. Zelf heb ik er buiten de huiselijke kring nooit met iemand over gesproken.’
Van oud-journalist en schrijver Tim Overdiek is deze maand Zwijgende vaders – Het onbekende verhaal van de dwangarbeid (Balans; € 22,99) verschenen. Zijn boek is een zoektocht naar de verblijfplaatsen en lotgevallen van zijn jong overleden vader Paul, die in 1943 werd tewerkgesteld in nazi-Duitsland en er nooit over sprak, met uitzondering van de woorden: ‘Het was een rottijd.’ Overdiek volgde de sporen van zijn vader en sprak met andere kinderen van voormalige dwangarbeiders. De kinderen, zo schrijft Overdiek, namen symptomen van het trauma van hun zwijgende vaders over. ‘Momenten van pijn en woede, die zij altijd probeerden te verstoppen in de duisternis van hun ziel, mogen nu in het volle licht worden gezet.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant