De hoeveelheid vacatures in de kinderopvangsector is afgenomen, schrijft demissionair minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) donderdag aan de Kamer. "Dat ondersteunt het beeld dat de tekorten zijn gestabiliseerd."
Volgens de laatste schattingen blijft er in de kinderopvang tot en met 2026 een tekort aan zesduizend medewerkers. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verwacht dat de tekorten vanaf 2027 weer groeien. Dat heeft te maken met het plan om de opvang dan bijna gratis te maken, waardoor de vraag naar kinderopvang zal toenemen.
Het ministerie verwacht dat het tekort in 2033 in het gunstigste geval zal toenemen tot 19.500 medewerkers. In het slechtste geval komt de sector dan 41.900 mensen tekort. De minister schrijft dat het daarom belangrijk is om samen met de sector naar oplossingen te blijven kijken om nieuwe werknemers aan te trekken en huidige werknemers te laten blijven.
Doordat het personeelstekort gestabiliseerd is, hoeven ouders ook minder lang te wachten op een plekje in de opvang voor hun kind. In het laatste kwartaal van 2024 geldt een wachttijd van maximaal één maand voor 62 procent van de ouders die hun kind naar het kinderdagverblijf willen brengen. Voor de buitenschoolse opvang (bso) is dat 75 procent en voor gastouderopvang is het 76 procent.
Toch zijn er ook nog aardig wat ouders die drie maanden of langer moeten wachten voordat hun kind terecht kan op de opvang. Bij het kinderdagverblijf is dat 15 procent van de ouders, bij de bso is dat 12 procent. Daar is sprake van een daling, want in het eerste kwartaal van 2023 ging het respectievelijk om 23 en 16 procent.
Alleen bij de gastouderopvang is er wel degelijk sprake van een stijging. In het eerste kwartaal van 2023 moest maar 7 procent van de ouders langer dan drie maanden wachten, tegenover 12 procent in het laatste kwartaal van 2023.
Het ministerie van SZW wil daarom gaan onderzoeken waar de afname in het aantal gastouders vandaan komt. Met de conclusies uit dat onderzoek hoopt het ministerie dan actie te kunnen ondernemen om die afname tegen te gaan.
Source: Nu.nl economisch