Al sinds de val van de Muur ligt de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie in West-Europa onder vuur, maar de verwijten zijn niet terecht, betoogt Olaf Tempelman. ‘Het discours dat westerse leiders gretig waren om de Navo uit te breiden, is feitelijk onjuist.’
Aan het eind van de vorige eeuw, in de eerste jaren na de val van de Berlijnse Muur in 1989, was er weinig dat het verschil tussen West- en Oost-Europa scherper illustreerde dan hoe mensen dachten over de Navo. In West-Europa gold de Navo als iets van het verleden, een restant van de Koude Oorlog, het ging er nauwelijks meer over. In de landen die zich tot 1989 onvrijwillig in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie bevonden ging het vaak over de Navo en altijd in gesprekken over de toekomst.
Tot verbazing van veel West-Europese leiders begonnen nieuwe Oost-Europese leiders meteen na 1989 te ijveren voor lidmaatschap. In 1991 viel de Sovjet-Unie uit elkaar en herwonnen de Baltische staten hun onafhankelijkheid. De leiders daar gingen zover Navo-lidmaatschap als hun absolute prioriteit te bestempelen. Een constatering bij de 75ste verjaardag van de Navo, en niet per se een optimistische, is dat veel West-Europeanen dat tegenwoordig beter begrijpen dan destijds.
Over de auteur
Olaf Tempelman is redacteur van de Volkskrant. Van 2000 tot 2008 was hij correspondent in Oost-Europa.
De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (North Atlantic Treaty Organization) werd in Washington opgericht op 4 april 1949. Het Noord-Atlantische Verdrag regelde de ‘wederzijdse verdediging en samenwerking’ tussen de landen van Noord-Amerika en Europa, maar garandeerde de facto Amerikaanse militaire bescherming van West-Europa tegen de Sovjet-Unie van Stalin. Tijdens de Koude Oorlog bestond de Navo grofweg uit Noord-Amerika, West-Europa, Turkije en Griekenland.
Op 9 november 1989 kwam met de val van de Berlijnse Muur een symbolisch einde aan de Koude Oorlog. Na ruim vier decennia verdween het IJzeren Gordijn dat Europa met wachttorens en prikkeldraad had doorkliefd. Overal werd feest gevierd. Tegenwoordig wordt in terugblikken vaak opgemerkt dat een in Dresden (190 kilometer van Berlijn) gedetacheerde KGB’er, Vladimir Vladimirovitsj Poetin, op de avond van de Mauerfall géén feest vierde. Als was Poetin destijds slechts een 37-jarige officier uit het middenkader van de KGB.
Eind 1989 waren alle Sovjet-vazalregimes in Midden- en Oost-Europa bezweken. In 1991 werd het Warschau Pact, het militaire bondgenootschap dat de Sovjet-Unie had opgericht als tegenhanger van de Navo, ontbonden. In West-Europa gingen in die tijd volop stemmen op ook de Navo op te heffen. Vooral onder het linkse bevolkingsdeel was de Navo in de laatste decennia van de Koude Oorlog weinig populair. Velen beschouwden deze organisatie als een verlengstuk van het Amerikaanse militair-industrieel complex. Het woord ‘oorlogsmachine’ werd in westerse landen vaak gebruikt voor de Navo, en maar zelden voor het Warschaupact.
In de 21ste eeuw geniet de Navo meer steun onder GroenLinks-kiezers dan onder hardrechtse kiezers, en heeft ze pleitbezorgers als de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Annalena Baerbock (afkomstig uit Die Grünen), in de laatste decennia van de Koude Oorlog was dat anders. Pleitbezorgers van de Navo waren toen doorgaans oude rechtse mannen die ‘Koude Oorlogshaviken’ werden genoemd. In Nederland leverde de oerconservatieve en o zo hautaine oud-minister Joseph Luns – van 1971 tot 1984 in functie als Navo-secretaris – een stevige bijdrage aan de impopulariteit bij het progressieve volksdeel.
Wie uit de wereld kwam waar de personificatie van de Navo Luns in driedelig pak was, wachtte in het Oost-Europa van na 1989 een cultuurschok. In de wereld waar de Sovjet-Unie de dienst had uitgemaakt, legden langharige jongeren in T-shirts uit dat hun landen zo snel mogelijk bij de Navo moesten. In dit stuk van Europa had je dichters, rockmuzikanten en experimentele kunstenaars die verklaarden dat de Navo stond voor vrijheid. Als er in West-Europa in poptempels of kunstenaarssociëteiten affiches hingen met het woord ‘Navo’, dan waren het affiches tégen de Navo – in poptempels, musea en ateliers in Oost-Europa hingen affiches met leuzen als: ‘Navo-lidmaatschap nu!’
Aan de oostzijde van het IJzeren Gordijn was de recente geschiedenis anders beleefd dan aan de westzijde. Hier lagen landen die in de jaren veertig ofwel door Sovjet-dictator Stalin waren ingelijfd, ofwel in het kielzog van de westwaartse opmars van het Rode Leger in de invloedssfeer van Moskou waren beland. In die landen waren met geweld communistische partijen aan de macht gebracht. Al die landen hadden daarna hun eigen versie van de Goelag gekregen. Politici, schrijvers en geestelijken waren verdwenen in strafkampen, tienduizenden inwoners op transport gezet naar Siberië. Vanaf de tweede helft van de jaren veertig functioneerden daar politiestaten met staatsveiligheidsdiensten die waren gemodelleerd naar de NKVD, de voorloper van de KGB.
In dit stuk van Europa was de angst voor machthebbers in Moskou niet weg met het verdwijnen van het IJzeren Gordijn. De perceptie van Rusland als een ‘kwade macht’ was daar alomtegenwoordig. Er waren in die jaren nog veel mensen in leven met persoonlijke herinneringen aan de Goelag. In de Baltische staten waren er maar weinig autochtone families waaruit niemand was gedeporteerd.
Veel westerse bewindslieden waren in de jaren negentig druk bezig in Oost-Europa uit te leggen dat Rusland geen ‘kwade macht’ meer was, dat de Russische bevolking slachtoffer was geworden van exact hetzelfde repressieve systeem, dat ook Rusland nu een nieuwe weg was ingeslagen omdat ook daar een nieuw tijdperk was begonnen. Maar als een land ergens een halve eeuw lang verantwoordelijk is geweest voor repressie, duurt het een tijd voordat mensen zo’n land niet meer wantrouwen.
West-Europeanen hadden na 1945 decennia nodig om los te komen van argwaan jegens Duitsers, Oost-Europeanen kregen geen tijd om argwaan jegens Russen kwijt te raken. Toen Poetin in de eerste jaren na de eeuwwisseling zijn macht consolideerde, keerde de Russenangst in Midden- en Oost-Europa als een boemerang terug, ook al waren veel landen inmiddels toegetreden tot de Navo.
Op 10 februari 2007 viel Poetin in een toespraak op de veiligheidsconferentie van München voor het eerst openlijk de Verenigde Staten aan, in de jaren daarna werd zijn discours gestaag meer anti-westers. Naarmate Poetins toon agressiever werd, was in West-Europa steeds vaker te horen dat het Westen de Russische rancune had uitgelokt door de Navo oostwaarts uit te breiden; dat de Verenigde Staten na 1989 veel te gretig waren geweest met het inlijven van de voormalige Sovjet-satellietstaten; dat ze hadden verzuimd te bedenken hoe ‘pijnlijk’ dit was voor KGB’ers als Poetin. Aanvankelijk waren ‘Poetin-versteher’ te horen binnen de Duitse SPD, later in rechts-populistische partijen en onder extreem-rechtse commentatoren op sociale media.
De mensen die vonden dat het Westen rekening had moeten houden met Russische gevoelens, bespaarden zichzelf de vraag of Rusland op zijn beurt geen rekening had moeten houden met Oost-Europese gevoelens – of Rusland zich niet had moeten inspannen om vrees van buurlanden weg te nemen. Russenangst kwam nergens uit de lucht vallen.
Maar het discours dat westerse leiders, ‘de Amerikanen’ voorop, gretig waren de Navo uit te breiden, is ook feitelijk onjuist. De werkelijkheid van de jaren na 1989 was dat er van westerse zijde aanvankelijk geen animo was voor Navo-uitbreiding. Amerikaanse bewindslieden die in de eerste helft van de jaren negentig in Oost-Europese hoofdsteden werden bestookt met verkapte smeekbedes om Navo-lidmaatschap, hielden stuk voor stuk de boot af. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken tussen 1992 en 1997, Warren Christopher, was een koele vormvaste diplomaat die de gewoonte ontwikkelde zijn lippen stijf op elkaar te houden als hij door Oost-Europese journalisten werd bestormd met vragen over de Navo.
Omdat de Oost-Europese landen bleven aandringen, werd uiteindelijk besloten dat de Navo een nieuw leven zou kunnen beginnen als brede internationale veiligheidsorganisatie waarvan ook Rusland lid zou kunnen worden. In 2000 vroeg Poetin de toenmalig Navo-secretaris George Robertson zelfs om een speciale Navo-toetredingsprocedure voor Rusland.
Ten tijde van de eerste uitbreidingsronde – in 1999, met Polen, Hongarije en Tsjechië – was Poetin nog niet aan de macht. Ten tijde van de tweede uitbreidingsronde – in 2004, met de Baltische staten, Roemenië, Bulgarije, Slowakije en Slovenië – was Poetins relatie met westerse leiders nog goed en die met de Amerikaanse president, George W. Bush, zelfs uitstekend. Illustratief is de berichtgeving over de Navo-uitbreiding uit die tijd. Zowel in de westerse landen als in Rusland was die kort en zakelijk. Alleen in de Oost-Europese landen die toetraden werd er uitgebreid bij stilgestaan. De berichtgeving was daar vaak emotioneel, met historische terugblikken en interviews met Goelag-overlevenden. Een Roemeense krant voerde in 2004 de kop: ‘Eindelijk veilig’.
In Poetins toenmalige perceptie was de oostwaartse uitbreiding van de Navo geen bedreiging voor zijn macht. Heel anders was zijn perceptie van de kleurenrevoluties die zich in dezelfde tijd voltrokken in Georgië (2003) en Oekraïne (2004), twee voormalige Sovjet-republieken die géén kandidaat-lidstaten waren van de Navo. Zowel de Rozenrevolutie in Georgië als de Oranjerevolutie in Oekraïne luidde het einde in van leiders die aan de leiband liepen van Moskou. In de jaren daarna vatte in het Kremlin de acute vrees post dat zich ook in Rusland een kleurenrevolutie zou kunnen voltrekken.
In 2008 vielen Russische troepen Georgië binnen. In 2010 lukte het Poetin in Oekraïne opnieuw een zetbaas aan de macht te brengen, Viktor Janoekovitsj. In de winter van 2014 kwam het in Oekraïne tot een tweede volksopstand, de Revolutie van de Waardigheid – ook bekend als de Maidan-revolutie – waarin Janoekovitsj werd verjaagd. In een reactie daarop annexeerde Rusland in het voorjaar van 2014 eerst de Krim en begon het daarna een oorlog in het oosten van Oekraïne.
Pas in het kielzog dáárvan werd de Navo in een rol gedwongen die westerse leiders in de kwarteeuw tussen 1989 en 2014 nadrukkelijk níét hadden geambieerd, en waarvan ze de Navo tot vlak voor de Russische inval in Oekraïne in 2014 hadden proberen weg te loodsen: die van een alliantie die Midden- en Oost-Europa militair beschermt tegen Russisch revanchisme. Het is tegen wil en dank dat de Navo op haar 75ste verjaardag terug is bij de basis van het Noord-Atlantische Verdrag.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant