Het overgrote deel van de Europese landbouwsubsidies komt direct of indirect bij de veeteelt terecht. Dat stimuleert volgens onderzoekers de productie van vlees en melk, die tot relatief veel milieuschade leidt.
De subsidies pakken daardoor negatief uit voor de wens van de Europese Unie (en de Nederlandse overheid) om minder dierlijke producten te eten, en meer plantaardige. Momenteel eten Europeanen nog twee keer zo veel vlees en drie keer zo veel zuivel als de gemiddelde wereldburger. Dat gaat gepaard met negatieve gevolgen voor gezondheid, klimaat en milieu.
Toch blijkt uit onderzoek van wetenschappers van de Universiteit Leiden en de Britse denktank Chatham House, gepubliceerd in vakblad Nature Food, dat het overgrote deel van de Europese landbouwsubsidies direct of indirect bij de veeteeltsector belandt. Van de 57 miljard euro aan landbouwsubsidies die de Europese Unie in 2013 uitkeerde, ging 84 procent naar voedselproductie.
Veehouderijen ontvingen 38 procent daarvan. Nog eens 44 procent kwam terecht bij boeren die veevoer verbouwen, en kwam indirect dus ook ten bate van de veeteelt. Van de subsidies voor voedselproductie belandt dus 82 procent (oftewel tweederde van de totale pot) bij de veehouderij.
Over de auteur
Maarten Albers is economieverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en de voedingsindustrie.
Het is volgens de onderzoekers de meest complete berekening van de financiële overheidssteun voor Europese veehouders tot nu toe. Al langer is bekend dat een groot deel van de subsidies naar grote boerenbedrijven gaat, omdat ze worden verdeeld op basis van het aantal hectares dat een boer in gebruik heeft. Vooral rundveehouders hebben veel land nodig om hun koeien op te laten grazen.
Voor de berekening koppelden de onderzoekers een database met cijfers over de besteding van Europese landbouwsubsidies aan een model van het wereldwijde voedselsysteem. Subsidies voor veevoer voor Europese dieren dat elders wordt geproduceerd, zoals Braziliaanse soja, zijn niet meegenomen.
De Europese landbouwsubsidies leiden tot meer dierlijke productie en een ongelijk speelveld, stelt auteur Anniek Kortleve van de Universiteit Leiden. ‘We zouden meer plantaardig moeten eten, maar door de subsidies blijven de prijzen van vlees en zuivel laag. Dat draagt bij aan de hoge vraag naar deze producten.’
Landbouweconoom Roel Jongeneel van de Wageningen Universiteit, niet betrokken bij het onderzoek, vindt het onterecht dat de auteurs een causaal verband trekken tussen subsidies enerzijds en productie anderzijds. Sinds 2003 zijn Europese landbouwsubsidies namelijk niet meer gekoppeld aan specifieke producten, maar aan het aantal hectares dat een boer in gebruik heeft.
‘De auteurs veronderstellen dat de steun die aan boeren toevalt ook de oorzaak is van hun productie’, zegt Jongeneel. ‘Meer steun zou leiden tot meer productie en milieubelasting. Vanwege de ontkoppeling is dit onjuist. De steun valt weliswaar aan boeren toe, maar daarmee is het geen oorzaak van de hoge veehouderijproductie.’
‘Subsidies op basis van hectares zijn in wezen subsidies voor vee’, reageert auteur Paul Behrens van de Universiteit Leiden. ‘Dat is niet expres zo bedacht, de veehouderij heeft gewoon buitenproportioneel veel land nodig. Niet alleen voor de dieren zelf, maar ook voor de voerproductie. De meerderheid van de Europese graanteelt belandt in diervoeding.’
Jongeneels collega Jeroen Candel, onderzoeker voedselbeleid in Wageningen en eveneens niet betrokken, is wel onder de indruk van de studie. ‘Dit bevestigt wat we al vermoedden, maar het is de eerste studie die ik ken waar het zo precies is berekend.’
Candel pleit ervoor dat de EU meer sturing aanbrengt in de subsidieverdeling. ‘Het onderzoek laat zien dat overheden allerlei ambities formuleren, maar geen boter bij de vis leveren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant