Maryse Condé werd wereldberoemd met Ségou, de eerste grote historische roman over Afrika. Ze zette ermee de opvatting op losse schroeven dat alleen de westerse slavenhandelaren verantwoordelijk zijn voor het verval van West-Afrika. Condé overleed vannacht op 90-jarige leeftijd.
‘Iedereen heeft een taak in de strijd voor de vrijheid’, zei Maryse Condé (1934-2024) in een interview aan het Curaçaose dagblad Amigoe in 1981, naar aanleiding van de verschijning van de vertaling van haar debuutroman Hérémakhonon (De pelgrimage van Veronica). ‘Schrijvers niet meer dan anderen’, voegde ze eraan toe.
Over de auteur
Wineke de Boer recenseert Franse literatuur voor de Volkskrant.
Later zwakte ze dat standpunt verder af en benadrukte ze dat literatuur geen wapen is, maar dat juist de belangeloosheid ervan de kracht is, waardoor literatuur ongebreideld creatief en onafhankelijk kan zijn. ‘Wat ik over Afrika schrijf, zal Afrika niet veranderen.’ En dat is waar - tot op zekere hoogte. Want Condé’s romans laten je wel anders naar de wereld kijken; hierdoor verandert de wereld, al is het maar een klein beetje.
Maryse Condé wordt in 1934 geboren in Pointe-à-Pitre, op het eiland Guadeloupe. Haar ouders zijn trots op hun Franse nationaliteit en noemen zichzelf ‘grands nègres’ – zwarte mensen die een auto bezitten, hun kinderen voorlezen uit Fabels van La Fontaine en ze in moederland Frankrijk naar school sturen. Begin jaren vijftig gaat Condé naar Parijs, eerst naar het lyceum en later naar de universiteit.
In de Franse hoofdstad ontmoet ze voor het eerst Afrikanen en maakt ze kennis met de négritude, een beweging die uitgaat van het principe dat alle zwarten ter wereld één volk vormen. Vanuit Parijs, als ze begin twintig is en getrouwd met de Afrikaanse acteur Mamadou Condé, vertrekt ze naar Ivoorkust, om les te geven.
Vooral ook is ze nieuwsgierig naar dat continent waar haar wortels liggen. Afrika, dat als een moeder zou zijn voor alle zwarten, aldus de door haar bewonderde Martinikaanse dichter Aimé Césaire en de andere grondleggers van de négritude. De werkelijkheid is uiteraard weerbarstiger dan het mooie ideaal. In négritude waren gewone Afrikanen niet geïnteresseerd, ze hadden hun eigen problemen. Aan geld komen om eten te kopen bijvoorbeeld.
Toch zal Condé ruim tien jaar in verschillende West-Afrikaanse landen verblijven. Die jaren leveren een vruchtbare bodem op voor haar schrijverschap. Na een paar toneelstukken en haar proefschrift (Stéréotype du noir dans la littérature Antillaise, 1975) publiceert ze in 1976 haar eerste roman Hérémakhonon, die ook in het Nederlands op de markt komt.
In 1984 verschijnt het monumentale Ségou, een historische roman in twee delen van samen meer dan 900 pagina’s. Aan de hand van twee generaties van de familie Traoré in de welvarende stad Ségou (in het huidige Mali), beschrijft ze de ondergang van het Bambara-rijk. Dat valt uiteen in de strijd tegen de islamiserende Arabieren uit het noorden en de witte slavenhandelaars uit het zuiden.
Critici duiden dit werk als de eerste grote historische roman over Afrika en Maryse Condé wordt wereldberoemd. Het is niet minder dan een herschrijving van de slavernijgeschiedenis, waarin ze de opvatting op losse schroeven zet dat alleen de westerse slavenhandelaren verantwoordelijk zijn voor het verval en de ellende waarmee de West-Afrikaanse naties nog altijd te kampen hebben. Na het succes van dit boek koopt ze een huis op Guadeloupe en decennia lang woont ze, samen met haar tweede echtgenoot Richard Philcox, die haar werk in het Engels vertaalde, afwisselend daar en in de Verenigde Staten, waar ze lesgeeft les aan verschillende universiteiten.
In haar latere werk blijft ze zich interesseren voor de driehoek tussen de Caraïben, Afrika en Europa. Ze schrijft meer eclectisch, in verschillende stijlen, en gebruikt veel (soms zelfverzonnen) verwijzingen naar andere literatuur, muziek, kunst of cultuur in algemene zin. Ze verplaatst zich in personages die niet per se sympathiek zijn, zoals in Het onwaarschijnlijke en droevige lot van Ivan en Ivana (2017). De levens van de op Guadeloupe geboren tweeling Ivan en Ivana gaan elk een andere kant op: de een wordt politievrouw, de ander terrorist.
Na haar pensioen in 2002 keert ze vanwege haar gezondheid terug naar Frankrijk, waar ze met haar man de laatste jaren van haar leven in Gordes woont, in de Provence. Doordat een neurologische aandoening haar lichaamsfuncties aantast, moet Condé Het onwaarschijnlijk droevige lot dicteren, net als haar laatste roman Het evangelie van de nieuwe wereld (2021), haar eigen versie van het leven van Jezus. Ze aarzelde tussen een serieus of een spottend verhaal, het werd een beetje van beide. ‘Daarmee maak je een boek: met diepgang en spot’.
• Over het geboortejaar van Condé bestond lang twijfel. Tot 2018 gold 1937 als haar geboortejaar. Naar aanleiding van de Alternatieve Nobelprijs stelde vriendin Mineke Schippers het jaartal in NRC op 1934, net als de website van Britannica en inmiddels ook Wikipedia én de Franse krant Le Monde.
• In 2018 kreeg Condé de Alternatieve Nobelprijs voor de Literatuur. Een initiatief van een groep Zweedse schrijvers, journalisten en acteurs, omdat dat jaar geen echte Nobelprijs zou worden uitgereikt nadat het Nobelprijscomité in een #MeToo-schandaal was beland.
• De echte Nobelprijs zou Condé nooit krijgen. Wel is haar werk veelvuldig bekroond met kleinere prijzen, vooral in Europa. In 2014 werd ze beëdigd als Officier in het Legioen van Eer, de hoogste onderscheiding in Frankrijk. Condé hoopte altijd op een echt grote literaire prijs en meer erkenning, vooral vanuit de Caraïben, zodat haar werk meer gelezen zou worden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant