In de genocidezaak tegen Israël zijn de rechters van het VN-hof in Den Haag onmiskenbaar aan het schuiven. Dat blijkt uit nadere bestudering van hun ‘verklaringen’. Een aanval op Rafah kan voor het hof het laatste zetje zijn naar een opdracht tot een staakt-het-vuren in Gaza.
De rechters van het Internationaal Gerechtshof stellen zich steeds harder op jegens Israël in de door Zuid-Afrika aangespannen genocidezaak. Afgelopen donderdag oordeelde het hof dat Israël meer moet doen om de humanitaire situatie in Gaza te verbeteren. Uit achterliggende stukken blijkt dat zeven van de zestien rechters verder hadden willen gaan. Volgens hen is een onmiddellijk staakt-het-vuren nodig.
Als Israël de aanval inzet op Rafah en de toestand in Gaza verder verslechtert, is het zeer wel mogelijk dat een of meer rechters van mening veranderen. In dat geval krijgt, indien Zuid-Afrika opnieuw om aanvullende maatregelen vraagt, Israël van het hof de bindende opdracht per direct de wapens te laten zwijgen. Of Israël daar gevolg aan zal geven, is uiteraard de vraag.
Rob Vreeken is correspondent in Istanbul voor de Volkskrant. Hij schrijft over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden. Voorheen specialiseerde hij zich op de buitenlandredactie in mensenrechten en het Midden-Oosten.
Toen het hof in Den Haag op 26 januari een eerste uitspraak deed in de genocidezaak, riep het nog niet op tot een staakt-het-vuren. Dat was een van de door Zuid-Afrika gevraagde ‘voorlopige maatregelen’ (en de meest verstrekkende), maar de rechters gingen er niet in mee. Wel moest Israël het mogelijk maken dat humanitaire hulp de Gazastrook kon bereiken. Ook werd Israël opgedragen te voorkomen dat zijn leger daden pleegt die in strijd zijn met het Genocideverdrag.
Het belang van de uitspraak was verder dat het hof van de Verenigde Naties de zaak überhaupt in behandeling nam. Het kan lang duren, mogelijks zelfs een paar jaar, voor de rechters tot een finaal oordeel komen over de vraag of Israël zich schuldig maakt aan genocide. Al die tijd zal Israël te boek staan als verdachte in een genocidezaak.
Omdat de humanitaire toestand in Gaza na 26 januari verder verslechterde, vroeg Zuid-Afrika op 12 februari om aanvullende voorlopige maatregelen. Dat achtte het hof op dat moment niet nodig, maar toen Zuid-Afrika op 6 maart opnieuw een dergelijk verzoek indiende, werd dat – drie weken later – wél toegewezen.
Het hof vindt dat de situatie in Gaza zodanig is veranderd dat de maatregelen van 26 januari niet meer toereikend zijn. ‘Het hof stelt vast dat de Palestijnen in Gaza niet langer alleen het risico lopen van een hongersnood, zoals eerder gesteld, maar dat de hongersnood al begonnen is.’ Een verdere verslechtering ‘is zeer wel mogelijk’.
In de beslissing van donderdag roept het hof nog altijd niet op tot een staakt-het-vuren. Wel wordt de humanitaire oekaze aan Israël dwingender verwoord. Zo moet hulp nu ‘verzekerd’ worden, niet slechts ‘mogelijk gemaakt’. Het besluit is door de rechters genomen met vijftien stemmen voor en één tegen. De tegenstem was van de Israëlische rechter die voor de zaak ad hoc aan het hof is toegevoegd, Aharon Barak.
Over de meningenstrijd binnen het rechterlijk college wordt in de uitspraak verder niets gezegd. Iets daarvan wordt wel duidelijk in de ‘verklaringen’ die individuele rechters (zoals bij het Internationaal Gerechtshof gebruikelijk) als bijlagen aan de uitspraak hebben gehangen. Nadere bestudering daarvan levert een opmerkelijk beeld op: de rechters zijn onmiskenbaar aan het schuiven, en wel in de door Zuid-Afrika gewenste richting.
Zes van de zestien rechters laten nadrukkelijk weten het te betreuren dat het hof niet heeft besloten de partijen een onmiddellijk staakt-het-vuren op te leggen. Zo stelt de Australische rechter Hilary Charlesworth dat ‘de enige manier om verdere vernietiging van de Palestijnse bevolking in de Gazastrook te voorkomen, is de militaire operatie te laten ophouden’.
Na 26 januari gaf geen van die zes zo’n verklaring uit. De enige die dat toen deed, was de Indiase rechter Dalveer Bhandari. Hij stelde dat volgens hem ‘al het vechten onmiddellijk moet stoppen’. Vorige week heeft hij geen nieuwe verklaring afgegeven, maar ongetwijfeld is hij de afgelopen weken alleen maar gesterkt in zijn mening.
Inclusief Bhandari staat het aantal voorstanders van een staakt-het-vuren dus op zeven, bijna de helft. In dat licht wordt de verklaring interessant die een achtste rechter, Nawaf Salam, vorige week bijvoegde. De nieuwe maatregelen van het hof, schrijft hij, kunnen alleen effectief zijn als alle partijen gevolg geven aan de oproep van de Veiligheidsraad van 25 maart tot een ‘onmiddellijk staakt-het-vuren voor de maand ramadan’.
Wat staat hier? Vindt Salam dat de wapens moeten zwijgen? Zo te zien wel. Maar vindt hij ook dat het Internationale Gerechtshof dit dwingend moet opleggen? Dat staat er niet letterlijk. Dubbelzinnigheid troef.
Waarschijnlijk heeft Salam níét voor een oproep tot staakt-het-vuren gestemd. Had hij dat gedaan, dan waren immers acht van de zestien rechters daar voorstander van geweest. En dan had de stem van Salam de doorslag gegeven, want hij is voorzitter van het hof. Wat hem heeft bewogen, is uiteraard niet bekend. De Libanese rechter staat van oudsher te boek als een criticus van het beleid van Israël in de bezette gebieden.
Hoe dan ook blijkt uit dit alles hoezeer de rechters in de loop der weken van gedachten zijn veranderd en hoezeer de opinie van het hof aan het kantelen is. Er lijkt niet veel voor nodig om het hof het laatste zetje te geven, een zetje dat van Israël zelf kan komen: wordt de aanval ingezet op Rafah, dan komen ‘alle seinen van genocide op rood te staan’, in de woorden van de Somalische rechter Abdulqawi Ahmed Yusuf.
Oud-hoogleraar volkenrecht Harry Post kan zich desgevraagd vinden in de conclusies van de Volkskrant. ‘Het lijkt me een aannemelijk verhaal. De rechters zijn inderdaad aan het schuiven.’
Het staat Zuid-Afrika vrij om nogmaals een verzoek tot aanvullende voorlopige maatregelen in te dienen en het staat het hof vrij zo nodig op eigen initiatief wegens veranderde omstandigheden zulke maatregelen te treffen, ook al is het ongebruikelijk dat het hof zijn eigen orders na korte tijd alweer aanpast. Sowieso navigeert het hof in onbekende wateren. Niet eerder lag het nogal bezadigde instituut zozeer in de vuurlinie van een groot internationaal conflict.
Nadere bestudering van de documenten levert nog een interessant inzicht op. Dat het hof (nog) niet heeft besloten tot een staakt-het-vuren, is waarschijnlijk omdat zo’n opdracht normaliter wordt gericht tot twee partijen. Dit is nu niet mogelijk; Hamas is formeel geen partij bij de genocidezaak.
In de uitspraak van 26 januari wordt daar niets over gezegd. Waarnemers concludeerden toen dat de rechters een staakt-het-vuren ‘te ver’ vonden gaan of ‘nog niet aan de orde’ achtten. Uit de stukken blijkt dat het beletsel mogelijk vooral juridisch-technisch van aard was. Diverse rechters willen nu over dat bezwaar van eenzijdigheid heen stappen, gezien de ernst van de zaak. Dat kan, zegt rechter Charlesworth, de risico’s voor de Palestijnse bevolking dan wel niet helemaal wegnemen, maar op zijn minst ‘verzachten’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant