Home

‘Ik heb een kamer gevonden’, zei mijn oudste zoon van de week

Alweer bijna acht jaar geleden ging mijn dochter het huis uit. Ik schreef daar toen een huilerig stukje over, vol Elsschot-citaten (‘met stukken van het oude nest bevracht’) want ik vreesde dat haar broertjes spoedig zouden volgen, waarna ik nutteloos in dat leeggeroofde nest op de dood moest gaan zitten wachten.

Het liep anders. Die jongens hadden helemaal geen haast om weg te komen. Ja, ze dreigden er weleens mee tijdens aanvaringen, maar dat was duidelijk grootspraak, want waar moesten ze heen? Wie in Amsterdam woonruimte wil vinden moet extreem doortastend optreden, en dat is niet hun sterkste kant.

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Ik vond het wel gezellig. Ja, er lagen altijd overal scooterhelmen en enorme schoenen, het voedsel viel niet aan te slepen, de alomtegenwoordige gesprekken over voetbal en auto’s kon ik niet volgen, hun meningen over politiek en maatschappij maakten me soms sprakeloos van verontwaardiging, en als je vraagt ‘wat zullen we vanavond eten?’, wil je ook weleens wat anders horen dan ‘Kip. Véél kip’. Maar gezellig is het wel, die jongens in je huis, een warm bad, waarvan ik allengs ging geloven dat het altijd zo zou blijven.

‘Ik heb een kamer gevonden’, zei mijn oudste zoon van de week. Ik zat net een boterham te eten, en slikte moeizaam. ‘Wat goed!’ bracht ik uit. En het ís ook goed, natuurlijk. Hij is een volwassen man, al blijft hij mijn kleine Boelie, die bij de kopjeduikelende eendjes in de vijver altijd ongerust bleef staan kijken of ze wel weer boven water kwamen. Misschien doet hij dat nog steeds wel, maar als je 23 bent, hoeft je moeder daar niet meer ontroerd bij toe te kijken. Beter van niet.

Hij schoof aan tafel, nam ook een boterham, en gaf antwoord op mijn ongeruste vragen. Nee, de nieuwe kamer bevond zich niet in Australië, maar op vijf minuten fietsen van ons huis. Heel klein, zijn bed paste er nét in. Nee, ik mocht pas komen kijken als hij het daar eerst een beetje had schoongemaakt. Ja, natuurlijk zou hij vaak thuis komen eten. (Kip, véél kip.) En elk half jaar naar de tandarts gaan, ‘jaha, jezus, mama...’

Zo leuterden we voort, hij opgetogen happend in de zoveelste boterham, ik kieskauwend, vol bedwongen verdriet en zelfmedelijden. Wat is dat voor leven, als je kinderen je verlaten om in een ranzige spelonk te gaan wonen?

‘Dit zal ik nog het meeste missen’, zei mijn zoon, terwijl hij me aankeek. Ach, die lieve ogen van hem. Nee, nu niet gaan huilen. ‘Wat?’ vroeg ik schor.

En, wijzend op zijn boterham, sprak hij: ‘Deze heerlijke kaas.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next