Home

Homo diplomaticus: de diplomaten die, op de achtergrond, de Europese Unie draaiende houden

Ze opereren in de schaduw, de 27 EU-ambassadeurs. Dag en nacht vergaderend, aan een grote ovale tafel, overlevend op jus en kleffe sandwiches. Jarenlang was Robert de Groot de ‘man in grey’ voor Nederland. Wat maakt een diplomaat tot homo diplomaticus? Een portret in tien vragen.

Bijna zeven jaar lang was hij dé lobbyist voor de Nederlandse staat in de Europese Unie. De man die namens Den Haag onderhandelde over honderden miljarden euro’s EU-subsidies, die duizenden Europese wetten voorkookte en bijschaafde, de steun en toeverlaat voor tientallen onzekere ministers bij complexe EU-vergaderingen en de man naast premier Mark Rutte bij alle EU-toppen. En toch kent buiten Brussel vrijwel niemand Robert de Groot.

‘Dat was ook mijn doel’, zegt De Groot (62) met een gedecideerde glimlach. Zijn habitat sinds 2017 was immers het illustere ‘Coreper’, de Franse afkorting van het Comité des représentants permanents. Vrijwel elke dag (en vaak ook ’s nachts) vergaderde hij als de Nederlandse permanente vertegenwoordiger met zijn collega’s uit de andere 26 EU-landen in deze spreekwoordelijke Brusselse achterkamer. Als er één plek is waar de homo diplomaticus – ook bekend als de homo anonymus – goed gedijt, is het daar wel.

Over de auteur
Marc Peeperkorn is sinds 2008 de EU-correspondent van de Volkskrant. Hij woont en werkt in Brussel.

In februari stapte De Groot over naar de Europese Investeringsbank, waar hij nu namens de Benelux in de directie zit. Bij wijze van uitzondering treedt hij uit de anonimiteit. De perfecte gelegenheid voor een portret in tien vragen van de senior EU diplomat, de codenaam waaronder EU-ambassadeurs als De Groot normaliter opereren.

Hoe ziet de homo diplomaticus eruit?

Het clichébeeld is dat van heren in double-breasted pakken en (in de minderheid) vrouwen in fijne, dure mantelpakjes. Onzin, stelt De Groot. ‘De laatste double-breasted blazer is met de vorige Spaanse ambassadeur vertrokken. De mannen lopen allemaal in sjofele grijze pakken.’ De gemiddelde leeftijd is 55-plus. ‘Het zijn mensen met 25 à 30 diplomatenjaren op de teller. Ze kennen alle trucs, hebben alles gezien, beheersen het ambacht en hebben autoriteit: hier in Brussel, maar ook thuis in hun politieke hoofdstad.’

Hoe ziet die roemruchte Brusselse achterkamer eruit?

De EU-ambassadeurs vergaderen in het Europagebouw aan de Brusselse Wetstraat, op de vijfde verdieping, zaal S5. De benaming doet onwillekeurig denken aan S5 uit de legerkeuring destijds, de slechtste score voor geestelijke stabiliteit, die erin resulteerde dat je niet werd opgeroepen. ‘Dat is mij niet gelukt’, stelt De Groot. In de S5-zaal zitten de 27 ambassadeurs aan een grote ovale tafel. Achter de zetel van elke ambassadeur staan nog drie stoeltjes, voor nationale experts en adviseurs. ‘De derde stoel is zo klein dat je er niet eens kan schrijven’, vertelt De Groot. Verder schuift ook een vertegenwoordiger van de Europese Commissie aan en iemand van de juridische dienst. ‘Al met al zitten we in de zaal met zo’n honderd man.’ Eromheen staan de cabines voor de tolken en ernaast bevindt zich de luisterzaal, de plek voor woordvoerders en andere betrokkenen. Ziehier het ‘redactielokaal’ waar de quotes van de senior EU diplomats worden gemunt. De Groot: ‘Het Coreper is de enige vergadering in Brussel die tijdens de coronapandemie nooit is gestopt. En we hebben maar een handvol besmettingen gehad in de zaal.’

Wordt er een goede lunch met Europese wijn geserveerd tijdens die vergaderingen?

Absoluut niet, weet De Groot. ‘Dat is niet meer van deze tijd. De lunch bestaat uit drie kleffe sandwiches en een glas jus. Op die sandwiches zitten al jaren dezelfde drie smeersels. Wat het precies is, weet ik nog steeds niet.’ Soms zorgt de voorzitter van de vergaderingen – het voorzitterschap wisselt elke zes maanden – voor een verrassing. ‘Dan krijg je een zakje chips.’

Wat is de werkwijze van ’s lands belangrijkste diplomaat?

Er zijn verschillende modellen. De Groot wijst op zijn Roemeense collega, die elke week prominent op de Roemeense televisie figureerde om uitleg te geven. Voor hem een onbegaanbare weg. ‘Ik ben bekend in bestuurlijk Nederland, niet in kranten of op televisie. Ik ben geen front man, daar heb ik niets mee te winnen. Integendeel, ik win erbij om overal binnen te kunnen komen omdat de mensen weten dat alles onder ons blijft.’

Wat werkt beter in de onderhandelingen: fluisteren of vuisten?

De Groot kijkt verheugd naar het blaadje met kriebelige aantekeningen dat hij heeft meegenomen. Het blijkt het Handboek voor de Onderhandelaar te zijn, in elk geval een eerste aanzet ertoe: de codex-De Groot. ‘Tien punten zijn het, ik weet ook niet waarom maar ik kwam op precies tien.’ De eerste vereiste voor een diplomaat is een netwerk. ‘Als Den Haag mij belde en zei: ‘Robert, we hebben een probleem’, dan moest ik iemand kunnen bellen met een oplossing. Die meneer of mevrouw moet mijn naam op het telefoonscherm zien, en denken: ah, De Groot, die neem ik op. Zo’n netwerk opbouwen en onderhouden vergt tijd. Elk jaar verlaat 20 procent van je contacten Brussel, dus je moet steeds investeren in het leren kennen van nieuwe mensen.’

Punt twee: de gunfactor. ‘De anderen moeten iets voor je willen doen. Dat hangt af van een constructieve houding in het verleden, maar ook van de toegevoegde waarde van de oplossing: ook voor hen moet er iets in het vat zitten.’

Waarmee we automatisch bij punt drie komen: formuleer je probleem met het oog op de ander. ‘Alleen maar roepen ‘Nederland wil dit’ werkt niet. Dat denken ze: donder maar op. Dus niet: wij willen twee meter uit de kant van de sloot meer mest kunnen uitrijden! Nee, je moet begrip kweken: we zitten in Nederland met ruim vijfhonderd mensen per vierkante kilometer, de hoogste bevolkingsdichtheid in Europa na Malta. Dat knelt soms, bijvoorbeeld met die mest. Wat zouden we kunnen doen? Er moet een dialoog zijn, geen monoloog.’

Punt vier: nooit bluffen. ‘Je collega’s moeten weten dat je honderd procent gedekt wordt door je regering. Pas dan heb je clout. Als ik stellig iets beweer en vervolgens zegt mijn premier tijdens de EU-top iets anders, dan forget it, dan is het over. Dan denken mijn collega’s de volgende keer: ach, het is Robert maar.’

Daaruit volgen ook de punten vijf van de codex-De Groot (de ambassadeur moet vertrouwen genieten in zijn hoofdstad), punt zes (statuur bij de Europa Commissie) en (punt zeven) ervoor zorgen dat zijn team (de permanente vertegenwoordiging, die van Nederland telt circa 130 mensen) hoog staat aangeschreven. ‘De vertrouwensband, daar gaat het om bij diplomatie.’

Met zo veel belangen en politieke druk: schiet nooit eens iemand uit zijn slof?

‘Punt acht’, gaat De Groot onverstoorbaar verder: ‘Je mag keihard zijn, verbaal tenminste. Bot maar betrouwbaar. Geen trucjes, zeker niet als een klein land als Nederland. We zijn geen Duitsland dat een kwart van de EU-begroting betaalt. Nederland betaalt 5,5 procent van de begroting. Dus moeten wij harder werken en slimmer zijn om iets voor elkaar te krijgen.’

Zijn collega’s beschrijven De Groot als een tikkeltje plechtstatig, nooit emotioneel, altijd cool. ‘Als zij dat zeggen, moet dat kloppen’, antwoordt De Groot. Niet vergeten is hoe hij het plan van EU-president Charles Michel voor een groot Europees investeringsfonds affakelde. ‘Karl Marx on steroids’, betitelde De Groot dit plan in het vertrouwelijke overleg met zijn collega’s, een quote die onmiddellijk uitlekte. Een voorbeeld van hard maar efficiënt opereren, volgens De Groot. ‘De instructie uit Den Haag was: dit willen wij niet. Dan zie je een aantal ambassadeurs die roepen: een nieuwe geldpot, fantastisch, kom maar door! Mijn Duitse collega zei geen ja en geen nee, we moesten er nog maar eens goed over nadenken. Toen dacht ik: straks gaat iedereen opschrijven dat we er serieus mee bezig zijn. Dan moet er iemand zijn die heel hard roept: ‘NEE, dat gaan we niet doen.’ Dat was ik dan, even heel bot.’ De Groot ontkent dat hij er applaus voor kreeg, zoals zijn collega’s beweren. ‘Applaus krijg je pas als je weggaat. Maar het fonds is er niet gekomen.’

Waarmee punt negen is geïllustreerd: de timing wanneer je iets zegt. ‘Je kunt als eerste het woord vragen om de toon te zetten. Je kunt netjes je beurt afwachten als het onderwerp van niet zo’n groot belang is. Of afspreken met je collega’s dat jij de laatste bent om je positie extra te onderstrepen. Dat heb ik bij dat investeringsfonds gedaan: Marx op groeihormonen.’

Punt tien tenslotte: de ambassadeur is ook buiten het geformaliseerde overleg met zijn EU-collega’s razend actief. Hij moet informele diners met de belangrijkste collega’s organiseren en bezoeken, recepties aflopen, lobbyisten ontmoeten, seminars bijwonen, denktanks ideeën influisteren, de nationale en internationale pers te woord staan. De Brusselse cirkels zijn breder dan het Schumanplein waaromheen de Europese instituties zijn gecentreerd. Of zoals De Groot het formuleert: ‘De Rolodex moet helemaal vol zitten.’

Wat is de werkweek van een topambassadeur?

‘Nou, zeven dagen, keer 24 uur, minus wat slapen.’

Wat was uw grootste nederlaag en wat de grootste overwinning?

De Groot glimlacht. ‘We zijn met zijn 27’en. Met dubbele cijfers winnen kan niet, dan is er geen Europese samenwerking meer. De volgende dag moet je weer met elkaar verder, dus is het altijd 2-1 in de 90ste minuut, op z’n Duits.’

Vrijwel de hele Tweede Kamer klaagt over te veel Brusselse regels. Die worden door de ambassadeurs voorbereid: lijden deze diplomaten aan regelzucht?

Nederland, zegt De Groot, is een klein land met een open economie. Bedrijven zijn elke dag in de weer met de import en export van goederen. ‘Dan is er maar één ding belangrijk voor ondernemers: voorspelbaarheid. Dat betekent eerlijke concurrentie, oftewel: regels. Al die duizenden lobbyisten hier in Brussel zijn bezig met meer regels, niet minder.’

Wel een probleem is de regeldruk: de stapeling van niet op elkaar afgestemde regels. Daar heeft de Commissie een blinde vlek voor, stelt De Groot. Net als voor wat nationale overheden aankunnen. ‘Het is een bizar systeem: vóór een land toetreedt tot de EU krijgt het alle hulp om het ambtelijk apparaat slagvaardig te maken. Eenmaal lid is de boodschap: zoek het maar uit.’

Nederland krijgt mogelijk een eurosceptische regering. Wordt uw opvolger beste vrienden met zijn Hongaarse collega?

De Groot schudt zijn hoofd. ‘Ik kan me niet voorstellen dat we een regering krijgen die zegt: Europa is genoeg geweest. In deze tijd, met deze gevaren, met China, met Rusland, met klimaat en energie, kan dat gewoon niet. Na de Brexit zijn Europeanen daarvan genezen. Nederland is altijd kritisch in Europa, en terecht. We willen het altijd net ietsjes beter en anders. Ik heb ook niet bepaald het idee dat de Europese Commissie Nederland als naïef beschouwt. Maar aan het eind van de onderhandeling, onder de streep, is het resultaat toch altijd de moeite waard.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next