Home

Verzet tegen slavernij was er altijd al, zo laat de eerste pop-uptentoonstelling van het Nationaal Slavernijmuseum zien

Het Slavernijmuseum is nog in oprichting, maar in een expositie in het Amsterdamse Verzetsmuseum vertelt het alvast een nieuw verhaal rondom het koloniale verleden, waarin opstanden en antislavernij-activisten in Nederland centraal staan.

Wat weten we eigenlijk over Tula? De verzetsheld leidde in 1795 een slavenopstand op Curaçao. Dat begon aanvankelijk als het vreedzaam neerleggen van het werk, maar groeide uit tot de grootste slavenopstand in de geschiedenis van de Nederlandse Antillen. Onder Tula’s leiding deden tweeduizend slaafgemaakten, onder wie zijn vriendin Sablika, mee aan de opstand, die bloedig werd neergeslagen door de koloniale bezetter.

Dit verhaal en vele andere worden verteld in de eerste pop-uptentoonstelling van het Nationaal Slavernijmuseum, in het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Het Verzetsmuseum, dat tegenover Artis ligt en in 1984 werd opgericht, vertelt het verhaal van de Nederlandse verzetsbeweging tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de hand van persoonlijke verhalen en veel beeldmateriaal. Maar het verzet in Nederland beperkt zich niet tot die periode, of tot verzet tegen de Duitse bezetter. Kleine groepen die strijden tegen de gevestigde orde: dat is van alle tijden. Zo was er ook verzet tegen Nederland als koloniale machthebber; reden voor het museum om samen met het Nationaal Slavernijmuseum het verhaal breder te trekken in de tentoonstelling Verzet tegen slavernij.

Het Nationaal Slavernijmuseum is nog in oprichting, maar er zijn al genoeg verhalen te vertellen. Karlien Metz, conservator van het Verzetsmuseum en van de tentoonstelling: ‘Verzet tegen de slavernij was er altijd al en het uitte zich op allerlei manieren. Soms weigerden slaafgemaakten om werk te doen, soms kwamen ze in opstand. Maar ook het blijven dragen van eigen kleding en het uitvoeren van oude rituelen zijn vormen van verzet.’ Die komen in de tentoonstelling aan bod aan de hand van boeken, brieven en persoonlijke verhalen.

Een van die verhalen is dat van de Schots-Nederlandse soldaat John Gabriël Stedman, die deel uitmaakte van het koloniale leger in Suriname. ‘Stedman vocht tegen de marrons die probeerden slaafgemaakten te bevrijden uit de plantages in het binnenland’, vertelt Metz. ‘Maar hij schrok ook van het geweld en van de onderdrukking van slaafgemaakten, en werd verliefd op de slaafgemaakte Joanna, die hij zonder succes heeft geprobeerd vrij te kopen.’ Terug in Europa schreef hij een boek dat in de expositie is te zien, over de misstanden op de plantages, voorzien van prenten die de gruwelijkheden verbeelden.

Speciale aandacht is er ook voor de Nederlandse antislavernij-activist Frits Moquette. Over hem was aanvankelijk weinig bekend, maar onderzoek van het Verzetsmuseum laat zien dat hij een belangrijke figuur was in de anti-slavernij- of abolitionistische beweging in Nederland.

‘Frits las op zijn 16de, in 1853, Uncle Tom’s Cabin, het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe’, zegt onderzoeker Leendert van der Valk, die op verzoek van het Verzetsmuseum in de geschiedenis van de activist dook. ‘Daarin herkende hij afschuwelijke taferelen van slavernij die hij ook las in de brieven van zijn overleden vader, die in Suriname was geweest. Hij was daar zo van onder de indruk dat hij een jaar later, toen hij 17 was, het Jongelings Genootschap ter Afschaffing der Slavernij oprichtte.’

Het bijzondere aan Moquette is dat hij als jongere geen politieke stem had, maar wel invloed probeerde uit te oefenen op de politiek. Zoals te zien is in de expositie, stuurde hij brieven en wetsontwerpen naar het parlement en werkte hij veel samen met abolitionisten in Engeland, waar die beweging veel groter was. ‘In plaats van de politiek te overtuigen met economische argumenten, speelde de beweging van Moquette door het geven van toespraken en lezingen in op het gevoel’, zegt Van der Valk. ‘Het is nooit een grote volksbeweging geworden, maar het inspelen op emoties had onder de bevolking wel effect.’

Ook vrouwen, die in die tijd evenmin een politieke stem hadden, zetten zich relatief vaak in voor de afschaffing van de slavernij. Een van de vrouwen die in de tentoonstelling aandacht krijgen, is Anna Bergendahl. Zij richtte in 1885 een damescomité op dat handwerk verkocht om slaafgemaakten mee vrij te kopen. Die moesten dan wel lid zijn van de kerk.

Vrijheid en gelijkheid

Een eeuw daarvoor was ook schrijver Betje Wolff, die samen met Aagje Deken de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) schreef, zo’n vrouw. ‘Betje Wolff was een echte verlichtingsdenker. Ze streefde actief idealen van vrijheid en gelijkheid na, ook voor vrouwen en zwarte mensen’, zegt Metz. Ze weigerde te logeren bij slavenhandelaren, want ze had een ‘natuurlyken afkeer van slavenkoopers’, zo valt te lezen in een brief.

Ten slotte verbeeldt de tentoonstelling kort hoe het slavernijverleden doorwerkte na de officiële afschaffing in 1863. Metz: ‘Veel mensen weten weinig over dat deel van de geschiedenis. Zo moest een groot deel van de slaafgemaakten nog tien jaar na de afschaffing van de slavernij op de plantages blijven werken, waardoor veel nazaten van slaafgemaakten het jaar 1873 pas als echte mijlpaal zien.’

In dit laatste deel is er ook aandacht voor Wij slaven van Suriname, het boek dat de Surinaamse auteur Anton de Kom in 1934 schreef als pleidooi tegen de koloniale bezetter. De Kom verzette zich tegen het kolonialisme in Suriname, maar ook tegen de Duitse bezetter in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vormt als het ware de link met de rest van het museum, waardoor je na afloop je weg door de vaste tentoonstelling soepeltjes kunt vervolgen.

 Verzet tegen slavernij. Verzetsmuseum, Amsterdam, t/m 11/8.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next