Meer dan zes miljoen Nederlanders doen ten minste vier uur vrijwilligerswerk per week. Dat is van grote waarde, niet alleen economisch. Toch stranden veel initiatieven in regels. Floor Ziegler en Teun Gautier zien dat het ook anders én beter kan.
De tijd dat bewonersinitiatieven alleen maar klein en schattig waren, is voorbij, zeggen Floor Ziegler en Teun Gautier. Er ligt een enorm potentieel braak van mensen die heel veel kunnen overnemen van de overheid als ze de kans krijgen. Voor minder geld, met beter resultaat en met hechtere gemeenschappen en gelukkiger inwoners als bonus.
Ziegler en Gautier schreven het boek Een wereld van gemeenschappen, dat vol staat met inspirerende voorbeelden van wat zij ‘de leefwereld’ noemen. Bewonersinitiatieven, die zij plaatsen tegenover de ‘systeemwereld’, zeg maar het formele openbaar bestuur en marktpartijen.
Over de auteur
Kustaw Bessems is columnist van de Volkskrant en host van de podcast Stuurloos. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor openbaar bestuur en schrijft daarnaast over alles van disco tot klushuizen.
Ze beschrijven het Friese dorp Roordahuizum, waar de meeste inwoners lid zijn van vereniging Doarpsbelang, dat de zwemplaats heeft aangelegd, een sportcomplex runt en een eigen windmolen heeft. Het Utrechtse Austerlitz, waar inwoners ouderen helpen om zo lang mogelijk zelfstandig in het dorp te wonen, met aangepaste huizen en vervoer. En in Amersfoort toverden bewoners een ziekenhuisterrein om in een stadspark. Met hun tweemansbureau ondersteunen Ziegler en Gautier dit type initiatieven, onder meer in opdracht van gemeenten, woningbouwcorporaties en projectontwikkelaars.
Meer dan zes miljoen Nederlanders van 15 en ouder doen minstens vier uur per week vrijwilligerswerk. Gautier rekent snel voor dat je dat mag waarderen op meer dan 30 miljard euro aan arbeidskosten. ‘De oplossingen voor de grote thema’s als duurzaamheid en armoede zijn bij bestuurlijk Nederland belegd, bij de systeemwereld. Wij zeggen: kijk eens wat een vermogen in de samenleving zit.’
En dat blijft niet bij vrijwilligerswerk. Kenmerk van deze initiatieven is dat ze uit mensen zelf komen in plaats van vanuit de overheid. Ziegler: ‘Het zijn mensen die in de eigen omgeving iets goeds doen voor de wereld. Heel concreet. Ze vergaderen weinig. Ze zitten twee keer bij elkaar en dan gaan ze aan de slag.’
Maar dat is steeds vaker ook beroepsmatig: ‘Je hebt bewoners die het zo intensief doen dat ze hun vak ervan hebben gemaakt. Sleutelfiguren met grote netwerken.’ Gautier: ‘Die betaalde krachten kunnen wel hun hele omgeving mobiliseren en die omgeving zet zich vrijwillig in, waardoor zulke sleutelfiguren – wij noemen ze stadmakers of dorpsmakers – meer voor elkaar kunnen krijgen dan een willekeurige andere betaalde kracht.’ Gautier en Ziegler hebben met deze sleutelfiguren de Stadmakerscoöperatie opgericht.
Het kan doen denken aan wat wel de ‘participatiesamenleving’ werd genoemd. Betekent dit dat het kabinet-Rutte II het destijds toch goed zag, toen het vond dat wij allen onder die noemer weer meer verantwoordelijkheid moesten nemen? ‘Nee!’, klinkt het in koor. Dat was bezuinigen en werk over de schutting gooien. ‘En aan de andere kant van die schutting’, zegt Gautier, ‘belandden die taken bij de hond die het meest hongerig was en het meest kon eten – en dat was de markt. Want die had de connecties met de overheid al. De gemeenschappen niet. Dan krijg je dat investeringsmaatschappij Blackstone hele straten opkoopt van onze woningcorporaties.’
Het gemeenschapsdenken dat Ziegler en Gautier voorstaan begint bij bewoners zelf, maar die moeten kunnen rekenen op een behulpzame overheid. Zoals in het Friese dorp Garyp, dat als een van de weinige plaatsen met geld van Binnenlandse Zaken een vliegende start maakte met huizen van het gas halen, omdat bewoners daar een energiecoöperatie hadden opgericht. Die coöperatie legde eerder zelf een zonnepark aan, waarvan de winst in sociale woningbouw wordt geïnvesteerd.
Gautier: ‘Delen van de leefwereld zijn nu al zo professioneel dat ze bijvoorbeeld meedingen naar opdrachten van gemeenten op het gebied van welzijn.’ Ze beginnen aan steeds meer nieuwe taken, die voorheen zouden zijn voorbehouden aan de overheid óf een duur, extern bureau. Gautier: ‘Ik hoorde zoiets gaafs. Er zou weer een onderzoek worden gedaan naar Rotterdam-Delfshaven als kwetsbare buurt. Normaal huren beleidsmakers dan een onderzoeksbureau in. Daar hebben bewoners nu gezegd: nee, we doen het zelf. Daar hebben ze een coöperatie voor opgericht.’
De bewoners zien dat klassieke onderzoeken vaak op afstand problemen in kaart brengen. Zelf willen ze het effect van bewonersinitiatieven onderzoeken en hopen zo een antwoord te vinden op de kloof die ze zien tussen beleid en praktijk.
Volgens Gautier is de burger ontheemd geraakt omdat de overheid na de verzuiling met de verzorgingsstaat te veel naar zich toe heeft getrokken. ‘De overheid zei: wij gaan wel voor je zieke buurvrouw zorgen. Daarmee heeft zij gemeenschappen ook iets ontnomen. Want het is fijn om voor je zieke buurvrouw te zorgen. En sommige dingen kun je beter in de samenleving doen dan gecentraliseerd. Als je de burger weer een plek geeft in een gemeenschap – en die is nu anders georganiseerd dan een zuil, het kan de groencommissie van Reduzum zijn – dan is hij niet langer ontheemd.’
Niet terug naar de verzuiling dus, geen participatiesamenleving, maar hoe ziet die nieuwe vorm er dan wel precies uit? Daar proberen Ziegler en Gautier met al hun ervaring én hun netwerk nu een antwoord op te vinden. De kunst is, zeggen ze, om de systeem- en de leefwereld beter met elkaar te laten praten. Ze vinden dat de overheid gemeenschappen moet behandelen als partner, en zo is het vooralsnog vaak niet. Inwoners kúnnen geluk hebben met een wethouder of ambtenaar die hen snapt, die vanuit de gemeenschap denkt en die vooral bezig is met hoe dingen wèl kunnen. Gautier noemt een wethouder in Breda die het verzoek kreeg van bewoners die een stadsstrand wilden maken bij een oud industriegebied. ‘Dat was lastig te vergunnen, tot de wethouder zei: we maken er ‘zandopslag met dagelijks bezoek’ van. Toen kon het.’
Vaker echter zit het systeem hinderlijk in de weg, of heeft het de neiging om een initiatief over te nemen en te smoren. ‘Het systeem is niet ingericht op mensen die iets komen bijdragen’, is Zieglers wrange constatering. ‘In vijftien jaar heb ik honderden bewonersinitiatieven gezien. Al die mensen werken veel te hard voor veel te weinig, zijn dag en nacht bezig.’ Maar te vaak, stranden ze in een wirwar van regels. ‘Het is gek, want tegelijk zegt het systeem: we kunnen het niet alleen. En er zijn zo veel mensen die willen.’
Een paar dingen maken samenwerking lastig. Gautier: ‘Bewoners werken per definitie integraal. Die leggen een tuin aan en daar werken jongeren en ouderen mee. Bij de gemeente heb je dan te maken met de afdeling groen en de afdeling ouderen en de afdeling jongeren, allemaal apart.’ Dat vergt aanpassingen van de overheid.
Ziegler fantaseert over een stadhuis waar de bezoeker uit twee kanten kan kiezen. ‘Halen’, waar je noodzakelijkerwijs met veel regels te maken krijgt. En ‘brengen’, waar je met open armen wordt ontvangen, waar wordt meegedacht en waar de regels worden versoepeld.
Om vanuit de leefwereld de systeemwereld toch een stuk tegemoet te komen, werken de twee samen met een groot aantal andere organisaties aan het Huis voor Actief Burgerschap, zoals het voorlopig heet, gevestigd in het pand van de Utrechtse openbare bibliotheek. Er moet een coalitie van bewonersbewegingen komen, ‘We doen het samen’, die een duidelijk aanspreekpunt kan worden voor de overheid. Zelf brengen Gautier en Ziegler onder meer vijftig appgroepen mee, met vierduizend sleutelfiguren in heel Nederland. Waarbij de uitdaging is om niet zélf een systeem te worden. ‘We tuigen geen grote organisatie op en we brengen iedereen die aanklopt in contact met lokale netwerken.’
Gautier was in het verleden uitgever. Ziegler komt uit de wereld van de klassieke muziek. Zij leerde in de harde praktijk dat je voor een geslaagd project bij bewoners moet beginnen. Ze richtte in 2008 een paviljoen op in het Amsterdamse Noorderpark en kwam erachter dat niet de hele buurt zat te wachten op de strijkkwartetten die ze daar wilde programmeren.
‘Er werden eieren gegooid naar het paviljoen, er werd graffiti gespoten en ik zag zelfs brandplekken.’ Dat was heel even slikken, maar waar een ander wellicht was afgedropen, maakten de reacties Ziegler nieuwsgierig. Ze was net in Amsterdam-Noord komen wonen en besefte dat ze wat makkelijk van haar eigen voorkeuren uit was gegaan. ‘Ik had niemand gevraagd: vinden jullie dit paviljoen mooi? Of wat willen jullie hier doen? Ik had met veel tamtam dat ding daar neergezet.’
Ze ging op onderzoek uit: hoe zagen haar buren het dan wél voor zich? ‘Ze dachten dat ik van de gemeente was en dat sprak niet voor me. Het maakte al een groot verschil toen ik zei dat ik hun buurvrouw was. Ik besloot helemaal te stoppen met mijn eigen plannen. Ik ben met mijn teamgenoten dagelijks het park in gelopen en heb aan mensen gevraagd: wat speelt hier? Wat zou je hier willen? Wat zou je willen bijdragen? Amsterdam-Noord was heel anders dan het meer welgestelde Amsterdam waar ik tot op dat moment had gewoond. Ik kreeg te maken met hangjongeren, alcoholisten, kinderen die geen ontbijt krijgen.’
Uiteindelijk veranderde de Noorderparkkamer in een plek waar grote groepen uit Amsterdam-Noord zich thuis voelen. Met kunst en cultuur. Dat kan schrijven zijn, maar ook linedancen of een hondenmodeshow, of kerstversiering maken. Én er hebben strijkkwartetten gespeeld. ‘Die wereld die daar is ontstaan, met zoveel verschillende mensen door elkaar, deed me beseffen: dit kan dus!
‘Na een tijd kwamen wethouders en politie langs als ze een probleem hadden en vroegen zij aan ons: we worstelen hiermee, hoe moeten we dit aanpakken? Van hondenpoep tot criminaliteit. Totaal gelijkwaardige samenwerking. En een ambtenaar fietste vaak ’s ochtends even langs om te vragen: wat hebben jullie nodig?’
Die gelijkwaardigheid, daar draait het om volgens Ziegler en Gautier. Ze zien een overheid voor zich ‘die niet voor de samenleving werkt, maar met de samenleving’. In het boek beschrijven ze hoe ze tijdens een bijeenkomst over fietsenoverlast de wethouder letterlijk van het podium halen en in de zaal laten plaatsnemen. Niet meer de probleemeigenaar die moet oplossen waar mensen tegen hem over klagen. Niet aanval-verdediging. Maar één van de mensen die onderdeel zijn van de gemeenschap en die samen dit probleem hebben. Het eindigt ermee dat de groep ruimte voor fietsen vindt op de parkeerplaats van een hotel.
Gautier: ‘In plaats van zeggen dat zij een probleem gaan oplossen, kunnen politici beter vragen: hoe kan ik je helpen?’ Ziegler: ‘Of bijvoorbeeld: ik wil aan eenzaamheid werken, wie doet dat al? Zullen we het samen doen? Ik raad ambtenaren ook altijd aan om fysiek op die plekken te gaan zitten. Heel veel van wat de overheid wil oplossen, daar zijn mensen zelf al mee bezig.’
Een paradox waar ze ook tegenaan lopen: hoe meer succes een bewonersinitiatief boekt, des te moeilijker vinden gemeenten het om steun te blijven verlenen. Dan spelen marktmechanismen ongelukkig op, want grote klussen vallen onder aanbestedingsregels. En dan kan een bewonersinitiatief het makkelijk verliezen, omdat de meerwaarde die de bewoners bieden niet wordt gevat in zo’n aanbesteding: werkgelegenheid, sociale samenhang, continuïteit.
De overheid heeft daar best speelruimte in, leggen ze uit. Zij kan grote aanbestedingen opdelen, of alleen non-profits in aanmerking laten komen, of maatschappelijke waarden opnemen in de voorwaarden. Maar vaak gebeurt dat niet. Een nieuwe partij van buiten is vervolgens veel tijd en energie kwijt aan het leren kennen van de omgeving, en met een beetje pech komt er een paar jaar later alwéér een ander bedrijf als winnaar uit de bus en begint het proces van voren af aan.
Er worden wel pogingen gedaan om maatschappelijke waarde in geld uit te drukken. Van buurtnetwerken in Groningen werd bijvoorbeeld becijferd dat elke euro die erin wordt geïnvesteerd 3,60 euro oplevert aan bespaarde zorg en ondersteuning.
Gautier vertelt over een oude man uit Syrië die depressief was en bij tal van instellingen hulp kreeg. De beheerder van een buurttuin hoorde dat hij in zijn moederland imker was geweest en kocht drie bijenkasten op marktplaats. ‘Die man komt helemaal tot bloei. Hij is er elke dag en legt kinderen uit hoe het met de bijen en de honing gaat.’ Geweldig voor hem en het drukt ook de kosten in de ggz.
Maar zoals in dat onderzoek naar die buurtnetwerken ook staat, de belangrijkste winst is niet materieel meetbaar: de groei van het sociaal kapitaal, de warme gemeenschappen en onderlinge verbinding. En, zegt Gautier, dat kan óók nog steeds met activiteiten die klein, lief en schattig lijken. ‘Een moestuintje onderhouden lijkt klein. Maar als je 15 duizend moestuintjes hebt die hele dorpen en buurten bij elkaar houden, dan is dat eigenlijk heel groot.’
Ziegler: ‘Er wordt altijd gezegd: je mag mensen niet voortrekken. Nou, ik werd met de Noorderparkkamer gewoon voorgetrokken hoor. Omdat ze bij de gemeente zagen: jullie verrichten hier wonderen.’ Wat haar betreft is de voorkeursbehandeling legitiem als bewoners een bijzondere prestatie leveren in het algemeen belang. Dat betekent dat bestuurders een zeker risico moeten nemen – kunnen ze zoiets wel verantwoorden? Maar volgens Ziegler en Gautier zijn de risico’s in de systeemwereld groter. Omdat resultaat daar vaker uitblijft en de bedragen in omloop hoger zijn. Gautier noemt het voorbeeld van de 150 miljoen die Den Haag een paar jaar geleden beschikbaar stelde om tweeduizend woningen van het gas af te helpen. Dat lukte slechts met enkele huizen.
Opvallende constante bij succesvolle samenwerking tussen leef- en systeemwereld is de onontbeerlijke persoonlijke ontmoeting. Ziegler en Gautier wandelen wat af. En dan is het, is hun ervaring, helemaal niet moeilijk om mensen te betrekken.
‘Heel makkelijk’, zegt Gautier.
‘Vinden wij wel’, zegt Ziegler.
‘Nee, het ís makkelijk!’, zegt Gautier.
Ziegler: ‘Wanneer wij als leefwereld een brief bij mensen in de bus doen, komen ze wel. Dat vinden ze leuk: ik ga met mijn buren iets doen voor de buurt. Als de gemeente het doet, gaan mensen klagen.’
Gautier: ‘Je moet als gemeente niet willen dat bewoners naar de gemeente komen. Loop het stadhuis uit, naar een speeltuin, ga naast een moeder of vader zitten en vraag: hoe is het? Woon je hier al lang? Wat mis je nou? En de volgende vraag is: wat doe je er zelf aan? Dan zie je ze even kijken: huh, o ja, is natuurlijk waar. En daarna vraag je: wat doe je graag? Als je een hovenier vraagt om mee te helpen in een groencommissie, dan doet hij dat hoor.’ Ze vragen ook vaak, op zoek naar sleutelfiguren: ‘Kent u iemand die veel mensen kent?’
Ziegler: ‘We worden als mensen allemaal het meest gelukkig van deel zijn van een gemeenschap, helemaal als je kunt bijdragen vanuit je drijfveren en erkend wordt.’
Gierend: ‘Ambtenaren bellen me al jaren: we willen in contact komen met burgers. Dan zeg ik: dan moet je de straat op gaan. Dan zeggen zij: dat kan toch niet zomaar, dan willen we wel met jou lopen. Dan zeg ik: ik wil best mee, maar dan doen we niks anders, hoor. Die ambtenaren zijn bang dat ze worden gedwongen tot beloftes die ze niet kunnen waarmaken. Of dat mensen boos op ze worden omdat ze ambtenaar zijn. Dat laatste is ook wel reëel. Maar wij adviseren: ga als mens wandelen. Je hoeft niet te zeggen waar je van bent. Mensen vragen zich dat meestal niet eens af. Als je vragen stelt, wil iedereen zijn verhaal kwijt.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant