Gezondheidswetenschappers slaan alarm: de vaccinatiegraad daalt, uitbraken van vergeten ziekten dreigen, de eerste brandhaardjes zijn nog maar het begin. Maar welk onheil hangt er precies in de lucht, in een wereld die veel hygiënischer zijn geworden?
Hib-meningitis. Epiglottitis. Congenitale rubella. Praat met ervaren kinderartsen over het verleden en de Latijnse namen komen al snel, als duistere spreuken uit een oud toverboek. Een boek waarop dankzij de kindervaccinaties een stevig slot zit, zeggen de experts erbij.
Maar nu de vaccinatiegraad daalt – in vier van de 25 GGD-regio’s zit die al onder de 85 procent – neemt de ongerustheid toe. Weg zijn de meeste ziektekiemen van vroeger immers niet. Sommige gaan nog altijd op een laag pitje rond; andere duiken elk jaar wel ergens op, meegenomen vanuit het buitenland. Geen vaccins en de getemde ziekten kunnen weer om zich heen grijpen, waarschuwen gezondheidsexperts.
Is die zorg terecht, in een wereld die in allerlei opzichten moderner, schoner en gezonder is geworden? Wat rammelt er precies aan de deur? Een verkenning, aan de hand van zes ziekten.
Vaccin sinds: 1957
Jaarlijks aantal doden vóór vaccinatie: ca. 100-300
‘Ik kan me nog herinneren dat ik ’s ochtends door mijn rechterbeen zakte’, vertelt Liesbeth Ausems (71). ‘Steeds moest ik de tafel vastpakken. Doe normaal, zei mijn vader. Maar dat kon ik niet.’
Dat was in 1956, een jaar voordat in Nederland het vaccineren tegen polio begon. Ausems, een kleuter nog, belandde in Den Bosch in het ziekenhuis. ‘Daar lagen toen een heleboel kinderen in isolatie.’ Ruim tweeduizend kinderen belandden bij de epidemie van dat jaar in het ziekenhuis, velen van hen overleden.
Hoewel infectie met het poliovirus meestal probleemloos verloopt, tast het virus bij ongeveer een op de duizend tot een op de honderd de zenuwen en hersenen aan. Vandaar de griezelige, oude volksnaam van poliomyelitis: kinderverlamming. Gaat het virus eenmaal rond, dan kan het snel gaan. In een ongevaccineerde bevolking steekt één persoon gemiddeld vijf tot zeven anderen aan, via besmet water, kuchen, zingen of praten. Nog in 1992-1993 was er een uitbraak onder de religieuze ongevaccineerden in de Alblasserwaard en Gelderland: 71 gevallen werden vastgesteld, 2 kinderen overleden, 43 kregen verlammingsverschijnselen.
Dat maakt al duidelijk: vaccinbescherming is een muur die onderhoud behoeft. ‘Het is niet zo dat als we in Nederland zouden stoppen met vaccineren, je in één klap alle bescherming tegen bijvoorbeeld mazelen kwijt bent’, zegt kinderarts-epidemioloog Patricia Bruijning (UMC Utrecht). ‘Het zou een tijd duren. Maar uiteindelijk zou je weer hetzelfde patroon van ziekteverspreiding krijgen als vroeger.’
Liesbeth Ausems liep mank en had ‘zo’n zwaaivoetje’ nadat ze polio had doorstaan, vertelt ze. Ze ging naar een revalidatiekliniek en onderging later twee operaties. Het virus heeft haar getekend, vertelt ze. ‘Mijn rechterbeen is veel dunner en ik heb maatschoenen. En ik heb natuurlijk nooit marathons kunnen lopen, of zoals vriendinnen op hockey of tennis kunnen gaan.’
Arts-microbioloog Heiman Wertheim (Radboud UMC) heeft de ziekte weleens gezien. Dat was ruim tien jaar geleden, aan de andere kant van de aardbol, toen hij in Vietnam werkte. De patiënt was een tiener.
‘Een goeie keelpijn, met opgezette klieren’, schetst Wertheim de ziekte die vroeger de kroep of de keelziekte heette. Weggever dat het om difterie gaat: ‘Een pseudomembraan in de keel. Zo’n grijze laag van dode cellen, eiwitten en bacteriën, die als een plakkaat over de amandelen ligt.’ Een andere verschijningsvorm is huiddifterie, met zweren op de huid.
Vroeger overleed 5 tot 10 procent aan de bacteriële besmetting, door verstikking vanwege zwelling van de keel of doordat het hart ermee stopt. En al is de ziekte te behandelen, met onder meer antitoxines en antibiotica, ‘je moet er wel vroeg bij zijn’, zegt Wertheim. ‘Ook al ga je behandelen, dan is er nog steeds kans op overlijden.’
Is al dat vaccineren eigenlijk nog wel nodig? Aan difterie overleden een eeuw geleden jaarlijks soms duizenden mensen. Gaandeweg verdampte dat aantal tot tientallen, door betere behandeling en betere hygiëne – nog vóórdat in 1957 het vaccineren begon.
Betere hygiëne en gezondheidszorg maken ‘gigantisch’ uit, erkent kinderarts Pieter Fraaij (Erasmus MC). ‘Maar het verschil is: ziekten zoals difterie zijn echt wég. Dat kan ik niet anders verklaren dan door vaccinatie’, zegt hij. Ga maar na: ‘In de jaren vijftig waren we ook al behoorlijk op de hygiëne. Toch hadden we jaarlijks nog meer dan honderd sterfgevallen door infectieziekten waartegen we vaccineren. En in de jaren zestig waren ze weg.’
Met als gevolg dat onder meer difterie ‘een vergeten ziekte’ is geworden, zegt Fraaij. ‘Terwijl de mortaliteit echt heel hoog was. En nu weten de meeste mensen niet eens meer wat het is. Heel bijzonder, vind ik dat.’
Een veel aangehaald onderzoek van Maarten van Wijhe, destijds verbonden aan het UMC Groningen, ondersteunt dat beeld. Naar schatting negenduizend sterfgevallen heeft het Rijksvaccinatieprogramma in Nederland voorkomen, becijferde Van Wijhe, van wie de meeste onder zuigelingen, jonge kinderen of tieners. En dat is alleen nog bij kinderen geboren vóór 1992.
‘De daling van de sterfte was aan het afvlakken toen de vaccins kwamen’, zegt hoogleraar farmaco-economie Maarten Postma (UMC Groningen), destijds Van Wijhes promotor. Hoeveel sterfgevallen er zónder vaccins vandaag de dag nog zouden zijn, is lastig te zeggen. ‘Maar als we niets hadden gedaan, was het aantal overlijdens niet naar nul gegaan.’
De bacterie Corynebacterium diphtheriae ‘komt zeker terug’ als we zouden stoppen met inenten, zegt Wertheim beslist. De ziekte is nog endemisch in onder meer Azië, Afrika, Oost-Europa en op de Cariben. Nog altijd zijn er elk jaar wel een paar Nederlandse gevallen, meegekomen uit het buitenland. ‘Mensen zijn veel meer gaan reizen. Dus kunnen ongevaccineerden deze ziekten mee terugnemen en herintroduceren in hun netwerk’, zegt Wertheim.
Het 4-jarige meisje dat in 2001 in het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis op de eerste hulp belandde, had een ongewone ziekte. Ze was ‘zeer gespannen’ en ‘geïrriteerd’, schreven haar behandelaars naderhand in een vakblad, en ‘liep houterig en stijf’. Haar kaken zaten op elkaar geklemd, ze had moeite met slikken en haar gezicht stond in een verkrampte grijns.
Tetanus. Opgelopen toen de kleuter, die uit religieus motief ongevaccineerd was, op straat was gevallen met rolschaatsen. Sporen van de straatvuilbacterie Clostridium tetani waren in haar wond gekomen en zo was de bacterie in haar bloedbaan beland. Nu had ze wondkramp, zoals de ziekte vroeger heette.
Zo’n vijftig mensen per jaar overleden er in Nederland aan tetanus voordat in 1954 het vaccin ertegen werd ingevoerd. Dat was een succes: het laatst bekende sterfgeval in ons land dateert uit 2011. Nog steeds komt de ziekte een of twee keer per jaar voor. Dat wijst erop dat sommige van de ziektekiemen van vroeger nog steeds in het land zijn. ‘Tetanus zit nog in dieren en in de grond’, zegt Fraaij.
De Utrechtse kleuter met tetanus moest naar de intensive care, waar ze aan de beademing lag en een antibiotica-infuus kreeg. ‘Geleidelijk namen de frequentie en ernst van haar krampaanvallen af’, aldus het gevalsrapport. Na twee weken mocht ze van de beademing, na nog eens twee weken werd ze ontslagen uit het ziekenhuis. ‘Tijdens poliklinische controle bleek het haar uitstekend te vergaan. Ze had alweer volop gerolschaatst’, besluiten haar artsen.
Altijd weer die mazelen, de ziekte die als eerste de kop opsteekt als de vaccinatiegraad daalt. Dat komt simpelweg doordat het mazelenvirus zo enorm besmettelijk is. Zonder vaccinaties besmet één persoon al snel twintig anderen. Maar meestal verloopt de ziekte onschuldig, haast alle 50-plussers hebben hem gehad. Dus wat zou je je druk maken?
Nou, onder meer vanwege de zeldzamere, ernstige gevallen. Zo’n 1 tot 6 procent krijgt longontsteking of oorontsteking die soms leidt tot doofheid, en een op de duizend tot tweeduizend hersenvliesontsteking, een levensbedreigende complicatie. En dat is niet alles. Anesthesioloog en voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij Catherine de Jong herinnert zich nog hoe er tijdens haar opleiding een volledig verlamde jongen in een rolstoel ‘werd binnengereden’, zegt ze. ‘Ons werd gevraagd: wat denkt u dat dit is?’ Dat was óók mazelen.
De jongeman had jaren ná de mazelen ‘subacute scleroserende panencefalitis’ (SSPE) gekregen, een zeldzame, in alle gevallen dodelijke complicatie die vier tot elf op de honderdduizend ex-patiënten treft. ‘Hij kon niet meer praten. Als een plant zat hij erbij’, herinnert De Jong zich. De meeste ouders weten niet meer hoe afzichtelijk doodgaan aan een vermijdbare ziekte eruit kan zien, vertelt ze, zelfs al gebeurt dat maar in zeldzame gevallen.
‘O nee, dat vaccineren, daar doen we niet aan mee’, imiteert ze wat ze soms hoort van ouders die hun kinderen niet hebben laten inenten. ‘Ik bewaar dan mijn geduld. Maar ik bijt geregeld mijn tong af. Persoonlijk kan ik er helemaal niet bij dat mensen perfect veilige vaccinaties weigeren. Het enige dat ik kan bedenken, is dat ze de gevolgen niet overzien.’
In haar opleiding heeft kinderarts Bruijning het nog wel gezien. Het ‘congenitaal rubellasyndroom’, een beruchte waaier van aangeboren afwijkingen bij baby’s van moeders die tijdens de zwangerschap besmet raakten met het rubellavirus, dat rodehond veroorzaakt. Bekend van prinses Christina, die door het syndroom blind was aan een oog en slechtziend aan het andere.
‘Wat ik heb gezien, was heftiger’, vertelt Bruijning. ‘Behalve oogafwijkingen hebben deze kinderen bij geboorte vaak microcefalie, sterk gekrompen hersenen die niet goed zijn aangelegd. Als ze dat overleven, zijn ze vaak ernstig geretardeerd. Die komen niet veel verder dan kasplant zijn’, benoemt ze.
Ook dat is een onderschat aspect van infecties waartegen men vaccineert, zeggen medici die je erover spreekt. Sommige ziekten zijn niet zozeer dodelijk, maar slopen wel op andere manieren het lichaam. De Jong wijst op de tijd dat kinderen met loopbeugels liepen (polio), er doven- en blindeninstituten waren (rodehond, polio) en mensen een pokdalige huid hadden (pokken). Getekend door de infectieziekten die door vaccinatie grotendeels zijn weggewist. ‘Mensen zijn geneigd dat te vergeten.’
Rodehond zelf is een nogal milde, griepachtige kinderziekte die zelden dodelijk is: tussen 1950 en 1995 zijn slechts zeventien sterfgevallen bekend. Maar de hoge besmettelijkheid is verraderlijk. Bij een epidemie in de winter van 2004-2005 onder orthodox-christelijke schoolkinderen in Twente, Zeeland en op de Veluwe raakten 32 zwangere vrouwen besmet. Het gruwelijke gevolg: twee spontane miskramen en elf kinderen met ernstige geboortedefecten.
‘Ik weet niet of je dit wel wilt horen. Dit zijn heel nare verhalen’, waarschuwt kinderarts Mirjam van Veen (Juliana Kinderziekenhuis) door de telefoon. We dringen aan. Van Veen vertelt toch.
‘Het begint met wat koorts, suf worden. Sommige kinderen krijgen convulsies, stuiptrekkingen. Als zo’n kind bij ons komt, zien we soms dat de nek stijf is. Er kunnen problemen ontstaan met de circulatie, de bloedsomloop, waardoor de zuurstoftoevoer naar de hersenen daalt en het kind buiten bewustzijn kan raken. In zeldzame gevallen kan de doorbloeding naar de vingers, tenen, armen en benen haperen, waardoor de ledematen blauw en zwart worden en de kinderen ledematen moeten inleveren.
‘We proberen zo’n kind te stabiliseren en over te plaatsen naar een kinder-intensivecare in een academisch ziekenhuis. Vaak wordt het kind daar aan de beademing gelegd en in slaap gehouden. Maar het houdt een keer op. Als de behandeling faalt, kan een situatie ontstaan die niet met het leven verenigbaar is. Het hart geeft het dan op. Je kunt ’s ochtends ziek worden en ’s avonds overlijden.’
Meningokokken, heet de bacterie die, in vier ‘families’ ofwel serogroepen, vaak verantwoordelijk is voor de horrorziekte. In de regel is de bacterie een onschuldige gast die meelift in de neus. Maar ruim honderd keer per jaar dringt de verstekeling het lichaam in en ontstaat er meningokokkenziekte, meestal bij peuters, tieners of 60-plussers.
Vaststaat dat vaccinatie dat aantal zieken dempt: vóór de vaccinaties waren er zo’n zevenhonderd gevallen per jaar. In de jaren 2015-2018 was er een opleving van meningokokken type W. In allerijl werd het vaccineren uitgebreid. Het aantal gevallen decimeerde, van ongeveer honderd naar zo’n vijf per jaar nu.
Dat bewijst ook hoe snel vaccineren weer op gang kan komen als ouders opeens van een ziekte opschrikken. ‘De campagne van het RIVM, met ouders die vertelden over hun kind dat op kampeervakantie opeens overleed, was erg succesvol’, zegt Caroline Schouten, jeugdarts in Leiden. ‘Mensen stonden hier tot over de brug in de rij om het vaccin te halen.’
Tegen dertien infectieziekten prikt men nu in het Rijksvaccinatieprogramma, verdeeld over negen rondes, van zuigeling tot tiener. Mooi en aardig, maar hoe zit het met ernstige bijwerkingen?
Dát kindervaccins in zeldzame gevallen ernstige bijwerkingen kunnen krijgen – meer dan wat koorts of pijn in de arm – staat vast. Maar in de regel zijn die ‘goed te behandelen en niet dodelijk’, zegt kinderarts Bruijning. Bovendien zijn de aantallen laag. Zo rapporteerde bijwerkingencentrum Lareb vorig jaar in totaal 27 meldingen van mogelijke ernstige bijwerkingen na kindervaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma. Jaarlijks worden zo’n 2,9 miljoen vaccins gezet.
Bij nadere inspectie blijven er van die 27 maar elf over als echt mogelijk gevolg van het vaccin. Bij de baby’s die een ernstige medische crisis doormaakten na vaccinatie zat er bijvoorbeeld een die uitgedroogd raakte maar een norovirus bleek te hebben, een met huidinfectie en een die ziek werd van een enterovirus. Eén baby overleed kort na de vaccinatie. Het kind bleek echter besmet met corona.
Twee kinderen kregen tijdelijk bloedplaatjestekort, drie hadden een ‘wegraking’ en vier kregen koortsstuipen, wél bekende zeer zeldzame bijwerkingen. Vier kinderen kregen een epileptische aanval. Vaccinaties kunnen geen epilepsie veroorzaken, wel een epileptische aanval uitlokken.
‘Meldingen van ernstige bijwerkingen krijgen we niet veel’, benadrukt directeur Agnes Kant van Lareb. ‘Meestal is er sprake van iets anders. En overlijdens zien we gelukkig nagenoeg niet.’
In de ziekenhuizen herkennen kinderartsen dat beeld. ‘We zien weleens baby’s met een dik armpje na vaccinatie, maar echt ernstige bijwerkingen heb ik hier persoonlijk nog nooit gezien’, zegt Fraaij. ‘Als ik dit zeg, geloven mensen het soms niet. Maar toch is dat het eerlijke antwoord.’
Bij de onlineversie van dit artikel: bof, kinkhoest, rota, hib-ziekte
‘Dit zijn dramatische gevallen’, zegt Catherine de Jong. ‘Je ziet een pasgeboren baby, dat borstkastje nog helemaal zacht, dat ligt te hoesten en te hoesten tot het kind blauw aanloopt. In die fase hebben wij als artsen weinig meer te bieden. Er is niets zo triest als een baby’tje zien dat de longen uit het lijf ligt te hoesten.’
Zo’n vijf- tot tienduizend keer per jaar wordt de kinkhoest oftewel pertussis formeel aangemeld, en elk jaar overlijdt er ergens in Nederland wel een zuigeling aan de gevolgen (dit jaar staat de teller op vier). Van de patiëntjes die met pertussis bij de dokter komen, is 85 procent ongevaccineerd. Een teken, dat vaccinatie de ziekte in toom houdt. Dat blijkt ook uit iets anders: vóór invoer van het kinkhoestvaccin in 1957, kwamen jaarlijks niet enkele, maar zo’n 200 kinderen door de bacterie om het leven.
Ingewikkeld met kinkhoest: de bacterie komt niet uit een ver land, maar gaat dikwijls gewoon al rond bij volwassenen, die hem kunnen overdragen op nog onbeschermde zuigelingen. Sinds eind 2019 is er dan ook een ’22-wekenvaccin’ voor zwangere vrouwen: de baby komt dan al met bescherming tegen kinkhoest, difterie en tetanus ter wereld.
Een onderschatte kant van vaccinatie, vindt Postma, is de bescherming die de inenting ánderen kan bieden. ‘Ik vind vaccintwijfel niet op voorhand slecht en heb er alle begrip voor dat mensen er goed over nadenken’, zegt Postma. ‘Maar een belangrijk argument dat nogal eens wordt vergeten, vind ik de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Sommige vaccins helpen ook anderen te beschermen.’
Ineens was er afgelopen zomer een uitbraak in Den Haag: op een basisschool hadden zeven kinderen en twee volwassenen de bof. De ziekte verspreidde zich. In totaal kregen 22 mensen de ziekte. Van de vijftien zieke kinderen waren de meeste (negen) niet gevaccineerd.
Belachelijke ziekte eigenlijk: welk virus besmet nou uitgerekend de grote speekselklier bij het oor, met als gevolg een opvallende, pijnlijke zwelling ter plekke? Het bofvirus, een ‘paramyxovirus’ verwant aan parainfluenza, voelt zich er thuis. Dat is doorgaans niet heel erg: bij de meeste jonge kinderen verloopt de besmetting zelfs onopgemerkt. De rest krijgt een grieperige ziekte, met koorts en hoofdpijn.
Vandaar dat de bof pas laat, in 1987, in het Rijksvaccinatieprogramma kwam. ‘Een meestal lichte, maar toch niet altijd onschuldige infectieziekte’, zo benoemde de Gezondheidsraad de bof in 1984 in een advies. Want nog altijd kwamen er jaarlijks 400 tot 450 kinderen met complicaties zoals hersenvlies- of teelbalontsteking in het ziekenhuis, signaleerde de Raad.
En vlak ook bij de bof de geniepige langetermijngevolgen niet uit, zegt De Jong. Destijds was de bof de een veel voorkomende oorzaak van onvruchtbaarheid onder mannen, zegt ze. Een vervelend, blijvend gevolg van de toch al akelige ontsteking aan de teelballen.
De eerste tien jaar na 2000 leek de bof verdwenen. Maar in 2010 en 2011 waren er opeens weer zo’n zeshonderd gevallen per jaar. Ook de pandemiejaren lijkt het virus te hebben doorstaan: in 2022 waren er zeven gevallen, waarvan vier hoogstwaarschijnlijk opgelopen in Nederland. Inmiddels zijn er zo’n tien gevallen per maand.
Zonder vaccin kan het hard gaan, blijkt uit een haast achteloze opmerking van de Gezondheidsraad in 1984. ‘Een ander argument is dat per schooldag ongeveer duizend kinderen verzuimen door de bof’, aldus de Raad. ‘Afgezien van het menselijke leed als gevolg van de ziekte, is de factor kosteneffectiviteit van belang.’
Voor de ouders is het een ‘superstressvolle ervaring’, vertelt kinderarts-epidemioloog Patricia Bruijning (UMC Utrecht). ‘Het kind moet drinken en dat lukt niet. Elke keer komt de voeding eruit. En hoe je je best ook doet, je ziet de baby verslechteren.’
Op naar het ziekenhuis. ‘Sommige geef je vocht via een sonde, en zie je in een paar uur tijd weer opknappen. Maar soms werkt zelfs dat niet, is de maag te geprikkeld. Dan moet je ze een infuus geven. Als ze blijven braken, nemen we ze op. Dan blijven ze bij ons.’ Dat geldt ook voor die zeldzame gevallen waarbij de baby al erg is uitgedroogd. ‘Dan gaan alle alarmbellen af’, vertelt Bruijning. ‘Soms worden zulke kinderen op de intensive care opgenomen.’
Ziedaar ‘rota’, zoals kinderartsen zoals Bruijning losjes zeggen, een zeer besmettelijke darminfectie die haast ieder jong kind een of meerdere keren doormaakt. Jaarlijks belanden zo’n 3.600 kinderen met het virus in het ziekenhuis, en overlijden er rond de vijf. Plus dat er hardnekkige aanwijzing zijn dat de infectie samenhangt met het ontstaan van coeliakie en diabetes type-1, later in het leven.
Vandaar dat sinds januari van dit jaar een vaccin tegen rota wordt toegediend, onderbouwd door een nuchter advies van de Gezondheidsraad, maar dwars in tegen het bij vaccintwijfelaars gevoelde sentiment dat jonge kinderen wel erg veel prikken krijgen. Een van de vaste spotprenten van de (Amerikaanse) antivaccinatiebeweging: we zien een baby, die in 1986 nog werd omringd door maar een paar injectienaalden – en nu door 31 naalden en druppelpipetjes.
‘Ik snap dat sentiment volledig’, zegt hoogleraar Postma. ‘Als 60-plusser krijg ik ook al vijf prikken. En eigenlijk is dat teveel.’ De oplossing, denkt hij: combinatievaccins, zodat men in elk geval niet keer op keer naar huisarts, consultatiebureau of GGD moet.
Hoewel de naam anders doet vermoeden, heeft ‘haemophilus influenzae type b’ niets te maken met de griep. De ziekmaker, ‘hib’ in het kort, is niet eens een virus zoals de veroorzaker van griep, maar een bacterie.
Wel een bacterie die kinderen vreselijk ziek kan maken, met bloedvergiftiging, hersenvliesontsteking en de nare aandoening ‘epiglottitis’, ontsteking van het strottenklepje, achterin de keel. ‘Kinderen die dit hebben, kunnen stikken door afsluiting van de luchtpijp’, vertelt Bruijning.
‘Een vreselijke rotziekte’, noemt ook Fraaij hib-ziekte. ‘Het strottenhoofdklepje kan heel groot en dik worden, wat benauwdheid geeft. En intuberen is moeilijk, het klepje kan opeens dichtslaan. Los nog van de vreselijke hersenontsteking die je erbij kunt krijgen, met abcessen in het hoofd’, zegt de kinderarts, die enkele keren een hib-achtig ziektebeeld zag.
Vóór de inenting tegen hib-ziekte, vanaf 1993, werden jaarlijks zo’n 800 kinderen van onder de 5 jaar ernstig ziek, van wie er elk jaar meerdere overleden en zo'n 30 ernstig gehandicapt raakten, met verschijnselen als doofheid, verlamming of geestelijke handicaps. Inmiddels zijn er rond de vijftig patiëntjes per jaar, van wie zo’n 80 procent ongevaccineerd.
Dat bewijst al: de bacterie sluipt nog rond in Nederland. Het vaccin wordt in ons land toegediend in combinatie met de prik tegen de leverziekte hepatitis-B, de longziekte veroorzakende pneumokokken en met die tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio.
Over de auteur
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, met als specialismen microleven, klimaat, archeologie en gentech.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant