column Sarah Sluimer
Soms heb ik zorgen om een vriend. Je spreekt af op een terras, de zon komt dichterbij dan de afgelopen maanden, de pijpen worden eens een keertje extra omgeslagen en opeens zie je: er komen wel erg magere enkeltjes onder die broek vandaan. ‘Het lijken wel kinderbeentjes’, denk je onwillekeurig en gaat verder met het gesprek, om ’s nachts zwetend wakker te schieten en je te realiseren dat je de vriend niet één keer hebt zien lachen, terwijl hij normaal gesproken, nu ja, soms gaat het richting bulderen of zelfs onbedwingbaar hinniken, maar pret wordt er in ieder geval altijd gemaakt. En dan herinner je je opeens de lichtgrijze schaduw onder zijn ogen, zijn afgekloven vingernagels, de afwezige blik.
Het knaagt. De nacht duurt voort en de wallen worden paarse zakken, de vingers rottende klauwen, de blik maniakaal. De vriend is niet langer je vriend, maar dokter Caligari.
De dag breekt aan. Ik begin te inventariseren of ik medestanders heb, want naast het feit dat de vriend onmiddellijk gered moet worden, wil ik ook mijn voortvarendheid aan meer mensen dan Willem en onze kat Tommie tonen.
Daarna, of ik die allies nou gevonden heb of niet, zet ik iets in gang. Een koffieafspraak, een etentje, kom maar bij ons, kom maar op die logeerkamer liggen, laat je maar helemaal gaan.
Pas veel te laat kom ik er, iedere keer opnieuw, achter dat het een naïef idee is om de last van anderen zo te willen dragen. Ik deed het als kind al. ‘Het herdershondje’ noemden ze mij vertederd, omdat ik altijd paniekerig controleerde of iedereen aanwezig en in orde was.
Een paar jaar geleden organiseerde ik nog een interventie, inclusief een keur aan sandwiches. Het leverde niemand echt iets op.
„Je draagt de last van de wereld op je schouders. Hör auf damit”, zei mijn lerares Duits toen ik haar kwam vertellen dat ik me zorgen maakte om een klasgenoot die zich uithongerde.
Dat zorgelijke gedoe kent zijn oorsprong in mijn kindertijd. Toen was het een overlevingsstrategie. Ik was de monitor van het gemoed van mijn ouders. Als zij verdrietig of kwaad waren, en dat gebeurde vaak, dan was het óf mijn schuld óf aan mij om daar iets aan te doen.
Dat principe is getransformeerd in angst voor instabiliteit, voor alles wat afwijkt van het idee: mensen in het licht, blakend, het leven is heerlijk. Het is nodig willen zijn, bestaansrecht claimen, vriendschappen controleren, denken dat je liefde waard bent wanneer je anderen opvangt.
Willem houdt zich aan het ideaal van de gentleman die altijd voor je zal rijden, mensen in nood goedmoedig ‘makker’ noemt, een fles wijn opentrekt en luistert, meisjes op straat naar binnen loodst als ze belaagd worden, maar hij rent je niet gillend tegemoet met een brandblusdeken. En mensen vinden dat, geloof ik, best prettig.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC