Home

Bedrijven klagen steen en been over het vestigingsklimaat. Is het echt zo slecht?

De afgelopen maanden zwol het koor klagende bazen van grote ondernemingen gestaag aan. Bestuurder na bestuurder waarschuwde in interviews voor het effect van de anti-migratiestemming in het land. Onze economie kan niet zonder arbeidsmigranten, zeiden ze, in een openlijke poging het formatieproces tussen immigratie-kritische politieke partijen bij te sturen.

De ‘alarmbelfase’ is nu overgegaan in die van dreigementen. Verschillende bazen van grote bedrijven kondigden deze week aan te overwegen de groei van hun bedrijf verder in het buitenland te laten gebeuren (chipmachinefabrikant ASML) of het hoofdkantoor te verplaatsen (baggeraar Boskalis naar Abu Dhabi). Verzekeraar Aegon kondigde vorig jaar al aan op papier naar Bermuda te gaan. De verschillen tussen de bedrijven zijn groot, maar de boodschap opmerkelijk overeenkomstig van toon. Allemaal wijzen ze naar een verslechterd ondernemingsklimaat in Nederland.

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Hebben ze een punt? Volgens de statistieken niet. In alle toonaangevende internationale onderzoeken scoort Nederland nog altijd uiterst goed als plaats om te investeren en te ondernemen. De infrastructuur, ook de digitale, is goed ontwikkeld. Er zijn hoogopgeleide mensen voorhanden en de kwaliteit van leven wordt als zeer hoog beschouwd. Dat blijkt onder meer uit het Future of Growth Report van het World Economic Forum en de ranking van de Zwitserse businessschool IMD. De Nederlandse Monitor Ondernemingsklimaat 2023 signaleert wel dat het vestigingsklimaat onder druk staat.

Maar Nederland is nog altijd een topplek om te ondernemen. En met onze Belastingdienst zijn afspraken te maken. Dat vinden bedrijven ook prettig.

Dat wil niet zeggen dat er niets aan de hand is en de topbestuurders louter mopperen omdat een formatie de tijd is om druk uit te oefenen. „De politiek heeft zelf aanleiding gegeven”, zegt hoogleraar ondernemingsfinanciering en financiële markten Arnoud Boot van de UvA. Hij schreef afgelopen jaar mee aan een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over de verhouding tussen de overheid en ondernemingen.

Ook zijn collega Henk Volberda, hoogleraar strategie en innovatie aan de UvA en co-auteur van de Monitor Ondernemingsklimaat, wijst erop dat de monitor in april 2023 is uitgevoerd. „Toen hadden we nog een kabinet. En er is sindsdien wel wat gebeurd.”

De kiem van alle wrevel ligt op donderdag 26 oktober. Toen stemde de Tweede Kamer in een marathonsessie over een enorm pakket moties en amendementen. Er werd tussen de partijen over allerlei stokpaardjes handjeklap gedaan. Dat gold onder meer voor een verdere versobering van de expatregeling, die buitenlandse werknemers een belastingvoordeel geeft. Ook werd gestemd voor het belasten van de inkoop van eigen aandelen.

Los daarvan is er waarschijnlijk een Kamermeerderheid voor het verder versoberen van de ‘innovatiebox’. Dat is een lagere belasting op winsten uit innovaties. En hetzelfde geldt voor het Groeifonds (investeringsfonds van de overheid), dat de Kamer al on hold heeft gezet. Ook gaat de rem op het Engelstalig hoger onderwijs. „Als wij weer dijken om Nederland gaan bouwen krijgen we minder kennismigratie”, zegt Volberda. Hij wijst op het hoge percentage studenten van de Technische Universiteit Eindhoven dat doorstroomt naar de chipbedrijven in de regio. „Ik heb het idee dat bij beleidskeuzes het vestigingsklimaat niet wordt meegenomen.”

De manier waarop dat die avond en nacht in oktober is gegaan, is precies hoe het niet moet, zeggen beiden. Boot: „Als je er als volwassen democratie op een achternamiddag allerlei voorstellen doorheen gaat jassen, word je als overheid onbetrouwbaar.” De voorstellen kunnen inhoudelijk zinvol zijn of zelfs goed, maar de manier waarop de besluitvorming tot stand komt is dat volgens hem niet. „Willekeur in de besluitvoering zorgt voor onzekerheid. En het bedrijfsleven is bij één ding gebaat, voorspelbaarheid.”

Investeringen worden voor de lange termijn gedaan, stelt Henk Volberda. Dan draait voor bedrijven alles om zekerheid. Ten onrechte wordt volgens hem nog vaak gedacht dat in de bestuurskamers alleen wordt gekeken naar de hoogte van belastingen. „Het is geen race to the bottom.” Het Nederlands beleid is er inmiddels al weer jaren op gericht échte hoofdkantoren te trekken, geen brievenbussen.

Buiten de betrouwbaarheid mag er van Volberda wel een schepje bovenop. „We hebben een actief eigen industriebeleid nodig en moeten bepalen met welke sectoren Nederland in 2030 zijn boterham wil verdienen.” Daar hoort ook bij: besluiten waar we mee stoppen. Hij geeft als voorbeeld de glastuinbouw die veel fysieke ruimte vergt en die „hoofdzakelijk draait op Oost-Europeanen die een beroep doen op onze voorzieningen”. „Die sector kán ook innovatief zijn, maar nu is de factor arbeid zo goedkoop dat er veel te weinig geïnvesteerd wordt. En de niet-circulaire landbouw wordt nog behoorlijk gesubsidieerd.”

De gang van zaken op 26 oktober heeft topbestuurders munitie gegeven om het ondernemingsklimaat in Nederland ter discussie te stellen. En dat doen ze nu luidkeels. Boot: „Die stupide houding van de politiek, want dat is het wel, geeft die bedrijven een excuus om met opgeheven hoofd te zeggen: we gaan. Terwijl de onderliggende reden vaak een ander is.”

Intussen valt op dat de klachten met name komen van succesvolle winstgevende bedrijven. Hun winsten zijn het afgelopen jaar gestegen, blijkt uit de recente jaarcijfers. Daar ligt het dus niet aan.

Boot: „Bij Boskalis moet je je afvragen: heeft dat met ondernemingsklimaat te maken? Of hoeven ze met een vestiging buiten de EU niet te voldoen aan allerlei basale milieu- en mensenrechten?” Hij vermoedt het laatste en wijst erop hoe gemakkelijk het bedrijf te verplaatsen is. Ook de keuze van Shell voor het Verenigd Koninkrijk na Brexit kun je in dat licht zien, zegt Boot. Het kon heel gemakkelijk. „En door in het Verenigd Koninkrijk te gaan zitten, kunnen ze zich beter onttrekken aan de duurzaamheidsdiscussie.” Over de motieven van Aegon om te vertrekken is hij vernietigend. „Het is formeel een Nederlands bedrijf, maar vrijwel zonder Nederlandse activiteiten. In Amerika komen ze weg met de verkoop van buitengewoon slechte producten, een soort woekerpolissen, waar je hier niet meer aan zou moeten denken.”

De meeste aandacht gaat terecht uit naar ASML, de grote trots van Nederland en een bedrijf waarvan onomstotelijk vaststaat dat Nederland het niet wil verliezen. Dat gebeurt ook niet, zegt Boot, daar is geen operatie Beethoven voor nodig. Dat is de codenaam voor het ministerieel topoverleg dat voor ASML is opgetuigd. Hij wijst erop dat ASML onvergelijkbaar is met een in wezen varend bedrijf als Boskalis. Het hele ecosysteem van ASML zit in Veldhoven. Dat laat onverlet dat het verstandig kan zijn aan risicospreiding te doen door ook op een tweede Europese locatie te bouwen.

De wrevel en het ongemak van de topbestuurders heeft nog een oorzaak. Door de politieke verschuivingen en de versplintering van het politieke landschap zijn ze onzekerder over hun relatie met de macht. Tot nu toe konden ze de premier gewoon bellen en sms-en. Uit het WRR-rapport blijkt ook hoezeer de overheid de afgelopen decennia met bestaande bedrijven en hun belangen meebewoog.

Co-auteur Boot: „Klefheid, het bestaande uit de wind houden, heeft het Nederlands beleid lang gekarakteriseerd.” Dat kan ook verstikkend werken. Hij geeft Philips als voorbeeld, dat een innige relatie met Den Haag had. „Toen het wegging uit Eindhoven kwamen anderen tot bloei.”

Hoe is dat straks? Niet elk vertrekkend bedrijf is gelijk een ramp. Boot: „Kijk naar de echte redenen. Blijf genuanceerd. En ben voorspelbaar als overheid.”

En houd op met bedrijfsleven pesten’, benadrukt hij. „Die donderdagmiddag 26 oktober is een soort omslag gemaakt van klef meebewegen naar pesten. Nu zijn politici in Den Haag naar de andere kant doorgeslagen.”

Met medewerking van de economieredactie.

Source: NRC

Previous

Next