Home

Deze dikke laag gelijkmatig uitgesmeerd ongemak vindt plaats met wederzijds en stilzwijgend begrip

In het gebouw waar deze krant gehuisvest is, bevindt zich een vervelende hal. De hal is een meter of 100 lang en ligt tussen de receptie en de lift naar de redacties. Omdat het café nog vóór de receptie ligt, moet je elke keer als je fatsoenlijke koffie wilt, de lift naar beneden nemen, de hal uitlopen, de toegangspoortjes door en daarna weer helemaal terug. De afstand is niet het ergst. Sommigen vinden dat zelfs fijn, want dan hebben ze even ‘een loopje’.

Het ergst aan de hal is dat je steeds in situaties terechtkomt waarbij jij aan de ene kant van de hal loopt en iemand die je goed/matig/vagelijk kent aan de andere kant en je tientallen seconden lang naar elkaar toeloopt en er een moment gaat komen wanneer je elkaar ziet en elkaar even groet, maar wanneer is dat en wanneer begin je met zwaaien en wanneer doe je alsof je niet meer op je telefoon kijkt en wanneer knik je en wanneer wordt het leven gewoon een keer makkelijk?

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Deze dikke laag gelijkmatig uitgesmeerd ongemak vindt ook plaats als je allebei dezelfde kant op moet, maar niet echt zin hebt in een gesprek. Vaak gaat de een dan net een paar passen harder lopen dan de ander. Dat gebeurt met wederzijds en stilzwijgend begrip. Je moet niet alles altijd maar benoemen.

Zoals ik. Ik had koffie gehaald en liep achter twee collega’s die met elkaar in gesprek waren. Ik wilde niet deelnemen aan dat gesprek, maar ik wilde ze wel inhalen. ‘Ik ga jullie even inhalen’, zei ik, terwijl ik voorbij liep, ‘dan weten jullie dat.’

De ene collega zei niets, maar de ander liet dit niet over zijn kant gaan. ‘O ja’, zei hij, ‘dan komen we elkaar zo bij de lift weer tegen.’ Daar had ik nog niet aan gedacht. ‘Inderdaad’, zei ik. Ik liep inmiddels twee meter voor ze, dus moest mijn nek draaien om in contact te blijven, ‘net zoals je iemand op de fiets heel inhaalt en dan bij het stoplicht weer samen staat te wachten.’ Iedereen lachen, natuurlijk. Ja. ‘Maar’, zei dezelfde collega, ‘nu ben je dus toch met ons aan het praten.’

Op deze meta-oorlogsvoering had ik niet gerekend. ‘Laat allemaal maar zitten’, mompelde ik. Ik vertraagde, voegde me bij de collega’s en liep samen met ze naar de lift. ‘Dit is dan wel weer een column’, zei de ene collega. De ander had nog niets gezegd. ‘Dan heb ik nog honderd woorden nodig’, zei ik, terwijl ik op het liftknopje drukte.

‘Misschien’, zei de spraakzame collega tegen de niet-spraakzame collega, ‘kun jij nu even iets gevats zeggen.’ Van onder zijn borstelige wenkbrauwen keek hij me onbewogen aan. ‘Nee’, zei hij, ‘hij legt me vast wel wat woorden in de mond. Zo doen al die columnisten dat.’

Source: Volkskrant

Previous

Next