Jan Lolke Meinema is 100 jaar. Hoe kijkt deze oersterke Fries aan tegen de eeuw die achter hem ligt?
Jan Lolke Meinema lijkt onverwoestbaar. De geboren en getogen Fries heeft meerdere herseninfarcten goed doorstaan, waarvan drie in de afgelopen drie maanden. Een eerdere afspraak voor een interview half februari kon niet doorgaan, omdat Meinema die ochtend opnieuw was geveld door een TIA. Nog geen twee weken later belde zijn oudste zoon Hette met een onverwachte boodschap: ‘Mijn vader is weer opgeknapt en wil een nieuwe afspraak maken.’ Met geduld en wilskracht vindt de 100-jarige de woorden die hij zoekt. Zijn vrouw Aafke (94) vult zijn verhaal hier en daar aan.
(Met een verlegen lachje:) ‘Met goed eten, slapen en elke dag een borreltje kom je ver.’
Aafke: ‘Borreltjes neem je niet meer, wel af en toe een glas witte wijn.’
Jan Lolke: ‘Ik ben een paar keer zomaar ineens weggeweest. In december gebeurde het in de zaal van de dagopvang, waar ik toen nog twee keer per week naartoe ging. Ik hoorde iemand roepen: ‘Je moet naar meneer Meinema komen, hij wordt niet goed.’’
Aafke: ‘Hij gaat nu niet meer naar de dagopvang, veel te druk. Er zijn negen vrouwen en met hem erbij twee mannen. Hij noemde het een kippenhok.’
Jan Lolke maakt van zijn rechterhand een snavel en beweegt die open en dicht: ‘Kwek, kwek, kwek, kwek.’
‘Alle kinderen en kleinkinderen, we hebben er 46 in totaal, met aanhang erbij. En Aafke. In mei zijn we 74 jaar getrouwd. Elke ochtend na het ontbijt spelen we twee of drie potjes Rummikub. Als er ’s avonds een quiz is op de televisie, doen we mee. Mijn kleinzoon Sander van 28 komt elke week een potje dammen. Dat vind ik prachtig. Hij wint in hoofdzaak van mij, maar dat maakt niet uit. Ik kijk overdag ook veel uit het raam. Dan tel ik hoeveel mensen passeren. Vandaag waren het er honderd. Sinds de laatste TIA gaat lezen niet zo goed meer. We hebben een abonnement op het Friesch Dagblad. Nu vertelt Aafke mij over het nieuws in de krant. Ik wil graag weten wat er gebeurt in de wereld.’
‘Alle oorlogen die gevoerd worden. Het ziet er niet best uit. Ik volg de berichten en leef in spanning mee. Voor Oekraïne zie ik het donker in. Het had meteen veel meer wapensteun moeten krijgen. Ik heb het er moeilijk mee dat Rusland aan de winnende hand lijkt. Poetin geeft er niks om hoeveel soldaten doodgaan, hij heeft er miljoenen. Ik had zo graag vrede op de wereld gewild.’
‘De atoombom. Als die wordt gebruikt, gaat het heel vlug. De atoombom op Hiroshima was verschrikkelijk, maar daarmee kwam wel een einde aan de Tweede Wereldoorlog.’
‘De laatste tijd droom ik elke nacht over de dingen die gebeurd zijn in mijn leven. Dan tref ik heel veel oude bekenden, en praat ik met ze. Het zijn hoofdzakelijk mensen uit het dorp, uit Metslawier, waar ik geboren ben en het langste heb gewoond. Als ik wakker word, vertel ik Aafke wie ik in mijn droom heb ontmoet.’
Aafke: ‘Dan zeg ik: heb je die ook weer eens gezien.’
‘Ik ben drie keer op de vlucht geweest voor de Duitsers, om te ontkomen aan dwangarbeid. We kregen een seintje als er razzia’s waren. Dan ging ik een eind verderop in het veld slapen, in een kuil die ik had gegraven. De ondergrondse zocht in 1943, toen er een algemene oproep kwam voor tewerkstelling in Duitsland, een plek voor mij om onder te duiken. Ik kon terecht bij een boer in Driezum, overdag werkte ik op zijn bedrijf.
‘In Metslawier waren een paar verraders die rondjes fietsten om te kijken of ergens nog jongens waren die de oproep hadden genegeerd. Ik weet hun namen nog: Geart, Jitze en Jelle. Jelle liep een beetje mank. Ze lichtten de Duitsers in waar ze jonge mannen hadden gezien of gehoord. ’s Avonds, als alle ramen verduisterd waren, gingen ze boerderijen en huizen langs en legden hun oor op het raam.
‘Niet één van mijn zeven broers is in Duitsland terechtgekomen. Eén broer, Ale, zat bij de ondergrondse. Alleen mijn ouders wisten ervan. Als op Radio Oranje werd gezegd: ‘De worm heeft rode haren’, wist hij dat er wapens gedropt zouden worden in de buurt. Net zoals mijn vader en ik, kon Ale gauw kwaad worden. Als er gewaarschuwd werd voor een razzia, dan riep hij: ‘Als ze bij ons aan de deur komen, schiet ik ze allemaal dood.’ ‘Niet doen’, zei mijn vader, ‘want dan gaan we er allemaal aan.’
‘Er kwamen ook weleens Duitse soldaten bij ons in huis, waarom weet ik niet meer. Er zat er één bij die Het Wilhelmus speelde op ons orgel.’
Aafke: ‘Het waren ook maar jongens die de oorlog in gestuurd waren. Er zaten ook goede bij.’
‘Ik had zeven broers en drie zussen. Ik ben de enige die nog leeft. Dat is een vreemd gevoel. We aten twee keer per dag warm. De eerste warme maaltijd was om half 10. Bijna iedereen was boer in die tijd, en boeren stonden elke dag heel vroeg op. Ik moest al op mijn 14de aan het werk, als knecht bij een boer die mijn vader voor mij had uitgezocht, Tjeerd Zijlstra. Aardappelen en bieten rooien en de koeien melken – alles met de hand. Ik moest elke dag om 4 uur in de ochtend beginnen en werkte tien à twaalf uur per dag, voor 3 gulden in de week. Alleen op zondag was ik vrij, hoewel, ook dan moest ik de koeien komen melken. Je had helemaal niets te zeggen als boerenknecht.’
‘We hadden niets te klagen. Alleen de oudste zoon en dochter kregen nieuwe kleren, de anderen droegen die af. Mijn vader had een klein akkerbouwbedrijf, met aardappelen, bieten, vlas en allerlei soorten tarwe. Zaaien deed hij met twee paarden, die twee grote bakken met pijpen tot aan de grond voorttrokken. Mijn ouders verkochten ook brandstoffen, zoals briketten en turf. Grote hoeveelheden bezorgde mijn vader met een handkar aan huis. Omdat dit alles te weinig inkomsten gaf, werkte hij ook als knecht bij een andere boer.
‘Als kinderen hielpen we met alles mee. Om rond te komen moesten we alle twaalf vanaf ons 14de betaald werk doen. De jongens bij een boer, de meisjes in het huishouden bij anderen – behalve mijn oudste zus Eke, zij moest thuis helpen. Ons loon moesten we inleveren bij onze ouders. Dat was normaal in die tijd.
‘Mijn moeder was altijd aardig, ik heb haar nooit horen klagen. Ze had voor alle kinderen aandacht en je kon goed met haar praten. Mijn vader kon wel boos worden, maar we hebben praktisch nooit slaag gehad.’
‘Er was ook tijd om te voetballen, kaatsen en tipeljen. Tipeljen is een spel waarbij je een plankje dat over een kuiltje ligt met een stok zo ver mogelijk moet zien weg te slaan. In de winter ging ik elke dag schaatsen na het melken, bij het licht van de maan, op platte houten schaatsen. De winters waren in die tijd lang en veel kouder dan nu; je kon elk jaar wel vier weken achter elkaar schaatsen.’
‘De natuur verandert. We hebben vier jaargetijden, maar ze lijken steeds meer op elkaar.’
‘Ik ben heel wat jaartjes boerenknecht geweest. Toen ik in 1950 met Aafke trouwde, kon ik de vaste melker worden van een boer. Zes jaar later nam ik het bedrijfje van mijn vader in Metslawier over. Dat was niet genoeg om van te bestaan met een gezin met vier kinderen, dus ging ik het weekend melken bij andere boeren. Na een paar jaar moest ik stoppen, omdat ik pijn kreeg in mijn rug. Ik heb een jaar bij het raam met een corset aan op bed bij gelegen.’
Aafke: ‘Je had een hernia.’
Jan Lolke: ‘Na mijn herstel ben ik kranten gaan bezorgen: het Friesch Dagblad, de Leeuwarder Courant, Dockumer Courant, Trouw, NCRV-gids en de kerkbode. Mooi werk. Allemaal op de fiets, auto heb ik nooit leren rijden. Ik moet erbij zeggen: de vrouw werkte mee, ze deed evenveel kranten als ik. Elke maand ging ik de deuren langs met kwitanties, om het abonnementsgeld op te halen. Dan fietste ik rond met een tas vol geld.’
‘We hadden ook een thee- en koffiehandel van het merk Insulinde. De voorraad lag in een bedstee. Op de fiets ging ik ermee de deuren langs. Na verloop van tijd had ik vaste klanten, dat maakte het makkelijker. Ook verkochten we flessen butagas aan huis.’
Aafke: ‘En we waren beheerder van de sporthal. Iedere avond het lokaal schoonmaken.’
Jan Lolke: ‘Dat waren mooie inkomsten, 400 gulden per maand.’
‘Ik heb er nooit last van gehad.’
geboren: 8 juni 1923 in Metslawier
woont: zelfstandig, in Burgum
beroep: boerenknecht, boer, krantenbezorger, verkoper, conciërge
familie: zijn vrouw Aafke (94), 4 kinderen (een dochter overleden), 11 kleinkinderen en 18 achterkleinkinderen
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Antwoord op al uw vragen
Updates, wijzigingen en klachten
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden