Ze klom op van straatagent in Deventer tot hoogste baas van de hele eenheid Oost-Nederland. Sinds vrijdag zwaait Janny Knol als nieuwe – en eerste vrouwelijke – korpschef de scepter over de Nationale Politie. ‘Dat is een grote verantwoordelijkheid. Je wordt deels publiek bezit.’
Ze pakte discriminatie bij de politie keihard aan. Zodra Janny Knol vorig jaar het beruchte ‘Parijs-filmpje’ zag, waarin politiemensen uit haar eenheid Oost-Nederland in een bus na een voetbalwedstrijd in Parijs racistische opmerkingen maakten, stelde ze de betrokkenen direct buiten functie.
‘Dat diende twee doelen’, vertelt Knol in het hoofdbureau in Den Haag – haar nieuwe werkplek sinds ze donderdag tot hoogste politiebaas werd benoemd: ‘Ik wilde niet dat deze collega’s, met zulke opmerkingen, de volgende dag weer gewoon als agent in de samenleving zouden staan. En tegelijkertijd werden ze zo ook beschermd tegen het rumoer dat het in de samenleving had veroorzaakt.’
Over de auteur
Wil Thijssen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant. Zij schrijft wekelijks de politieserie Die ene melding. Eerder was zij economieredacteur en reisjournalist.
‘Dat was voor mij op dat moment niet relevant. Zulke opmerkingen zijn onder alle omstandigheden onacceptabel. Dit is niet de politie die we willen zijn. Wat daar werd gezegd, raakt intens aan de waarden waar ik voor sta. Iedereen mag er zijn. Die opmerkingen waren onrechtvaardig, mensonwaardig en schaden het vertrouwen van de samenleving in de politie.’
‘Na dat omstreden filmpje heb ik direct in een online-bijeenkomst aan alle 125 chefs in mijn eenheid uitgelegd hoe en waarom ik had ingegrepen en gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen, want ik vind dat ik verantwoording moet afleggen aan mijn mensen. Vervolgens vroeg ik al deze leiders om dit ook binnen hun teams uit te leggen. Sanctioneren is één ding, maar dit gaat ook over bewustwording: als jij je zo gedraagt, ondermijnt dit het vertrouwen in de politie. Dat accepteer ik niet.’
Het incident had een grote impact binnen de eenheid, niet alleen voor de direct betrokkenen, vervolgt Knol. Het heeft ook veel gebracht. Het werd niet alleen in Oost-Nederland besproken, maar ook met politiechefs in andere eenheden. Ook wordt de kritische documentaire De blauwe familie, waarin politiemensen met een biculturele achtergrond vertellen hoe ze stelselmatig worden gediscrimineerd, nu aan alle nieuwe instromers op de Politieacademie vertoond, gevolgd door een gesprek over in- en uitsluiting.
‘Dat is niet mijn verdienste hoor, mijn collega binnen de korpsleiding, Liesbeth Huyzer, is hier al langer mee bezig en dat moeten we met z’n allen ondersteunen.’
Janny Knol (54, levensmotto: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan) is vanaf 1 maart de vierde korpschef sinds de 26 regionale politiekorpsen in 2012 tot Nationale Politie werden samengesmeed. Het vergroten van het vertrouwen van de samenleving in de politie is haar grootste speerpunt voor de komende jaren. Want in deze ‘woelige’ tijden met felle demonstraties, boerenprotesten, identiteitsdiscussies en polarisatie ‘moeten we ervoor waken dat politie en de samenleving niet tegenover elkaar komen te staan’.
Zo stelt ze niet alleen morele omgangsvormen binnen de politie ter discussie, maar ook omgangsvormen met de samenleving. ‘Ik vind het superbelangrijk dat we weten wat er in de maatschappij speelt. Wij kennen het concept ‘bondgenoten’ – samenwerken met de doelgroepen die in je werkgebied wonen, zoals boeren, de Marokkaanse gemeenschap of bijvoorbeeld mensen uit de Biblebelt. Die móét je kennen, zij moeten jou kennen, je moet weten wat voor hen belangrijk is en hoe die groepen zich tot elkaar verhouden. Tot dusver gold: die bondgenotenkennis kun je handig gebruiken, maar wat mij betreft wordt dat: die moet je gebruiken, je moet je met die groepen verbinden. De vrijblijvendheid gaat eraf.’
Haar doel is dat de politie weer doordringt in de haarvaten van de samenleving. ‘Het gaat er niet alleen om dát we ons werk doen, maar ook hóé we ons werk doen. Openstaan voor wat er leeft binnen de samenleving.’ Daarmee wil ze incidenten zoals het politieoptreden in Staphorst eind 2022, toen Kick Out Zwarte Piet-demonstranten onvoldoende tegen relschoppers werden beschermd, voorkomen, en het ontstane beeld van een partijdige politie corrigeren. ‘Het is belangrijk dat we bij zo’n optreden laten zien dat we alles en iedereen hebben gezien en gehoord’, benadrukt Knol, ‘en daarnaar handelen.’
‘Dit gaat niet alleen over meer middelen en mensen, maar ook over anders werken, je focus verleggen, keuzes maken. We moeten oppassen dat we niet alleen van melding naar melding rijden, maar ook de tijd nemen om na te denken over een oplossing op de lange termijn. Dat zie ik als mijn opdracht. We worden bijvoorbeeld veel met mensen met verward gedrag geconfronteerd, maar zijn daar helemaal niet voor opgeleid. Daarvoor is verbinding nodig met spelers uit je werkveld, zoals ouders, scholen, de hulpverlening en het lokaal bestuur. We moeten daarmee gesprekken aangaan over de vraag hoe we dat structureel kunnen aanpakken.’
‘Waar gebruiken we het strafrecht voor? Als er een droge klap valt tussen twee buren, gaan we daarop af en kan dat in het strafrecht belanden. Willen we dat? Is dat efficiënt? We moeten samen met het Openbaar Ministerie onderzoeken hoe het strafrecht daar wordt ingezet waar dit het hardst nodig is, zoals bij aantasting van de rechtsstaat door zware criminelen of door bijvoorbeeld milieu- of digitale criminaliteit.
‘Dat betekent dat preventie belangrijker wordt en dat je voor incidenten creatieve oplossingen moet bedenken. Denk bijvoorbeeld aan samenwerking met supermarkten in het terugdringen van diefstal bij zelfscankassa’s. En in Twente is enkele weken geleden een aantal jeugdagenten begonnen met het leggen van contacten op Instagram en in Telegram-groepen. Die stuitten daar op shame sexting-gesprekken en hebben daarop geïntervenieerd. En Oost-Nederland werkt sinds kort met een digitale meldkamer waar slachtoffers van digitale fraude en oplichting zich kunnen melden en zo sneller kunnen worden geholpen. Als zulke goede initiatieven werken, wil ik die ook in andere eenheden uitrollen.’
Opsporen is volgens Knol niet alleen reageren op incidenten, maar ook misstanden zien aankomen en voorkomen. Want alleen als de politie de wijk goed kent, stelt ze, krijg je zicht op jongeren die niet worden gecorrigeerd, die ontsporen en snel opklimmen in de criminele wereld. ‘Daar is nu eigenlijk geen toezicht op, zowel off- als online. Dat onderwerp staat prominent op mijn agenda.’
Stellig: ‘Ja. Onze recherche is echt top of the bill. We hebben de kennis, kunde, intelligentie en creativiteit in huis om die criminaliteit aan te pakken. Kijk naar al die ontsleutelde telefoonberichten, waardoor een niet-aflatende stroom aan criminelen wordt opgepakt. Internationaal staan we ook heel goed op de kaart. Dat betekent niet dat we rustig kunnen slapen; daar moeten we voortdurend scherp op zijn, maar we kunnen het zeker.’
Een andere manier van werken, zegt Knol, betekent ook dat de politie haar werkwijze steeds moet aanpassen aan de veranderende samenleving. ‘We moeten steeds kritisch durven kijken: past onze aanpak nog wel in de huidige tijd?’
Als voorbeeld noemt ze de manier waarop de politie nieuw personeel werft. ‘Daar hebben we een mooi proces voor en dat loopt hartstikke goed, maar we zien ook dat we niet alleen maar mensen van de grond af moeten opleiden. Het is ook nodig dat we deskundigen binnenhalen met bijvoorbeeld specifieke kennis van de financiële wereld, van de digitale wereld of van het milieu. De werving van zulke zij-instromers gebeurt nu ad hoc binnen de eenheden, maar we kunnen ook als collectief kijken waaraan behoefte is en hoe we zulke mensen structureel aan ons kunnen binden.’
‘Je ziet dat gemeenten daarin stappen zetten, ook Utrecht en Arnhem overwegen het. Ik heb daarover zelf nog geen standpunt ingenomen, ik ben ook pas net begonnen, hè. Hiervoor geldt dat de meningen uiteenlopen van absoluut niet tot absoluut wél en alles ertussenin. Dat gesprek zullen we te zijner tijd ook met elkaar moeten voeren.
‘Vorig jaar is overigens besloten dat agenten geen uitingen van geloof bij het uniform mogen dragen. In tegenstelling tot gemeenten geldt voor de politie dat de minister erover gaat. Niet ik.’
Knol begon in 1990 bij de politie als straatagent in Deventer. Daarna was ze onder meer docent aan de Politieacademie, teamchef, directeur Opsporing, projectleider High Impact Crime, districtschef en vervolgens de baas van de eenheid Oost-Nederland. Het thuisfront stond bij Knols benoeming tot het allerhoogste ambt van korpschef niet onverdeeld te juichen, erkent ze. ‘Mijn twee dochters van 16 en 18 vonden het geweldig, maar mijn vriendin ging niet gelijk de polonaise lopen. Want het betekent veel: minder thuis in Deventer zijn, een enorme verantwoordelijkheid en je bent ook deels publiek bezit, waarbij je soms als kop-van-jut het nieuws haalt dat niet altijd met applaus wordt begroet.’
Toch ging Janny Knol graag in op het verzoek van de minister om korpschef te worden, hoewel ze pas twee jaar geleden als eenheidsleider in Oost-Nederland werd aangesteld en ‘net lekker was ingewerkt’. Want, zegt ze, ‘ik zit vol ideeën en heb de ambitie om aan het roer te staan. En laten we wel wezen: het is natuurlijk ook een enorme eer.’
‘Ik ben van samen doen, van gedeeld leiderschap. En van vasthouden en niet loslaten. We signaleren als politie vaak een probleem, daar zijn we scherp op, maar in the end is het probleem er nog steeds. Ik vind dat je niet alleen problemen moet adresseren, maar ook kijken hoe we ons eraan kunnen committeren en dan stappen zetten. En je moet, net als in het gesprek over discriminatie, pijnpunten op tafel durven leggen, dat is soms spannend. Dus je moet ook een beetje lef hebben.’
‘O ja, zeggen ze dat?’
‘Ik wilde in dat tv-interview gewoon spontaan en authentiek reageren, en niet iets opzeggen wat ik van buiten had geleerd.
‘En dat aanpakken van Satudarah was gewoon professioneel. Daarna kwamen wat dreigende telefoontjes en werd mijn naam op onaangename wijze in graffiti gespoten in Enschede. Toen werd ik me er wel van bewust: mijn dochter, destijds 8, fietst zometeen van de sportclub naar huis en ik ben er niet; het zou toch wel heel vervelend zijn als die gasten voor mijn deur staan.
‘Angst heeft een functie, hè? Als het om anderen gaat, zoals mijn kinderen, ben ik voorzichtig. Als het om mezelf gaat, ben ik inderdaad niet erg bang. Maar ik ben ook niet roekeloos.’
‘Zeker. Ik vind het belangrijk om fit te zijn, om te sporten. Dat kan niet altijd, een crisis is een crisis, maar ik begrens wanneer ik werk en prioriteer wat ik doe. Sporten is voor mij ook een manier om na te denken over de lange termijn, daar maak ik tijd voor. Dat kan door goed te delegeren. Met goede afspraken. En met een groot vertrouwen in de mensen om me heen.’
Source: Volkskrant