Home

Vergeleken met het sombere surrealisme van Dalí en Ernst is de speelse lichtvoetigheid van de Belgen een verademing

Brussel viert het 100-jarige bestaan van het surrealisme met twee tentoonstellingen: een over het internationale surrealisme, een ander over de Belgische variant. Op de eerste expo valt weinig te lachen, op de tweede des te meer.

Misschien is het wat teleurstellend dat het beroemde meesterwerk van René Magritte er niet te zien is. Op geen van de beide tentoonstellingen in Brussel waarmee het 100-jarige bestaan van het surrealisme wordt gevierd. Want zeg je ‘Magritte’, dan zeg je ‘Ceci n’est pas une pipe’. U kent het wel: het schilderij waarop de Belgische kunstenaar een pijp schilderde, met daaronder in krulletters de mededeling dat het juist geen pijp is. Is het een grap? Een filosofisch raadsel? Een zinsbegoocheling? Misschien juist alles tegelijk en daardoor de kortst denkbare uiteenzetting van wat het surrealisme inhoudt.

Voor alle duidelijkheid: van de twee tentoonstellingen is er een in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, en de ander in het Bozar. De eerste gaat over het internationale surrealisme zoals de meesten dat zullen kennen, met klinkende namen als Salvador Dalí, Max Ernst, Giorgio de Chirico en Yves Tanguy. De tweede gaat over de Belgische variant ervan, met Magritte en Paul Delvaux, maar ook hun minder bekende geestverwanten Marcel Mariën, E.L.T. Mesens, Armand Simon, Marcel Lefrancq, Rachel Baes en Max Servais.

Over de auteur
Rutger Pontzen is kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant. Hij schrijft over zowel oude en moderne als hedendaagse kunst.

En ja, in de een valt weinig (tot niet) te lachen. In de andere, de Belgische, des te meer. Bij binnenkomst krijg je meteen een brede glimlach op het gezicht, alleen al door de groot uitgeschreven, Magritte-achtige titel ‘Histoire de ne pas rire’, een expositie die dus ‘niet om te lachen’ is. Surrealistischer krijg je het niet. Wat volgt is een reeks van vrolijke woordgrappen, humoristische fotocollages en grappige beeldrijmen die, als je ze probeert te beschrijven, altijd een stuk suffer en flauwer zijn dan als je ze ziet.

En toch: een bril met slechts één oogglas, een leunstoel omwikkeld met prikkeldraad of het fotoportret van theoreticus Paul Nougé met een schaakbord voor het gezicht, je staat er automatisch bij te grinniken. Het is de wereld op zijn kop. Of het is zoals kunsthistoricus Leo Van Damme eens schreef, dat door ‘vervreemding, hallucinaties en metamorfose (...) de kijker bij de neus wordt genomen’.

Uitleggen is niet mogelijk; verklaren nog minder. Neemt niet weg dat de speelse lichtvoetigheid aanstekelijk is en een verademing voor wie de andere surrealismetentoonstelling bezoekt, even verderop, in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Want daar zal het lachen je vergaan.

Misschien komt dat wel door de manier waarop de stroming is ontstaan. In 1924 publiceerde de Franse dichter en theoreticus André Breton zijn Manifest van het Surrealisme. Belangrijkste kenmerken van de nieuwbakken kunstopvatting: het belang van het onderbewuste, hypnose en intuïtie, van dromen en ‘automatisch schrijven’ (zonder na te denken). Kunst moest gemaakt worden door associaties en zonder tussenkomst van de rede.

In de tentoonstelling in de Koninklijke Musea pakt dat veelal somber uit. Op het zwaarmoedige af. De zaalindeling met titels als ‘De nacht’, ‘Woudbewoners’ en ‘Droom en nachtmerrie’ geeft een indicatie. Het getoonde surrealisme is duister, onheilspellend en uitermate freudiaans. Plots vallen de lange schaduwen in de schilderijen van Dalí op (in plaats van het felle zonlicht), het unheimische in de landschappen van Ernst of de referenties aan pedofilie bij Delvaux (en minder de voor zich uit starende, blote dames).

Duister? Onheilspellend? Unheimisch? Het is niet onbelangrijk om te beseffen dat de eerste generatie surrealisten ‘kinderen’ waren van de Eerste Wereldoorlog, de eerste Grote Oorlog. De eerste ook waarvan de totale gekte en zinloosheid werd ingezien; die ‘vrolijk’ begon, maar met een trauma eindigde.

Gevolg: afkeer van het gezag, van kerk en staat; wantrouwen tegen de zogenaamde ratio en het heldere verstand. Hoe konden politici en legerofficieren met droge ogen – en wellicht heldere, strategische overwegingen – toch zo veel mensen de loopgraven in sturen? Het ging velen het verstand te boven.

Niet zo vreemd dat het surrealisme daardoor een sterke politieke signatuur kreeg. Tegen de traditionele partijen en het conservatisme, voor nieuwe, radicale opvattingen als het communisme en pacifisme. Wel opmerkelijk: dat de surrealisten, vanaf de oprichting in 1924, zwaar theoretische manifesten schreven en congressen organiseerden, als waren ze zelf een politieke partij.

Met name André Breton ontpopte zich tot een autoritaire leider. Hij dicteerde strikte regels waaraan het surrealisme moest voldoen en waaraan iedereen zich moest houden, op het gevaar af geroyeerd te worden. Voor een beweging die het niet-officiële, niet-serieuze, niet-conformistische nastreefde, was het surrealisme behoorlijk officieel, serieus en conformistisch. Zeker als het gaat om de Franse variant.

Alleen al daarom is het Belgische surrealisme – hoewel ook groepsgewijs geformeerd – een verademing. Het oogt losser, informeler, vrijer. Individueler. Natuurlijk is het altijd lastig een volksaard en het karakter van de inwoners van een land aan een enkele kunstuiting op te hangen, zoals het gevaarlijk is om überhaupt van een ‘volksgeest’ te spreken. En toch kent elk land zijn eigen eigenzinnige kunststroming die elders niet voorkomt.

Zoals de prerafaëlieten bij Engeland horen, Mondriaan en De Stijl typisch Nederlands zijn en Caspar David Friedrich het Duitse natuurgevoel verbeeldde, zo komt het surrealisme bij uitstek in België tot zijn volste recht. Het is er zo veel grappiger, ondermijnender, dubbelebodemiger dan elders. Surrealistischer. In zijn boek België Absurdistan beweert Rik Vanwalleghem dat er ‘geen Belgische cultuur of Belgische schilderkunst’ bestaat, maar wel dat de ‘bekendste kunstenaars surrealisten zijn’.

Middelpunt van dat Belgische surrealisme is zonder twijfel René Magritte. Je zou weleens in het hoofd van de man willen kijken, naar wat voor vormen van kortsluiting en onnavolgbare zenuwverbindingen zich daarin bevinden. Een groen gezicht met een geweerloop als neus, een ander gezicht met borsten als ogen en schaamhaar als mond (dat als omslag diende voor een van Bretons geschriften), een zwevend rotsblok (met minikasteel) boven de kustlijn, een giraffe in een leeg wijnglas.

Dat ook Magritte zo zijn mindere periode kende, laat het zwikje schilderijen zien van tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen hij ‘geïnspireerd’ was door Renoir: pure kitsch. Neemt niet weg dat Magritte zowat met elk kunstwerk succes had, ook financieel, zo veel dat het door zijn bondgenoten niet in dank werd afgenomen. Als kritiek werd zijn beeltenis door een paar collega’s op een biljet van 100 Belgische frank gezet, in plaats van Leopold I.

Het bankbiljet mag dan uit jaloezie zijn voortgekomen, het was wel een bevestiging van zijn status: gelijk aan die van de koning. Magritte en het surrealisme als de nationale kunstenaar en kunststroming van de Belgen; als een onvervreemdbare karaktertrek die je niet kunt aannemen of overnemen, maar die je bezít. Of zoals in een van de zalen van museum Bozar staat vermeld: ‘In Frankrijk wordt het einde van het surrealisme officieel uitgeroepen in 1969. In België komt er echter nooit een einde aan de beweging.’

Waarschijnlijk is het daar ook nooit begonnen, maar altijd geweest.

Histoire de ne pas rire. Het surrealisme in België. T/m 16 juni, Bozar, Brussel.

Imagine! 100 Years of International Surrealism. T/m 21 juli, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel.

In haar boek De tweede sekse uit 1949 schreef Simone de Beauvoir: ‘In het surrealisme is de vrouw alles, behalve zichzelf.’ Je kunt niet ontkennen dat er veel vrouwen in het werk der mannelijke surrealisten voorkomen, vooral naakt, met nadruk op de borsten, billen en de schaamstreek. Zijn ze een muze, zoals wel wordt gezegd, of een lustobject? Een freudiaans droombeeld in elk geval.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next