Eigenlijk zou men het ‘Rijks Museum’ moeten boycotten sinds dat logo indertijd door praalhans Wim Pijbes ten onrechte werd voorzien van die wezenloze spatie, maar het verslaggeversbloed kruipt waar het niet gaan kan: naar de tentoonstelling van Frans Hals dus. Om warm te lopen las ik eerst het voortreffelijke stuk van Stefan Kuiper in deze krant, die mijn vage afkeer van Frans Hals perfect verwoordde: hij bekent ‘niet dol’ te zijn op de mensen op Hals’ portretten, met hun ‘ostentatieve vrolijkheid en kijk-mij-eens-een-gave-pik-zijn-achtige ijdelheid’.
Nog nagniffelend liep ik de drukke tentoonstelling in, waar de afgebeelde tronies Kuiper groot gelijk gaven; de schaterende muzikant, de scheve grijns van ‘verstandelijk beperkte’ Malle Babbe, het lodderig-verleidelijke lachje van La Bohémienne: ‘de lach in samenhang met haar diepe decolleté maken duidelijk dat de afgebeelde op dit schilderij niet tot de stedelijke elite behoort. Wellicht is zij een sekswerker’, aldus het zuinige bijschrift van het Rijks.
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Algauw verkeerde mijn scepsis in eerbied. Wat kon die Frans Hals schilderen! Juist door het ontbreken van de serene bescheidenheid die eeuwenoude portretten meestal kenmerkt, leken veel van die koppen op hedendaagse jongelui die staan te geiten bij de ingang van McDonald’s. Ook was er een grinnikende peuter bij die sprekend leek op het zoontje van mijn jongste zus.
Bij een groot portret werd druk geroezemoesd. Een gezellige familiegroep in een landschap, ook weer levendig als een snapshot. Vader, moeder, een zoon van een jaar of 14, een dochter van een jaar of 16. Aardige mensen, om te zien. Ze kijken allemaal een andere kant op, alleen midden op het schilderij staat een jongetje van een jaar of 12 dat de toeschouwer recht aankijkt: een donkerbruin, mollig jongetje met zwart kroeshaar, tussen die blozende Nederlandse koppen.
‘Een slaaf!, siste een dame op leeftijd verontwaardigd. Om haar heen knikten mensen ijverig, maar de man aan haar arm sprak gedecideerd: ‘Welnee. Hij heeft speelgoed. Dat kan nooit een slaaf zijn.’ Inderdaad had het ventje een onduidelijk voorwerp in zijn hand, dat leek op een vogeltje op een stok.
‘Een zwarte slaaf was toen een statussymbool’, wist een vrouw met een Mémien Holboog-kapsel. ‘Daarom heeft hij ook zulke sjieke kleren aan.’ Inderdaad droeg het jongetje net zo’n mooi pakje als de andere kinderen op het schilderij, met een gesteven witte kraag.
Ik bekeek het jongetje zorgvuldig. Was hij echt een slaaf? Of toch een aangenomen kind, dat gewoon mee opgroeide met de andere kinderen?
Kon ik maar naar de 17de eeuw, al was het maar één minuut. Dan kon ik het hem vragen.
Source: Volkskrant