Deze maand publiceerde het economenvakblad ESB een alarmerend onderzoek naar de arbeidsproductiviteit in Nederland. Het onderzoek, uitgevoerd door Hugo Erken van Rabobank, laat zien dat niet alleen de arbeidsproductiviteitsgroei binnen sectoren achterblijft maar dat ook steeds meer mensen in laagproductieve sectoren werken. Landen als Zweden, Denemarken, Duitsland, Zwitserland en de Verenigde Staten, slagen erin om relatief meer banen te creëren in hoogproductieve sectoren dan in laagproductieve sectoren.
Over de auteur
Heleen Mees is columnist van de Volkskrant. Eerder promoveerde ze op de Chinese economische groei. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Groei van de arbeidsproductiviteit is de enige manier om de levensstandaard te verhogen in een land waar mensen niet meer dan 30 uur per week willen werken en migranten niet langer welkom zijn. Om de arbeidsproductiviteit te laten stijgen moet meer in Research en Development(R&D) worden geïnvesteerd. Het is geen toeval dat in landen met de hoogste arbeidsproductiviteitsgroei, zoals Denemarken, Duitsland, Zweden en Zwitserland, de overheid een hoog percentage van het bruto binnenlands product (bbp) in R&D investeert.
In de Verenigde Staten investeert de overheid relatief weinig in R&D maar de particuliere sector juist veel. In totaal wordt in de VS ieder jaar 3,5 procent van het bbp (circa 800 miljard dollar) uitgegeven aan R&D. In Zweden en Zwitserland is dat 3,4 procent, in Duitsland 3,1 procent en in Denemarken 3 procent van het bbp. Het zijn allemaal landen met een hoge arbeidsproductiviteit per uur (vergelijkbaar met Nederland) waar de arbeidsproductiviteit met zo’n 1 procent per jaar groeit.
Nederland blijft daar ver bij achter en investeert slechts 2,2 procent van het bbp in R&D. De arbeidsproductiviteitsgroei blijft hier steken op een schamele 0,5 procent per jaar. Door meer te investeren in R&D zal niet alleen de arbeidsproductiviteitsgroei binnen kennisintensieve sectoren toenemen, maar ook de concurrentiekracht van die sectoren. Daardoor zullen de kennisintensieve sectoren op den duur in relatieve omvang toenemen, wat weer gunstig is voor de arbeidsproductiviteit overall.
Tussen 2010 en 2019 zijn er in Nederland vooral veel banen bijgekomen in de horeca, schoonmaak- en uitzendbranche die een lage arbeidsproductiviteit hebben. Het werkgelegenheidsaandeel van hoogproductieve sectoren zoals financiële dienstverlening, telecom en mijnbouw is in die periode juist gedaald. De Amerikaanse econoom Baumol voorspelde in de jaren zestig al dat naarmate de welvaart in een land toeneemt, het aandeel van laagproductieve sectoren steeds groter wordt. Maar in Nederland is dat effect veel groter dan in andere welvarende landen.
Financial Times-columnist Simon Kuper schreef anderhalf jaar geleden dat Nederland mogelijk het eerste land is dat tegen de grenzen van de groei aanloopt. Hij dweepte met de boerderijen die van dit kleine land de op een na grootste landbouwexporteur ter wereld hadden gemaakt, en vroeg zich af wie in hemelsnaam de huizen moest gaan bouwen als het de overheid zou lukken om de veestapel te verkleinen. Maar in de landbouw werken zo’n tweehonderdduizend mensen. Als de veestapel halveert, kan een flink deel daarvan in de bouw werken.
De reden dat Nederland tegen de grenzen van de groei aanloopt is omdat de arbeidsproductiviteit hier nauwelijks meer groeit. Van de gemiddeld bijna drie procent jaarlijkse economische groei in de afgelopen zeventig jaar (1950–2020), werd driekwart gerealiseerd door een toename van de arbeidsproductiviteit, en slechts een kwart door een stijging van het totale aantal gewerkte uren. Maar de afgelopen 15 jaar is de arbeidsproductiviteit volgens internationaal vermaarde deskundige op dit gebied Bart van Ark nauwelijks meer gestegen en is de economie vrijwel uitsluitend gegroeid dankzij een toename van het aantal gewerkte uren.
De industriële topsectoren die Nederland in het verleden had, hebben nooit de ruimte gekregen die ze nodig hadden om te innoveren en door te groeien. Denemarken en Zweden doen dat duidelijk beter. Het Deense farmaciebedrijf Novo Nordisk, bekend van het diabetesmedicijn Ozempic en afslankmedicijn Wegovy, is in zijn eentje goed voor twee procent groei van het bbp in Denemarken. In Zweden vervult de ict-sector een vergelijkbare rol. De Amerikaanse economie zal de komende tien jaar dankzij Kunstmatige Intelligentie (AI) 0,5 tot 1,5 procentpunt per jaar harder groeien, volgens optimistische schattingen.
Gelet op de achterblijvende arbeidsproductiviteit in Nederland, is het sluiten van de grenzen voor kennismigranten en (bèta) studenten wel het domste wat een nieuw kabinet kan doen. Nederland heeft alleen nog ASML, en als we niet oppassen raken we ook dat nog kwijt.
Source: Volkskrant