In de wachtkamer van mijn nieuwe tandarts hangt een televisie. Op het scherm verschijnt informatie over de praktijk en er komen foto’s voorbij van de mensen die er werken. Het zijn stuk voor stuk montere gezichten met stralende, witte glimlachen. Kijk eens hoe mooi en wit onze tanden zijn, zeggen ze, en hoe blij we daarvan worden. Dat staat jou straks ook te wachten.
Tussendoor verschijnt een pagina met het weer en het laatste nieuws. Het achtergrondplaatje op het scherm is steeds hetzelfde: een tandenborstel met daarop een dikke lik tandpasta. Aan werkelijk alles is gedacht.
Mijn naam wordt geroepen en een jonge, vriendelijke vrouw die ik ken van het televisiescherm schudt mijn hand en zegt dat ik in de stoel mag plaatsnemen. Ze stelt me wat vragen over mijn gebit en of ik nu klachten heb.
Terwijl ze in mijn dossier kijkt en spullen klaar legt, vraagt ze wat ik doe in het dagelijks leven. Ik vertel dat ik schrijf, hier, en twee jaar terug ook een roman. Ze vraagt of het een succes was. ‘Nee’, zeg ik. Daar moet ze om lachen. Uit macht der gewoonte wil ik vragen wat zij eigenlijk in het dagelijks leven doet, maar ik kan mezelf net op tijd corrigeren.
Het is niet de laatste vraag die ik niet stel. Even later lig ik op mijn rug, met mijn mond open. Mijn gebit ziet er in principe goed uit, zegt ze, op wat tandsteen na. Dat tandsteen hoopt zich altijd op bij het spalkje dat mijn onderste voortanden in het gareel houdt. ‘Oh’, merkt ze opeens op, ‘de lijm van je spalkje is helemaal weg. Je tandsteen houdt nu het spalkje op zijn plek.’
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Via een spiegeltje dat ze achter mijn voortanden houdt kan ik in de spiegel boven mijn hoofd zien wat ze bedoelt. Ik geloof niet in veel dingen, maar ik geloof wel dat je sommige plekken van je lichaam niet hoort te zien. ‘Gadverdamme’, zeg ik en wend mijn hoofd af. Terwijl ze het tandsteen verwijdert komen er weer allerlei vragen in me op.
Kun je je – in theorie – tot iemand aangetrokken voelen als je eenmaal de binnenkant van zijn ondertanden gezien hebt? Is er eigenlijk een verband tussen tandsteen en kalknagels? Hebben mensen met tandsteen eerder last van kalknagels en andersom? Deze vragen stel ik ook niet, vooral omdat mijn mond vol zit met apparaten.
Wanneer ze klaar is, komt de tandarts binnen. Ook hij kijkt in mijn dossier en daarna in mijn mond. ‘Je hebt een geweldig gebit’, zegt hij. Nee, dat zegt hij niet. Maar het exacte woord dat hij gebruikt kan ik me niet meer herinneren. Het begon in ieder geval met ge-. Misschien was het gestaag; of gevaarlijk; of gezellig, of gelijkmatig. Ik houd het op geweldig.
Source: Volkskrant