Home

Niemand wist wie stamgast meneer R. precies was – behalve dat hij in een auto sliep en nette kleren droeg

Tien jaar geleden stierf een man in een Amsterdams ziekenhuis. Met een gescheurde aorta was hij binnengebracht per ambulance. In het ziekenhuis wisten ze niet wie hij was, hij wenste zich niet te identificeren.

De man droeg nette kleren toen hij arriveerde: een fatsoenlijk pak en leren schoenen van een degelijk merk. In de zak van het pak werd een portefeuille gevonden met daarin een verlopen rijbewijs.

Zo kwam vast te staan dat het om meneer R. ging, geboren op 25 mei 1946. Hij stond ingeschreven op een adres in Leiden, waar hij niet bleek te wonen. Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam spoorde twee dochters op.

De dochters wilden niet bij de uitvaart betrokken zijn, het contact met hun vader was al lange tijd verbroken. Op een koude maandagochtend in april 2013 werd meneer R. op Sint Barbara eenzaam begraven.

Mijn voorganger, F. Starik, was bij de plechtigheid aanwezig. Hij had zelf een gedicht geschreven en las het voor. Het was een kort gedicht, aangezien er weinig tot niets over meneer R. bekend was.

Zaterdag 10 februari word ik benaderd door een onderwijzer die deze serie kent. Sinds jaar en dag bezoekt hij De Nieuwe Vaart in Amsterdam-Oost, zo’n kroeg waar nog smartlappen worden gezongen. Daar kwam altijd een vaste gast die plotseling was verdwenen.

De onderwijzer heeft met de barman en de eigenaar van de kroeg gesproken. Hij vindt dat ze moeten vertellen wat ze met meneer R. hebben meegemaakt. Zijn graf op Sint Barbara wordt binnenkort geruimd, dit is het moment om het verhaal achter de eenzame uitvaart, dat Starik niet te horen kreeg, alsnog te vertellen, anders blijft er helemaal niets over van deze illustere gast.

Maandagavond 19 februari ben ik in de kroeg. De eigenaar heet Ronald Engel, hij is ook zanger. In de jaren negentig vergaarde hij roem met de nummers Transseksueel en Gooi je schoonmoeder uit het raam.

Engel zit achterin z’n zaak, samen met echtgenote Astrid. De onderwijzer is ook aanwezig, net als de barman, die voor hij barman werd bij de commando’s zat. Hij is degene die het meest met meneer R. te maken kreeg.

Ronald Engel zingt niet alleen in zijn eigen kroeg; ook in café Nol in de Amsterdamse Jordaan, waar hij opgroeide, brengt hij levensliederen ten gehore. Daar zat telkens een goedgeklede man aan de toog, altijd op dezelfde plek. De man was kaal en lang.

In de zomer van 2010 raakte Engel na een optreden met hem aan de praat. De man vertelde dat hij uit Amsterdam kwam, vroeger had hij op de markt gestaan. Op dat moment woonde hij in Leiden, in een kamer in het huis van zijn baas, die aannemer was.

Voor die baas verrichtte hij allerlei klusjes. Als een slot niet goed werkte of ergens een deur piepte, werd hij op pad gestuurd. Hij reed in een gloednieuwe bestelbus, het was een makkelijk baantje dat goed betaalde.

Meneer R. zei dat hij getrouwd was geweest en twee dochters had. Ze woonden in Rijnsburg en brachten de zomers door in een stacaravan op camping Bakkum. Zijn vrouw had hem het huis uitgegooid, de dochters wilden hem niet meer zien. Over de toedracht zweeg hij.

Regelmatig kwam hij naar Amsterdam, uit heimwee naar vroeger. Al z’n vrienden was hij kwijt, die hadden voor de ex partij gekozen. Engel vond het triest voor zo’n oude man. Hij zei dat meneer R. ook eens naar zijn kroeg moest komen.

Een poos later dook meneer R. op in De Nieuwe Vaart. Hij droeg hetzelfde nette pak, al zaten er wat vlekken op. Engel vroeg hoe het met hem ging. Niet zo best, zijn baas was opgepakt omdat hij zwart uitbetaalde.

Van de ene op de andere dag was hij zijn goedbetaalde baantje kwijt en dus ook de kamer in de woning van de baas. Van z’n laatste geld had hij een Suzuki Alto gekocht, een klein autootje waar hij met z’n lengte amper in paste. Hij sliep ook in dat autootje, rechtop achter het stuur, want achterin lagen koffers met kleren. Hij was naar Amsterdam gereden, in Leiden had hij niks meer te zoeken.

’s Avonds was het hier in de straat nog gratis parkeren. Als ’s ochtends de parkeerwachten kwamen, reed meneer R. naar een benzinepomp bij Muiden. Daar maakte hij de parkeerplaats schoon en hield hij toezicht op de toiletten. Hij kreeg er benzine voor en soms wat geld.

Meneer R. dronk geen alcohol, in De Nieuwe Vaart bestelde hij cola, 7up of chocomel. Elke avond was hij er, aan het einde van de toog veroverde hij een vast plekje waar hij zat tot hij moe werd en naar het autootje sjokte.

Hij sprak weleens met andere gasten, maar meestal keek hij zwijgend voor zich uit. Tot Engel op een keer een Caribische avond organiseerde en meneer R. tot ieders verbazing in een compleet ander mens veranderde. Hij gleed van z’n kruk en stortte zich in het feestgedruis. ‘Nogal hitsig danste hij met een stel Antilliaanse dames’, zegt de onderwijzer.

De Kerst van 2010 was guur, het vroor en er lag sneeuw. De kroeg zou drie dagen dichtgaan. Op 24 december sloot Engel af, verderop in de straat zag echtgenote Astrid het autootje staan, snurkend zat meneer R. achter het stuur.

Hij had zich in een deken gewikkeld, op het dashboard brandde een waxinelichtje. Astrid vond het zielig. ‘We konden hem toch niet in de kou laten zitten’, zegt ze. ‘Misschien vroor hij nog dood.’

Hem mee naar huis nemen was ook weer zo wat. Astrid stelde voor hem in het café te laten overnachten. Ze tikten tegen het raam, meneer R. schrok wakker. Blij met het genereuze aanbod grabbelde hij meteen zijn spullen bij elkaar. ‘De volgende dag zijn we hem nog een pan erwtensoep gaan brengen’, zegt Engel.

Vanaf dat moment sliep hij in de kroeg. Eerst op het biljart, dat er toen nog stond, later op een stretcher. Engel zegt dat ze hem ook een sleutel hadden gegeven, maar de barman weet zeker dat dat niet zo was. ‘Hij zat hier opgesloten tot ik ’s ochtends het rolluik ophaalde’, zegt de barman stellig.

De afspraak was dat meneer R. tot het nieuwe jaar zou blijven. Maar in het nieuwe jaar was het autootje dat vanwege de kou niet meer wilde starten door de parkeerwachten weggesleept, dus kon hij nergens naartoe.

In de kroeg hield meneer R. de boel een beetje schoon, net als op het tankstation bij Muiden. De barman vroeg of hij op de kassa wilde letten, want vanwege een naastgelegen opvanghuis kwamen soms ongure klanten binnen.

Maar meneer R. sukkelde vaak in slaap op z’n kruk, vooral in de weekenden, als de zaak tot 3 uur open was en de mensenmassa schlagers zong en deinde en hij allang op het biljart had willen liggen. Terwijl hij zat te knikkebollen ging een onverlaat er op een keer met de dagopbrengst vandoor, tot ergernis van de barman die door een handlanger was afgeleid.

‘Ik zag hem vaker dan m’n eigen vrouw’, zegt de barman. Als hij ’s ochtends het rolluik ophaalde, bestelde meneer R. een kopje thee bij hem en smeerde een beschuitje voor zichzelf. In het oude keukentje waste hij zich provisorisch. Hij had een kledingrek neergezet dat enorm in de weg stond.

Overdag ging hij naar buiten, maar zeker als het koud was, kwam hij al snel weer terug. Rond een uur of 6 warmde hij een kant-en-klaarmaaltijd op die hij aan de bar verorberde. Daarna at hij vla uit een kommetje. Met een lepeltje schraapte hij het kommetje grondig leeg. ‘Elke dag weer’, zegt de barman. ‘Ik werd er compleet gestoord van.’

In het voorjaar ontving Engel een torenhoge energierekening. Meneer R. bleek de verwarming ’s nachts flink op te stoken. Ook liet hij de televisie aan staan en schakelde hij de gokkasten weer in om er muntjes in te werpen die klanten hem uit erbarmen weleens toeschoven.

Engel begreep niet dat hij geen AOW aanvroeg, daar had hij als gepensioneerde recht op. Dan kon hij zich meteen inschrijven voor een seniorenwoning, zoals hij met Oud en Nieuw plechtig had beloofd.

Meneer R. zei dat hij zich liever niet bij instanties bekend wilde maken, maar de barman nam daar geen genoegen mee. Kordaat als in zijn militaire tijd greep hij hem beet en leverde hem persoonlijk af bij een kantoor van de sociale verzekeringsbank in Zaandam. Met tegenzin ging meneer R. naar binnen. Alles ging goed, hij had het adres opgegeven van zijn vroegere baas.

Ineens stond er flink wat geld op zijn rekening, want de toeslag kwam met terugwerkende kracht. In een dure zaak kocht hij nieuwe pakken, overhemden en schoenen. Hij schafte ook een scootmobiel aan, want hij liep steeds moeizamer. Met die scootmobiel zoefde hij van de kroeg naar de Wallen. Volgens de barman zocht hij daar Latijns-Amerikaanse vrouwen uit. Na twee maanden was het geld alweer op.

Meneer R. woonde al een jaar in de kroeg toen het niet goed met hem begon te gaan. Zijn benen waren opgezwollen, de sokken die hij droeg doorweekt. Onder z’n kruk vormde zich een plasje.

Een bezorgde klant schakelde een wijkverpleegkundige in. Die kwam naar de kroeg, want meneer R. had gezegd dat De Nieuwe Vaart zijn woonadres was. In de kroeg verzorgde de wijkverpleegkundige zijn voeten en deed steunkousen bij hem aan.

Steeds vaker kwam de wijkverpleegkundige langs, De Nieuwe Vaart veranderde in een medische boeg. Als ze binnenkwam, legde meneer R. zijn been op een barkruk zodat ze aan de slag kon. Tegen haar zei meneer R. dat hij kanker had, en iets aan zijn nieren, hij wist het al een hele tijd. Een behandeling wenste hij niet, het ging nog prima volgens hem.

De barman kon er absoluut niet meer tegen. ‘Hij begon ook enorm te stinken, hij zat daar aan de bar gewoon dood te gaan.’ Toen de barman een paar keer was uitgevallen en dreigde met ontslag vroeg Engel aan zanger Max Muiderman, bekend van het nummer D’r uit is d’r uit, of hij zich over meneer R. kon ontfermen. Muiderman stemde toe, maar na een week hield hij het niet meer vol en leverde de zieke weer af bij De Nieuwe Vaart.

De barman overwoog naar de politie te stappen. ‘Want in wezen werd hier al die tijd oogluikend iets zwaar illegaals toegestaan’, zegt hij. Als er brand was uitgebroken en een lichaam werd aangetroffen, hadden ze natuurlijk best een groot probleem.

Om de gemoederen tot bedaren te brengen benaderde Engel een volgende collega, Ron Lyon, die op Gerard Joling lijkt en ook graag diens repertoire schijnt te zingen. Ron Lyon had een chalet in de Beemster en een hondje dat niet goed alleen kon zijn.

In het chalet bracht meneer R. met het hondje van Ron Lyon zijn laatste jaar door. Het is onduidelijk wie hem daar verzorgde, want Ron Lyon was weinig thuis. De aorta scheurde, de ambulance kwam.

Na het overlijden verscheen een van de dochters van meneer R. in de kroeg. Ron Lyon had haar opgespoord en het hele verhaal verteld. De dochter vond het in principe hartverwarmend dat ze zich over haar vader hadden ontfermd. Toch zou het goed zijn als ze wisten wie hij werkelijk was geweest.

Een schuinsmarcheerder in de eerste plaats, verzot op Latijns-Amerikaanse schonen. Vooral was hij een uitvreter, die er niet voor terugdeinsde om zijn vrouw, haar moeder, op te lichten.

Op naam van de echtgenote had hij voor tonnen leningen afgesloten om de gebraden haan te kunnen uithangen. Toen z’n vrouw erachter kwam, had ze aangifte gedaan, waarna hij met de noorderzon was vertrokken. Jarenlang zat ze in de schuldsanering.

Het nieuws kwam keihard aan bij Engel en zijn vrouw. ‘Ik denk niet dat we hem in de kroeg hadden gelaten als we dit hadden geweten’, zegt Astrid. De onderwijzer vindt dat iedereen een tweede kans verdient, zelfs de barman is het met hem eens. Ze vragen of ik een nieuw gedicht voor hem wil schrijven.

Kort voor ruiming delf ik dit gedicht
Woorden versus knekelput
Daar was u bijna echt verdwenen

Leugens zijn ook woorden
Ze brachten u een mobiele stulp,
met wielklem uitgerust

U sliep verticaal,
dwars als u was

Dan een harde stoot goedertierenheid
Kaal geschedeld caramboleerde u
het biljart op

Dat zachte velours,
de stem van Tante Sjaan
Uw schoonmoeder ging al eerder uit het raam

Een wisse ondergang, een oefening
in versterven, zoals Japi lijkt u
waargebeurd bedacht

Moge uw overschot in dit perk
vastgeworteld opstaan

Joris van Casteren

Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next