Home

Schrijver Jan Brokken is altijd op zoek naar het volgende verhaal: ‘De werkelijkheid is zo rijk, mooier dan alles wat ik kan verzinnen’

Rond 1900 stroomde Volendam vol met buitenlandse kunstenaars. Zij werden enthousiast ontvangen, beschrijft Jan Brokken in De ontdekking van Holland. Hij vertelt erover in het dorp waar de PVV ruim 40 procent van de kiezers trok.

Jan Brokken flaneert over de Dijk in Volendam alsof hij bezig is met zijn dagelijkse ommetje en straks nog even een fuikje gaat lichten. Hij wijst naar de grijze hemel, die volgens hem elk ogenblik kan openbreken, zodat we het wonder van het magische Markermeerlicht zullen kunnen aanschouwen. En daar staat het Praathuis, dat op hoge poten tegen de dijk aanleunt. Binnen zitten oude Volendammers. ‘Hier praten de mensen nog’, zegt Brokken. ‘Overal zie je ze bij elkaar zitten. Het zijn vertellers.’ Hij zou er graag bij gaan zitten. We staan even stil bij een van de vele toeristenwinkels – dit is toevallig de plaats delict van de moord op Doortje, een van de aangrijpende verhalen in zijn nieuwe boek.

We gaan naar café ’t Havengat. Eigenlijk hadden we afgesproken in hotel Spaander, want daar draait het allemaal om in De ontdekking van Holland. Maar Spaander is dicht, ze zijn er bezig met een verbouwing. In de oude gelagkamer zijn de schilderijen die er hingen verdwenen, nummertjes bij elk haakje moeten ervoor zorgen dat ze straks weer op de juiste plek terugkeren.

Over de auteur
Bert Wagendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant.

Hier zat Brokken (Leiden, 1949) in 1980 tegenover de vorig jaar overleden dichter Hans Tentije, voor een interview in de Haagse Post. Dat was zijn eerste kennismaking met het hotel. Het hing er vol schilderijen. Geen honderd, geen tweehonderd, de wanden waren bedekt met minstens duizend schilderijen. En geen werkjes van Volendamse zondagsschilders: er hingen voorstudies, aquarellen, gouaches en olieverfschilderijen van kunstenaars als Signac, Renoir, George Sherwood Hunter, Sluiter, Clausen, Nourse en Georg Hering.

Ruim veertig jaar later kwam Brokken er terug, nadat hij in de krant had gelezen dat hotel Spaander ten onder was gegaan in de coronastorm en hij zich had afgevraagd: wat gebeurt er met die schilderijen?

En toen hij er eens flink brokkensiaans was ingedoken, het gastenboek had doorgevlooid en de geest had laten waaien op het strand bij zijn huis in Lacanau-Océan, wist hij dat hij op een schatkamer vol verhalen was gestuit en dat hij die verhalen alleen nog hoefde op te duikelen. Dat is hoe hij werkt: doorzoeken, alles ondersteboven halen, de 1.400 namen van hotelgasten/kunstenaars stuk voor stuk onderzoeken, planken vol boeken doorpluizen, het internet afschuimen, musea en bibliotheken bezoeken.

Eerst een lange strandwandeling, dan lunchen en dan tot half 8 in de avond werken, zeven dagen per week.

Toevallig werd hij rond die tijd gebeld door de Franse schrijver Olivier Guez, die in opdracht van de regering bezig was met een boek over Europa – of Brokken daaraan een bijdrage wilde leveren.

Hij wist meteen waarover het zou gaan. ‘Rond 1900, 1910, was er al sprake van een Europa van kunstenaars. Hier, in Volendam, in hotel Spaander. Hier keek men al over grenzen heen, hier waren ze nieuwsgierig, wisselde men dingen uit en werden kunstenaars van harte welkom geheten. Bij de entree van het hotel hing een affiche van de Duitse schilder Carl Windels. ‘Artist kom binne, stond erop.’

De twee verhalen die hij in zijn hoofd had groeiden uit tot een boek met 24 hoofdstukken, 24 korte verhalen eigenlijk, die samen op zoek gaan naar het geheim van hotel Spaander in Volendam.

Maar eerst naar het begin, naar Leendert Spaander en zijn vrouw Aaltje, die in 1881 een hotel begonnen aan De Haven in Volendam, aan een weg die beter bekend is als de Dijk en die nu een boulevard vol toeristen is geworden, ook in februari. Leendert (26) was zeilmaker met een krachtig gevoel voor commercie, maar ook een onverklaarbare liefde voor de kunst.

In 1874 was er een Frans boek verschenen over de oude havenstadjes aan de Zuiderzee, van de kunsthistoricus Henry Havard. Dat boek had binnen de kortste keren cultstatus verworven. Een van degenen die zich door Havard hadden laten verleiden om de Zuiderzeekust te bezoeken, was de Engelse schilder George Clausen. Hij schilderde in 1876 het doek Hoogmis in een vissersdorp aan de Zuiderzee, dat veel lof oogstte tijdens een tentoonstelling in de Royal Academy in Londen. Clausen had kerkbezoekers in klederdracht laten knielen voor de ingang van een grote kerk – die van Monnickendam. Dat het de Nederlands Hervormde Kerk was en dus een onwaarschijnlijke scène van katholieke devotie die meer paste hij het katholieke Volendam, deed er niet toe.

Volendam, destijds een dorp dat alleen over het water was te bereiken, genoot opeens een zekere faam. Tientallen kunstenaars uit zo’n beetje alle landen van Europa repten zich naar het exotische oord waar zich kennelijk oude rituelen afspeelden die erom smeekten in verf te worden vastgelegd en waar het wemelde van de karaktervolle visserskoppen en blonde jonge vrouwen in klederdracht.

Leendert Spaander voelde dat er handel in de lucht hing, kocht een pand aan het water, bouwde er een verdieping bovenop en opende zijn hotel. Dat richtte zich, met Clausen als grote voorbeeld, expliciet op kunstenaars. Hij schreef over heel Europa kunstacademies aan, zeilde naar Londen om zijn hotel te promoten en verzocht logerende kunstenaars vrienden en collega’s te wijzen op hotel Spaander. Leendert bouwde twee hoge ateliers aan de Zuiderzeezijde van het hotel (later werden dat er meer), waar het magische zeelicht waarnaar de schilders op zoek waren overvloedig naar binnen stroomde.

De kunstenaars kwamen – soms voor paar weken, soms bleven ze jaren. Aaltje Spaander kookte een keer per maand een overvloedig diner voor de schilders, consumpties niet inbegrepen. ‘Ze eten me arm, maar drinken me rijk’, zei haar echtgenoot tevreden. Volendamse mannen en vrouwen poseerden gewillig – met een dagdeel stilzitten verdienden ze een gulden, vier keer zo veel als met een dag netten boeten.

Vreemd was het wel, vond ook Brokken. ‘Ik had waarschijnlijk dezelfde vooroordelen die iedereen heeft over Volendam. Maar ik trof hier een open-minded dorp aan waarin kunstenaars integreerden en volop meededen aan de Volendamse kermis. Eentje, de Fransman Augustin Hanicotte – Annie Kot, zeiden ze in het dorp – was jarenlang Sinterklaas en trouwde met een van de dochters van Spaander. Het was een open samenleving, nieuwsgierig, waar buitenlanders welkom waren.’

Eerst dacht Brokken dat de gastvrijheid in Volendam was te danken aan het katholieke karakter van het dorp, maar toen ontdekte hij dat kunstenaars in het protestantse Marken, even verderop, ook hartelijk welkom werden geheten. Alleen werden ze daar geacht de kwasten op zondag te laten rusten.

Hoe dan ook, het was een ander Volendam dan dat van 2024, waar bij de laatste verkiezingen ruim 40 procent PVV stemde. ‘Tolerantie is kennelijk niet erfelijk’, zegt Brokken.

Feit is dat de Amerikaanse Elizabeth Nourse, die in Parijs woonde, in Volendam een sfeer aantrof waarin ze in grote vrijheid haar eigen gang kon gaan en zich in de gelagkamer van Spaander onder haar collega-kunstenaars kon mengen. Dat in tegenstelling tot Parijs, waar salons en kunstenaarscafés voor haar gesloten bleven.

Nadat hij de journalistiek begin jaren tachtig vaarwel had gezegd, begon Brokken als fictieschrijver. Maar al in het tweede boek na zijn debuut, Zaza en de president, werd de aantrekkingskracht van de werkelijkheid hem te machtig. ‘Er sloop ontzettend veel non-fictie in. Ik dacht: de werkelijkheid is zo rijk, mooier dan alles wat ik kan verzinnen.

Neem De rechtvaardigen, over de Nederlandse consul Jan Zwartendijk, die in Litouwen tienduizend Joden het leven redde. Jarenlang heeft hij getwijfeld: heb ik die mensen niet de dood ingejaagd, in plaats van gered? Hij had zelfs een officiële reprimande van de regering gekregen. Dan valt er, nota bene op de dag van zijn begrafenis, een brief in de bus van het Holocaust Research Center. Daarin staat dat na onderzoek is gebleken dat ten minste 95 procent van de mensen aan wie Zwartendijk een visum heeft uitgereikt de oorlog heeft overleefd. Dat verzin je niet. En als ik het had verzonnen, had je gezegd: onwaarschijnlijk. Als je de waanzin van de werkelijkheid wilt laten zien, moet je non-fictie schrijven, geen fictie.’

Toch schemert de fictieschrijver in alle verhalen in De ontdekking van Holland door. In de titels van de hoofdstukken: ‘De bekoorlijkheid van het rauwe leven’, ‘Het blauw en het magenta’, ‘Gebed voor de doden in het armenhuis’, ‘De processie naar de Genadekapel’. Maar ook in Brokkens stijl: ‘Ik stel me voor hoe Elizabeth Nourse aan het begin van de zomer van 1892 in Volendam arriveerde: even rustig als alleen.’

Het is een naar het fictieve neigend verhaal, gebaseerd op nijver zoekwerk. ‘Ik heb nageteld hoeveel Engelse schilders er op dat moment in het hotel logeerden. Ik weet dat Leendert Spaander zelf achter de balie stond. Ik weet welke vragen hij stelde. Ik weet precies wat Nourse hier heeft geschilderd, met wie ze was. De dialoog heb ik bewust summier gehouden, anders zeggen lezers: je was er niet bij. Maar je moet als non-fictieschrijver niet te bang zijn.’

‘Schrijven is duizend levens leiden’, schrijft hij ergens in het boek. Misschien is dat de dwingende drijfveer in het werk van Brokken. Eén leven is maar karig en bovendien gaat het snel voorbij. ‘Ik zoek naar levens die ik zou willen leiden.’ Bij een zelfportret van Théo van Rysselberghe, ook een Spaander-gast: ‘Zo zou ik eruit willen zien, dacht ik bij het zien van een reproductie: verzorgd, zonder enige schijn van conformisme of burgerlijkheid. Ik zou überhaupt een leven als dat van Van Rysselberghe hebben willen leiden, met dezelfde libertijnse petite dame. Onmogelijk natuurlijk, maar ik schrijf om zulke wensen in vervulling te laten gaan.’

De vader van Brokken was dominee, eerst in Nederlands-Indië, na de onafhankelijkheid van Indonesië in Rhoon, onder Rotterdam. ’s Avonds, aan tafel, werd er verteld over wat zich onder de gemeenteleden had afgespeeld, vaak echte drama’s. Zo heeft Brokken wellicht zijn gevoel voor verhalen aangeleerd.

Hij was een nakomertje in een gezin van drie kinderen, de enige die de Japanse kampen niet had meegemaakt. Zijn ouders leden aan een kampsyndroom, zijn vader eindigde als een psychisch wrak. ‘Ik heb heel vaak gedacht: ik had eigenlijk beter niet geboren kunnen worden. Dat is wel een lullige constatering voor jezelf. Ik had het gevoel dat mijn ouders met mij in hun maag zaten, moesten ze weer zo’n jongen opvoeden.’ Het is de reden dat hij zelf geen kinderen heeft gekregen. ‘Ik was bang dat ik mijn trauma’s op mijn kinderen zou overbrengen.’

Na de School voor Journalistiek verliet hij opgelucht het land. ‘Ik ben mijn vader pas gaan begrijpen nadat hij was overleden’ – en nadat hij over diens ervaringen had geschreven. Gelukkig kan hij in zijn boeken andere levens leiden dan dit ene. ‘Ik schrijf niet als therapie. Ik schrijf, zoals Jan Wolkers het uitdrukte, om de dingen een plaats te geven. Zo kan ik ermee omgaan.’

De ontdekking van Holland is zijn 35ste boek in een 40-jarig schrijverschap, dat pas zal eindigen als hij erbij neervalt. Zijn werk voltrekt zich in een vast ritme: wanneer zijn uitgever bezig is een boek gereed te maken voor publicatie, is Brokken alweer begonnen aan het volgende. ‘Mijn redacteur Emile Brugman zegt altijd tegen me: begin in de periode van de drukproeven alvast met een volgend boek. Als dan de ontvangst niet zo goed is, ben je alweer bezig.’

Zijn volgende bundel, met als openingsverhaal ‘Afscheid van Boedapest’, is af. Hoe werkt dat, in de wereld van Jan Brokken? Zo: ‘Ik had een afspraak met een Joodse dame, omdat ik ooit Marga Minco had geïnterviewd en zij Minco had vertaald. We zaten in zo’n koffiehuis. Ik luisterde naar wat ze vertelde en dacht: ik heb een verhaal. Ik ben na afloop meteen naar mijn kamer in het hotel gegaan. Daar heb ik de hele nacht zitten schrijven. Zes weken later was ik terug in Boedapest voor een lezing in het Joods Historisch Archief. Ik heb drie of vier dagen door Boedapest gelopen, ik wist waar ik naartoe moest. Dan word ik weer even journalist. Kijken en praten. Ik kwam terug met zo’n grote AH-tas vol boeken en ben in Frankrijk begonnen met het invullen van de details van haar verhaal. Vorige week heb ik het naar haar opgestuurd. Ze was verbijsterd, zei ze.’

‘Je moet er een neus voor hebben. Soms reis ik samen met Marie-Claude (zijn Franse echtgenote, red.). Komen we terug en dan ga ik opeens aan een verhaal beginnen. Ze heeft dan geen idee waarover, maar mij is dan onderweg iets opgevallen. Ik zie snel de reikwijdte van een verhaal – het moet niet alleen een interessant verhaal zijn, het moet ook ergens voor staan, ergens toe leiden. Dat is een voorgevoel dat ik dan heb, intuïtie.’ Zijn intuïtie bedriegt hem nooit: hij weet wanneer hij heel goed moet gaan zoeken.

Hij zoekt altijd naar verbanden, naar verhalen die uiteindelijk deel blijken uit te maken van een groter geheel, naar details die een wereld openen. ‘Zo grijpt alles in elkaar, tenminste, als je ernaar zoekt,’ luidt de laatste zin van De ontdekking van Holland.

En zo baart het ene verhaal het andere. Een van de hoofdstukken in De ontdekking van Holland gaat over Hille Butter, een geboren Volendamse die zich van een 14-jarige serveerster in hotel Spaander ontwikkelde tot een aantrekkelijke beroemdheid, hoewel ze nooit een stap buiten Volendam zette. Ze was de eerste Volendamse die, in 1924, scheidde van haar echtgenoot. Soms landde er voor de kust een watervliegtuig en liet prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, zich naar de Dijk roeien, om Hille met een bezoek te vereren. Op een dag stond er een verdacht type voor haar deur, ‘een vogelverschrikker’, zeiden de buren. Het bleek kroonprins Hirohito van Japan te zijn, die de faam en schoonheid van Hille ook ter ore was gekomen. Hij vertrok uren later, ‘met rode konen’. Brokken weet dat Hille correspondeerde met Winston Churchill – ze had zichzelf Engels aangeleerd.

‘Natuurlijk is dat leven een boek. Maar daarvoor moet er eerst iets gebeuren, moeten die brieven opduiken. Ik heb al een beetje gezocht, ze had twee kinderen, maar die zijn allebei overleden.’

In Trouw schreef collega-auteur Judith Koelemeijer onlangs dat ze zich verheugde op Brokkens nieuwe boek over hotel Spaander. Even later kwam er een brief van een Franse schilder die het ter ore was gekomen en die allemaal brieven bezat van een dochter van Augustin Hanicotte en Trijntje Spaander. Het is hem vaker overkomen, dat mensen nadat het boek af was met waardevolle informatie kwamen: zo is zijn boek De kampschilders ontstaan.

Schrijven is de roeping van Brokken; hij is een verhalenzoeker, een schatgraver. Hij geniet ervan als een verhaal zich vormt en betekenis krijgt. Hij kan zich niet eens voorstellen dat hij zou stoppen: ‘Als ik niet meer schrijf, ga ik dood.’

En er is nog een risico dat hij graag wil vermijden. ‘Ik wil er niet achter komen dat ik niet-schrijven leuk vind.’

Jan Brokken: De ontdekking van Holland. Atlas Contact; 320 pagina’s; € 26,99.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next