Naast de ieniemini stenen met miniatuur snijwerk in rood, groen, geel, bruin en blauw, hangen een vergrootglas en een roze uitlegbordje. Deze tien gems horen bij „de honderden stenen die het British Museum onlangs heeft teruggevonden, nadat ontdekt was dat ze waren verdwenen”. En: „De meeste van deze stenen waren slecht gedocumenteerd.”
Door de afstandelijke taal, het museum dat over zichzelf in derde persoon spreekt, lijkt het een beetje alsof het schandaal niet over dít museum gaat. Niet over dit gebouw, waar van ’s ochtends tien uur tot laat in de middag een kronkel bezoekers voor de poorten wacht om kunstobjecten vanuit de hele wereld te bekijken; gratis. Niet over dit instituut, het oudste nationale publieke museum ter wereld, waar de afgelopen maanden zoveel over te doen is geweest.
De meeste bezoekers lopen voorbij deze bescheiden tentoonstelling, Rediscovering gems, die vorige week is geopend. De cameeën en intaglio’s – gesneden kunstwerkjes in glas of steen – hangen in een kleine zaal direct naast de ingang. Wie hier wel naar binnen drentelt, heeft vaak nog nooit van de diefstal gehoord. Zoals Emily Chettle en Lily Meeks uit Nottingham, ze zitten op een bankje hand in hand de plattegrond van het museum te bekijken en hadden allebei geen idee. „Gestolen, uit de collectie? Wow.”
En dat terwijl de diefstal vorig jaar een akelig dieptepunt was voor het British Museum, in een periode waarin de reputatie van het museum toch al onder druk staat.
Stenen met miniatuursnijwerk die het British Museum na een diefstal weer in bezit kreeg.
Steeds meer musea besloten de afgelopen jaren om roofkunst terug te geven aan de landen waar de kunst vandaan komt, maar het British Museum niet. De diefstal van de stenen kwam meteen in het licht van die discussie te staan. Een belangrijk argument om de kunstwerken uit koloniale tijden in Londen te houden, was altijd dat de conservatie van de stukken in veilige handen was bij het British Museum.
Dat was ineens niet geloofwaardig meer. In augustus vorig jaar bleken ongeveer 1.500 objecten uit de collectie verdwenen. Nog eens 500 voorwerpen waren beschadigd geraakt. Gemmen en juwelen van de Griekse en Romeinse afdeling hadden voor een paar tientjes te koop gestaan op verkoopsite eBay. Bij honderden andere stukken die nog wel in het depot lagen, was het goud eruit gehaald, waarschijnlijk om het als sloopgoud te verkopen. Het onderzoek van de politie loopt nog, maar volgens het hoofd van de raad van toezicht George Osborne was het „waarschijnlijk iemand van binnenuit” en heeft de diefstal zeker twintig jaar geduurd. Er is een curator ontslagen.
Het was een Deense kunsthandelaar, Ittai Gradel, die de grootschalige diefstal ontdekte en het museum ervan op de hoogte bracht. De Britse emeritus hoogleraar en archeoloog Martin Henig hielp Gradel een paar van de puzzelstukjes op hun plek te leggen. De twee kennen elkaar van de universiteit in Oxford en Gradel vroeg aan Henig om enkele objecten die hij op eBay had gevonden, op te zoeken in de museumcatalogus van gemmen en cameeën waarvan hij wist dat Henig die thuis had liggen. Die catalogus stamt uit 1926 en het is de laatste die het British Museum van de gemmen had gemaakt, vertelt Henig. „Ze hebben nooit de moeite gedaan een nieuwe druk uit te brengen.”
De twee konden hun ogen niet geloven en vonden inderdaad enkele voorwerpen terug in de catalogus. Maar zeker niet alle stukken waarvan Gradel het vermoeden had dat ze uit het British Museum kwamen. Henig: „Die catalogus is zeer incompleet. Dat was een ernstige fout van het museum. Veel cameeën uit de achttiende en negentiende eeuw zijn er nooit in opgenomen.”
Het museum schatte zijn eigen collectie niet op waarde, zegt Henig. „Ze hadden nogal een lakse houding. Ik denk door een mengeling van een tekort aan personeel en een gebrek aan interesse voor de voorwerpen.” Het duurde ook maanden voordat het museum Gradels meldingen serieus nam.
Geen enkel westers museum heeft de documentatie van zijn collectie helemaal op orde, denkt Johanna Zetterström-Sharp, hoofddocent Erfgoedstudies aan het University College in Londen. „Ze hebben honderdduizenden objecten in hun depots en niet genoeg budget om die allemaal te documenteren. Zeker publieke musea zijn vooral gericht op de buitenwereld en besteden daar hun geld aan: nieuwe tentoonstellingen en programmering.” Vaak zijn bijvoorbeeld enkele topstukken van een gift die uit een grote hoeveelheid stukken bestaat wel gedocumenteerd en de rest niet.
In reactie op de diefstal gaat het British Museum de hele collectie documenteren en digitaliseren, zodat alles online doorzoekbaar wordt. Van de acht miljoen objecten waren er zo’n 2,4 miljoen niet gedocumenteerd. Ze konden moeilijk anders, zegt Zetterström-Sharp. Zorgelijker vindt ze dat het museum de fysieke toegang tot de collectie heeft ingeperkt, bijvoorbeeld voor onderzoekers of inheemse clubs op zoek naar hun cultureel erfgoed. „De depots zijn alleen nog toegankelijk voor een klein geprivilegieerd clubje, vooral voor mensen met een curatorenachtergrond. Terwijl de grondslag van het museum toch is dat wereldwijde kunstschatten voor iedereen te zien moeten zijn.”
In de kleine zaal met de gemmen – ongeveer 350 van de gestolen stenen zijn terecht, de meeste teruggegeven door Ittai Gradel – hebben Emily Chettle en Lily Meeks wél gehoord van de discussie over het teruggeven van roofkunst. Over een terugkeer bijvoorbeeld van de marmeren friezen van het Parthenon, de Elgin Marbles, spreken de Britse en Griekse regeringen onder de radar al jaren. In het British Museum nemen die friezen permanent een halve vleugel in beslag. „Ik dacht altijd dat het te lastig was om ze veilig te transporteren en dat ze daarom niet naar Griekenland konden”, zegt Chettle, „maar nu heb ik gezien dat het allemaal losse delen zijn, dus snap ik niet waarom ze niet terug kunnen”.
Een ander beroemd voorbeeld zijn de Benin-bronzen, de duizenden bronzen kunstwerken die Britse soldaten in 1897 stalen uit het koninklijk paleis in Benin (dat nu in Nigeria ligt). Ze verkochten die door aan allerlei westerse musea en overheden. Het British Museum heeft de grootste verzameling in bezit, van ongeveer 950 bronzen. Lily Meeks vindt dat die ook terug moeten: „Terug naar waar ze thuishoren. Maar dat zou een politieke erkenning van de koloniale misdaden betekenen en dat is voor de regering blijkbaar een probleem.”
Eind 2022 gaf het veel kleinere Horniman-museum in Londen wél al enkele Benin-bronzen terug aan Nigeria. Johanna Zetterström-Sharp was bij de totstandkoming van dat besluit betrokken: „Het Horniman had altijd al een reputatie van voorloper. Het British Museum is het tegenovergestelde en zeer conservatief. Het is moeilijk om je uit te spreken daar. Als je het al zou willen, werknemers worden vanzelf onderdeel van die conservatieve cultuur.” Zij denkt wel dat het „ethisch gezien noodzakelijk” is dat het British Museum stukken gaat teruggeven.
Er lijkt, heel voorzichtig, beweging te komen in de houding van het museum. Tot vorig jaar wees George Osborne als verdediging standaard naar wetgeving uit 1963, die het teruggeven van kunst door het British Museum praktisch verbiedt. Nu spreekt hij welwillender over „pragmatische mogelijkheden” rond teruggave, ruilafspraken of langetermijnleningen.
En interim-directeur Mark Jones – de vorige directeur stapte op vanwege het diefstalschandaal – zei in januari tegen The Times dat hij niet zo geïnteresseerd is „in de juridische status van de betwiste stukken” en liever praat over „de voordelen van het delen van objecten”. Maar Jones noemt ook nog een veelgebruikt argument tegen het teruggeven of langdurig uitlenen van kunst: dat het museum dan misschien binnen de kortste keren leeg is. „Er is het risico dat we snel omslaan van een houding dat ‘niks mag gaan’ naar een van ‘alles mag gaan’.”
Politiek gezien zal een wijziging van die wet uit 1963, waarmee het wel mogelijk zou worden afstand te doen van kunstwerken, er niet snel van komen onder de Conservatieve Partij. Premier en partijleider Rishi Sunak zegde in november vorig jaar halsoverkop een afspraak af met de Griekse premier, omdat die een dag eerder tegen de BBC had gezegd dat hij de Parthenon-friezen graag terug in Athene zou zien. Die vrijpostigheid zou Sunak hebben geïrriteerd – en zo’n afzegactie kwam hem binnenlands ook mooi uit. Zo liet de premier zien dat hij de Britse belangen en de belastingbetaler die meebetaalt aan musea hoog heeft zitten.
Het British Museum zit klem. Van de linkerkant komt de oproep de koloniale tijden fatsoenlijk te adresseren en gestolen kunst te repatriëren. Vanuit rechts staat het museum onder druk daar niet in mee te gaan. „Om niet toe te geven aan de overgevoelige sentimenten van snowflake links”, zoals Zetterström-Sharp de retoriek van rechts typeert. „Het is moeilijk daartussen te navigeren, zeker voor een instituut als het British Museum. Bij het Horniman Museum zag ik hoezeer zo’n besluit tot teruggave door iedereen binnen het museum gedragen moet worden, niet alleen door de voorzitter of de raad van toezicht. Het duurt jaren om daar te komen.”
Intussen blijven voorbeelden opduiken, klein en groot, van die conservatieve cultuur bij het British Museum. Afgelopen week ontstond een kleine storm op sociale media over een stenen standbeeld van Paaseiland uit de collectie. Chilenen schreven massaal berichtjes op de Instagram-pagina van het British Museum met een oproep om het standbeeld terug te geven. Het museum maakte vervolgens het posten van commentaar (tijdelijk) onmogelijk.
Een groter voorbeeld: eind vorig jaar werd bekend dat het British Museum 50 miljoen pond (ongeveer 58,4 miljoen euro) aanneemt van olieproducent BP, al jarenlang een belangrijke sponsor van het museum. Andere Britse cultuurorganisaties beëindigden de afgelopen jaren hun partnerschap met BP, het British Museum dus niet. Volgens directeur Jones is het geld hard nodig om het gebouw te renoveren en te verduurzamen; volgens critici is het toondoof en onethisch om van een zware vervuiler geld aan te nemen.
Met zo’n grote donatie van een ‘foute’ sponsor komt de discussie eigenlijk weer uit bij de diefstal uit het depot en de lage prioriteit die de administratie van de collectie krijgt, zegt oud-hoogleraar Martin Henig. „Ik denk niet dat het slim was voor hun reputatie om het geld aan te nemen. Maar zonder sponsoren blijft er nog minder geld over om fatsoenlijk voor hun collectie te kunnen zorgen.”
In 1753 werd het British Museum opgericht en in 1759 opende het zijn deuren. Daarmee is het wereldwijd het oudste publieke nationale museum.
De collectie begon toen met ruim 80.000 zeldzame objecten, 40.000 boeken en manuscripten en 32.000 munten en medailles. Inmiddels heeft het museum ongeveer 8 miljoen kunstvoorwerpen in zijn collectie. Daarvan zijn er meestal ongeveer 80.000 tentoongesteld.
4,1 miljoen bezoekers kreeg het museum in 2022. Voor de coronapandemie lag dit aantal jaarlijks flink hoger, ruim boven de 6 miljoen.
Source: NRC