Beschouw ze als de meester en de leerling. Traumachirurg Marijn Houwert en arts-assistent Berend van Doorn schrijven kritisch over hun werk in Medisch Contact – hun bijdragen zijn nu gebundeld. Hoe blijft het vak aantrekkelijk?
Arts-assistent Berend van Doorn (29) bedacht twee jaar geleden het ballenalarm, een geslaagde campagne over teelbalkanker, die mannen oproept hun teelballen te checken als op de eerste maandag van de maand de sirenes loeien. Traumachirurg Marijn Houwert (42) was vier jaar geleden mede-oprichter van het succesvolle coronasteunfonds voor zorgverleners.
Ze vonden elkaar in hun blogs voor vakblad Medisch Contact, waarin ze een eenstemmige afkeer laten zien van de bureaucratie in de zorg en met oplossingen komen om hun vak beter en aantrekkelijker te maken. Die blogs zijn nu gebundeld in een boek, ze lezen als de stem van de meester en de leerling: de chirurg en opleider versus de jonge dokter die aan het begin van zijn loopbaan staat.
Houwert, werkzaam in het UMC Utrecht, is naar Nieuwegein gekomen, waar hij in de koffiehoek van het St. Antonius Ziekenhuis zijn collega Van Doorn ontmoet. Een gesprek aan de hand van citaten uit hun blogs.
Over de auteur
Ellen de Visser is medisch redacteur op de wetenschapsredactie van de Volkskrant en auteur van de bestseller Die ene patiënt, waarin zorgverleners vertellen over een patiënt die hun kijk op het vak veranderde.
Marijn Houwert zag het de afgelopen jaren in zijn ziekenhuis: wie niet was gepromoveerd, was kansloos voor een opleidingsplek. Artsen zonder promotieplannen solliciteerden al niet eens. ‘Een ridicule overwaardering’, noemt hij het. ‘Wetenschappelijk onderzoek is belangrijk en een promotie laat zien dat je graag het vakgebied in wil. Maar het moet geen kapstok zijn om de dokter van de toekomst te kweken.’
Berend van Doorn heeft nog niet gesolliciteerd voor een opleidingsplek, vertelt hij. ‘Ik ben nu bezig om mijn cv sluitend te krijgen en mezelf zo goed mogelijk te positioneren voor de ratrace.’ Hij weet zeker dat hij niet wil promoveren, zelfs als dat zijn kansen verkleint: ‘Ik denk niet dat ik er gelukkig van zou worden.’ De kracht van zijn jonge collega ligt ergens anders, zegt Houwert. ‘Hij kan campagnes bedenken die aanslaan, of dingen zo opschrijven dat we ons erdoor aangesproken voelen.’
Houwert ziet de ‘collectieve gekte’ heel langzaam veranderen. De afgelopen tweeënhalf jaar zijn er in zijn regio negentien arts-assistenten aangenomen, van wie er twee niet zijn gepromoveerd. ‘Het belangrijkste is dat zij goede dokters zijn. Verder hebben ze iets nodig waarmee ze de gezondheidszorg vooruithelpen. En dat betekent niet per se een promotie-onderzoek. Duurzaamheid. Preventie. Zorg voor ouderen. Ethiek. Wie behandelen we wel en wie niet? Dat zijn de belangrijkste onderwerpen voor de komende decennia. Laten we van onze aankomende artsen alle talenten gebruiken. We hebben ook dokters nodig die de kar trekken in de klimaatcrisis of op de markt kunnen uitleggen waarom vaccinaties belangrijk zijn.’
Het was vorig jaar het best gelezen blog op de website van Medisch Contact: het betoog waarin Berend van Doorn zich afvroeg of de ochtendoverdracht in het ziekenhuis niet een half uurtje later kon. Hij werd overspoeld met reacties, ook van knorrige oudere specialisten.
‘Ik heb nog geen enkel goed argument gehoord om het niet te doen. Collega-artsen zeiden: dit doen we al heel lang zo en dan kom jij dat even veranderen. Of: op de intensive care is de overdracht om acht uur, als wij later beginnen komen ze daar in de knoop. Nou, dan beginnen de operaties wat later. Het gaat niet alleen om de dokters, ook de verpleegkundigen staan hier om zeven uur, net als het ondersteunend personeel.’
Het staat symbool, zegt Houwert, voor de manier waarop artsen in opleiding met hun vak omgaan. De oudere generatie artsen offerde zich op, hun hele privéleven ging eraan, relatief veel artsen zijn gescheiden. ‘Chirurgen leven acht jaar korter dan de algemene bevolking. Dat zal voor een groot deel worden veroorzaakt door slaapgebrek en stress. Wij zijn grootgebracht met het idee dat weinig slaap erbij hoort.’
Chirurg zijn, zegt hij, vraagt een bepaalde hardheid. ‘Als ik om twee uur ’s nachts mijn bed uit word gebeld en ik moet binnen tien minuten in het ziekenhuis zijn, dan doet dat soms fysiek pijn. Je moet fit zijn, ook mentaal, je moet doorzettingsvermogen hebben, er ligt druk op je schouders om de operatie tot een goed einde te brengen. Maar die hardheid past best in een werkweek van veertig uur, zeventig uur is echt niet nodig. Als chirurgen nou eens wat minder gingen werken? Dan geven ze jonge collega’s ook een kans.’
Van Doorn: ‘Is de klassieke hiërarchie in het ziekenhuis nog wel van deze tijd? Ik heb respect voor de medisch specialist, maar waarom moeten we een hoogleraar nog met professor aanspreken en u tegen hem zeggen? En waarom ben ik voor collega’s dokter Van Doorn? Ik vind dat we elkaar in het hele ziekenhuis bij de voornaam moeten gaan noemen, van de coassistent tot de bestuursvoorzitter en de schoonmaker.’
Houwert: ‘Het zou toch heel gek zijn als we jou de hele tijd met journalist De Visser zouden aanspreken?’
Van Doorn: ‘De coassistent, de arts in opleiding, de fellow, de specialist: ze moeten allemaal verantwoording afleggen aan iemand die boven hen staat. Mijn opleiders zijn verantwoordelijk voor wat ik doe. Maak ik een fout, dan worden zij voor de tuchtrechter gesleept. Dat verklaart de strenge hiërarchie. Maar als ik een hoger geplaatste arts tutoyeer, dan verdwijnt daarmee mijn respect niet.’
Houwert: ‘Als ik in de operatiekamer sta, dan is de hiërarchie evident. Iedereen kijkt naar me: wat gaan we doen? De communicatie is strak. Maar die momenten maken nog geen 10 procent uit van de tijd in het ziekenhuis. De rest van de tijd blijft die hiërarchie bestaan, met de bijbehorende communicatie. Dat moeten we doorbreken. Ik wil bij mijn voornaam worden genoemd.’
Van Doorn: ‘Alle jonge dokters om mij heen noemen dezelfde struikelblokken: de lange werkdagen, de diensten, de hiërarchie. Maar ook de bejegening. Waarom is het gebruikelijk om alleen commentaar te geven als we iets fout doen en niet als het goed gaat? Ziekenhuizen in het hele land kampen met een gebrek aan arts-assistenten. Ook wij hebben een tijdlang met te weinig personeel gestaan. Ik vermoed dat de werkcultuur daar deels debet aan is. Als we het vak aantrekkelijk willen houden voor jonge dokters, dan moet het iets meer gaan lijken op een normale baan, zonder dat het afdoet aan de kwaliteit van de zorg.’
Houwert: ‘We zien een kentering ontstaan. Jonge collega’s denken na of het vak bij hen past in plaats van hoe zij in het vak passen. Ze willen leuk werk, maar ook ruimte voor een leven ernaast. En dat is niet meteen wat wij als chirurgen te bieden hebben. Jonge artsen maken andere keuzen dan wij hebben gemaakt. Daar moeten we wat mee. We hebben de nieuwe generatie artsen hard nodig om de grote maatschappelijke problemen op te lossen die op ons afkomen.’
Berend van Doorn & Martijn Houwert: Blessuretijd. Uitgeverij Parure; 224 pagina’s; € 22.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Antwoord op al uw vragen
Updates, wijzigingen en klachten
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden