Home

Al was filmmaker Derek Jarman terminaal ziek, zijn dagboek getuigt op elke bladzijde van veerkracht en genot

Derek Jarman (1942) was een Engelse filmmaker, schrijver, schilder en beeldhouwer. Hij ontwierp decors en kostuums voor film en opera. Hij maakte muziekvideo’s voor de Pet Shop Boys, The Smiths en Marianne Faithfull. Hij was tuinier: de door hem in kiezels aangelegde tuin aan de onherbergzame Engelse zuidkust, in Dungeness, is nog altijd een attractie. Hij was een uitgesproken activist voor homorechten en dus een fel tegenstander van Margaret Thatcher, die in 1988 wettelijk liet verbieden om ‘homoseksualiteit opzettelijk te bevorderen of materiaal te publiceren met de bedoeling homoseksualiteit aan te moedigen’.

Toen Jarman in 1986 besmet bleek te zijn met het aidsvirus, besloot hij daar open over te zijn. ‘Ik verfoei geheimen; voor de draad ermee, geen stiekem gedoe.’ Het leverde hem nationale bekendheid op in een land waar – zoals in veel landen in die tijd – aids werd gezien als een homoprobleem en werd toegeschreven aan een losbandige leefstijl. Hij stierf, 52 jaar oud, in 1994.

Moderne natuur bestaat uit dagboekaantekeningen uit 1989 en 1990. Jarman wist dat hij zou sterven. Om zich heen zag hij vrienden en bekenden ziek worden en doodgaan, vaak op een ellendige manier. Hij vindt er, zo eloquent als hij is, nauwelijks woorden voor. ‘Vandaag is mijn vriend Alan gestorven.’ Zo blijven ziekte en dood in zijn aantekeningen lange tijd op de achtergrond. We zien glimpen. ‘Ik begiet de rozen en vraag me af of ik ze nog zal zien bloeien.’ Hij laat een testament opmaken. Hij heeft zo nu en dan klachten: nachtzweten, hoofdpijn. Hij valt af. ‘Ik zie eruit als een vogelverschrikker.’

Maar dat is het wel. Wat we vooral zien, is iemand die uit alle macht leeft: schaarste maakt de tijd die hij heeft kostbaar. Hij reist heen en weer tussen zijn flat in Londen en het huis in Dungeness. Hij schildert en maakt films. Hij brengt tijd door met vrienden en verschijnt op televisie. Hij brengt nachten door op Hampstead Heath, waar hij zich thuis voelt tussen de dolende mannen. Soms komt het tot seks, maar vaak genoeg blijft het bij verhalen over seksuele escapades. Hij luistert er graag naar: ‘Net als in vissersverhalen zijn het altijd knoeperds.’

Een groot deel van de aantekeningen gaan over Dungeness – het huis, de tuin en het landschap. Hij geeft geweldige beschrijvingen van het barre, kale kustgebied, niet veel meer dan een metersdikke laag kiezels, een paar huizen en vissersboten, op de achtergrond het gevaarte van een kerncentrale. Het weer heeft er vrij spel. Jarman beschrijft het voortdurende spektakel van zee en hemel, elk uur anders, zelden gewoontjes. Tijdens een storm zwaait de plafondlamp heen en weer, ligt de kamer vol stof en valt de elektriciteit uit. De wind rukt aan de houten planken van het huis: ‘Tachtig jaar teer en verf lieten los met een knal als een geweerschot.’

Het is een wonder dat hij er een tuin weet aan te leggen. De algemene aanpak is om een kuil te maken in de kiezels, die vol te storten met compost, en in de compost te planten. Het is vallen en opstaan. Hij plant bijvoet, zeekool en sleutelbloemen. Hij neemt stekjes, geeft water en wiedt. Vogels en vlinders schieten toe. Maar geregeld laat het weer zich gelden met droogte, kou of een harde wind die zout zeewater meevoert. De planten zijn ‘verschroeid door de zoute wind en staan er heel zielig bij’. Niet dat hij bij de pakken neerzit. Even later is hij alweer op weg naar de kweker voor een nieuwe roos.

Het huis in Dungeness heeft hij gekocht met geld uit de erfenis van zijn vader. Het tuinieren is een herontdekking na jaren van stadsleven en een balkonnetje waar hij hooguit wat geraniums kan houden. Maar sinds hij als 4-jarige een geïllustreerd boek heeft gekregen over bloemen en planten, is hij een enthousiast botanist. De geneeskrachtige werking van planten interesseert hem in het bijzonder. Klein hoefblad wordt aanbevolen tegen alle longklachten, schrijft hij, en is het hoofdbestanddeel van kruidentabak. ‘Ook Plinius beval het aan: hij opperde het door een holle rietstengel te inhaleren en tussendoor slokjes wijn te nemen.’ Al te serieus wordt hij niet: de planten in zijn tuin zullen hem niet redden, beseft hij. ‘Als farmacopee schiet mijn tuin tekort.’

Geregeld dwaalt hij over het strand. Hij neemt langwerpige vuurstenen mee om de perken te markeren en decoreert de tuin met aangespoelde stukken hout, oude roeispanen en een roestig anker. Zo ontstaat inderdaad moderne natuur, een symbiose van bloei en verbeeldingskracht, in min of meer gelijke delen tuin en kunstwerk. Het is ook een moderne tuin door het besef dat zijn eigen, falende lichaam er een onderdeel van is. Dat is troostend. Zodra hij de tuin betreedt, schrijft hij, komt hij in een andere tijd terecht: cyclisch, een wereld van ontstaan, groei en verval, van zich herhalende seizoenen. Het bevrijdt hem van een lineaire tijd die onverbiddelijk naar het graf leidt.

De dagboekaantekeningen worden geregeld afgewisseld met herinneringen. Ook daarin spelen tuinen een grote rol. Zijn vader was piloot bij de RAF en dus reisde het gezin veel rond. In zijn vroegste herinneringen is er een idyllische tuin aan het Italiaanse Lago Maggiore. In Rome wonen ze vlakbij de Villa Borghese. ‘Elk park droomt van het paradijs’, stelt hij vast.

Zijn eerste seksuele ervaringen spelen zich af in een verwaarloosd park in de buurt van zijn kostschool. Hij vleit zich er neer met een ander jongetje, tussen de viooltjes, naakt, en ze strelen en betasten elkaar. Zijn metgezel beschrijft het resultaat als ‘het zalige gevoel’. Ze beloven elkaar geheimhouding, want seks is zondig. Als hij op de slaapzaal wordt betrapt bij het masturberen, wordt hij voor zijn bed gezet, naakt en de erectie nog fier, en door een van de nonnen geslagen: ‘De rotting zwiepte met duizenden jaren opgekropte christelijke haat.’

In maart 1990 – op ongeveer driekwart van het boek – slaat de ziekte harder toe en lezen we er meer over. Hij wordt opgenomen in het ziekenhuis vanwege aanhoudende diarree, koortsaanvallen, nachtzweten en moeite met ademen. Hij valt snel af: het gehobbel van de rolstoel waarin hij naar de onderzoeksafdeling wordt gereden, bezorgt hem pijn in alle gewrichten. Hij kan een boek over Jackson Pollock niet lezen, klaagt hij, ‘het drukt te zwaar op mijn borst’.

Als hij eindelijk wordt ontslagen, is de opluchting groot. ‘Terug naar huis, naar mijn tuin.’ Eenmaal in Dungeness gaat hij meteen weer aan het werk. Hij schildert, maakt plannen voor een nieuwe film en werkt in de tuin. ‘De zeekool is ontkiemd, de eerste knoppen verschijnen aan de rozen.’ Hij blijft zich beroerd voelen en krijgt oogproblemen, maar weigert opgave. ‘Ik wil dolgraag nog een paar zomers mijn tuin in leven houden.’

Het dagboek eindigt in september. ‘Ik ben nu een halfjaar ziek’, schrijft hij in de laatste zin. ‘Ik ben negenenhalve kilo afgevallen en mijn scheermes boldert opnieuw over mijn gezicht.’ Het is een treurig besluit dat een treurig boek suggereert, maar dat is het bepaald niet. In het zicht van zijn einde liet het leven zich bij Jarman des te meer gelden. Het boek getuigt op elke bladzijde van veerkracht, het bewonderenswaardige vermogen om altijd en overal een pleziertje te vinden, iets moois of interessants, vriendschap, een grap, iets om van te genieten. Zoals schrijver Olivia Laing het in haar ontroerende inleiding samenvat: zo ‘gaan we allemaal, het donker uit en in; maar o, om zo gelaaid te hebben.’

Derek Jarman: Moderne natuur – Aantekeningen uit een tuin aan de rand van het bestaan. Uit het Engels vertaald door Henny Korver en Nico Groen. Das Mag; 400 pagina’s; € 32,50.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next