Zonder de bereidheid om ook slecht nieuws aan de kiezers te brengen, hebben gesprekken over een komend kabinet sowieso geen zin.
Mark Ruttes vierde kabinet zal niet herinnerd worden als een grootse ploeg, maar er is hier en daar toch wat bereikt. In de voorjaarsraming stelt het Centraal Planbureau vast dat in 2021 nog 6,1 procent van de Nederlanders in armoede leefde. Dat is inmiddels, ondanks de torenhoge inflatie van de afgelopen jaren, gedaald tot 4,7 procent. De verhogingen van het minimumloon, de uitkeringen en enkele toeslagen werpen hun vruchten af.
De inflatie hakt er bij veel mensen wel in. Over de periode 2021-2025 stijgt alleen de koopkracht van de laagste inkomensgroepen, met 4,6 procent. De hoogste inkomens – toch primair de doelgroep van de demissionaire premier – leveren 2,5 procent in. De kritiek in liberale kring dat Rutte zijn verre PvdA-voorganger Joop den Uyl naar de kroon steekt met zijn nivelleringsbeleid, krijgt zo nieuwe impulsen.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Een andere overeenkomst met het tijdperk-Den Uyl zit in het tweede gedeelte van de CPB-boodschap: net als in de jaren zeventig dreigen de overheidsfinanciën uit de rails te lopen. Als het komende kabinet niet ingrijpt, overschrijdt het begrotingstekort in 2028 de Europese norm van 3 procent en loopt het in 2032 op tot 4,6 procent. Dat begint serieus te worden. Ook de staatsschuld zal tegen die tijd zijn gestegen tot boven de Europese limiet. Dankzij de lage rente werd daar de afgelopen jaren op het Binnenhof zeer ontspannen over gedaan, maar die tijd is voorbij: inmiddels is duidelijk dat het komende kabinet in 2028 12,6 miljard euro kwijt is aan rente, 5,8 miljard euro meer dan nu. Dat zijn miljarden die een betere bestemming verdienen.
Ziedaar de erfenis van Rutte IV, dat wel de uitgaven aan het klimaatbeleid, het stikstofbeleid, defensie, de asielopvang, de sociale zekerheid en de zorg verhoogde, maar daar nauwelijks serieuze bezuinigingen of lastenverhogingen tegenover stelde. Dat heeft het demissionaire kabinet gemeen met de verkiezingsprogramma’s van een reeks politieke partijen, aangevoerd door de PVV en de BBB. ‘Na ons de zondvloed’ dreigt het leidende beginsel te worden in de Tweede Kamer, nog versterkt door de moeizame formatie: de onwil om met elkaar te regeren is groot en dat zal niet beter worden door het vooruitzicht dat grote delen van de programma’s onuitvoerbaar zijn.
Den Uyls minister van Financiën, Wim Duisenberg, zag in 1976 wel het probleem en kondigde een rem op de collectieve uitgaven aan. Dat deed ook het daaropvolgende kabinet-Van Agt, maar het duurde tot 1982 voordat het kabinet-Lubbers ook echt wat durfde te doen. De schatkist lag er toen al zo belabberd bij dat het niet meer ging zonder uiterst pijnlijke maatregelen, inclusief kortingen op de uitkeringen en de ambtenarensalarissen.
Informateur Kim Putters hervat maandag zijn gesprekken met de fractievoorzitters over de vraag welke politieke constructies zij voor zich zien voor eventuele samenwerking. Aangezien geen enkel kabinet kan bestaan bij gebrek aan overeenstemming over de financiële uitgangspunten, doet Putters er verstandig aan om ook die andere vraag meteen maar even op tafel te leggen: wie is bereid ook minder leuk nieuws te brengen?
Source: Volkskrant