Home

In mijn peperdure vest, dat er shabby uitzag, voelde ik me uitermate underdressed

‘Ontzettend,’ zeg ik, ‘heb je dat gelezen?’
‘Navalny?’
‘Olijfolie. Kost tegenwoordig 8 euro per liter. Dat is toch verschrikkelijk.’
‘Nou,’ zegt mijn vriendin Jet, ‘de fles die ik vandaag afrekende kostte anders tweeëntwintig euro. Voor 8 euro krijg je alleen bocht.’

Tja, toen was de oliebeer los, natuurlijk. ‘22 euro? Een fles bakvet ter waarde van een paperback met flappen? Heb jij die gekocht?’

Ze knikte, niet erg schuldbewust. Sterker, ze was ontevreden over mijn woordkeuze. ‘Bakvet. Dat is zo Nederlands, olijfolie bakvet noemen.’

Nu ben ik een Nederlander, een trots exemplaar, waarschijnlijk omdat ik het schap ervan heb moeten bevechten. Ik ben geboren zijnde Belg én Nederlander, een riskante toestand. Waartoe een dubbele nationaliteit in de aanstaande dictatuur zal leiden, hoef ik niet uit te leggen. Mijn vluchtverhaal is wankel. Sinds het monster Dutroux achter de tralies zit, schijnt België weer veilig. Marc zal me, mijn jeugdige verschijning ten spijt, niet meer van de straat plukken. Hadde ik mij als achttienjarige niet definitief tot klompen, molens en tulpen bekend, dan dreigde uitzetting. Maar ik ben dus veilig. Daarom zei ik ferm:

‘Sladressing dan.’

Met grote passen beende ik naar het aanrecht waarop onze oliën en azijnen, als de skyline van Manhattan, bij elkaar staan. Wantrouwig bekeek ik de beladen fles. Ook van wolkenkrabbers weet je weinig, er kan zich van alles in afspelen – maar zulks, neen. ‘48 guldens,’ mompelde ik.

Alles, zelfs olijfolie, heeft een intrinsieke waarde, ben ik van mening. En ik ben op aarde om eronder te duiken, en niet om er, als Dick Fosbury, zo hoog mogelijk overheen te springen. De Slegte, kende mijn vriendin Jet die zaak? Zou ik ooit 125 euro neertellen voor een paperback met flappen?

Nee, dat zag ze Scrooge niet doen, nee. En natuurlijk was ze bij De Slegte geweest, maar de olijfolie lag niet in de ramsj.

Haha, au mijn kies. Ik heb slechte ervaringen met te dure aankopen. Eén keer ben ik wezen ‘shoppen’ in Amsterdam. Uren zwierf ik van boetiek naar boetiek, de straatlantaarns knipten aan, Nederland spoedde zich huiswaarts, slagen ho maar. Na sluitingstijd liet ik me door een complimenteus heerschap een schapenwollen vest aansmeren. Ik pinde 350 euro neer.

Verdrietig fietste ik huiswaarts. Intrinsiek mag een schapenwollenvest 119 euro kosten, afgeprijsd de helft, 59 euro dus.

De eerste keer dat ik mijn peperdure schapenwollen vest aantrok, was naar de krant. De zogeheten columnistenmarathon. Alle andere columnisten waren in pak, zelfs het Ombudsclowntje. In mijn peperdure vest, dat er shabby uitzag, voelde ik me uitermate underdressed. Het was bloedrood in De Hete Hoed, ik zwoot als een otter. Wol ademt ook slechte adem.

‘Tja,’ zei ik tegen Simon Carmiggelt, ‘ik dacht, ik doe gewoon mijn vest aan, we zijn onder mekaar, maar wat een poeha zeg, ik wist niet dat het zo’n protserige tent was, dit vest van zuiver schapenwol is lang niet goedkoop, trouwens.’

Thuis kon het meteen de was in. Ik hoef niet te beschrijven hoe mijn schapenwollen aankoop weer tevoorschijn kwam: als een klein kinderwambuisje, want dat hoort ook bij te dure spullen, ze raken voortijdig in onbruik, om zichzelf aan je af te leren.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next