Home

Een Hollands gelukskind in Frankrijk: ‘Je moet muzikaal iets te melden hebben, een orkest zien te overtuigen’

25 mei 2023 is een stralende dag in Parijs. Dirigent Arie van Beek komt aangereisd vanuit zijn woonplaats in de Auvergne. Op het departement van cultuur schudt hij de hand van mevrouw de minister. Aangedaan hoort hij hoe ze hem tijdens een plechtigheid roemt als chef-dirigent van Franse regionale orkesten. Hij krijgt een medaille omgehangen et voilà: monsieur Van Bèk is Commandeur in de Orde van Kunsten en Letteren.

Driekwart jaar later in Bretagne zit Arie van Beek (72) nog altijd trots te wezen. Vereerd ook, dat een Nederlandse verslaggever helemaal naar Rennes komt voor een van zijn optredens. Hij ontvangt in de kleine, smalle dirigentenkamer van de concertzaal. ‘Helaas geen koffie hier, wil je een mandarijntje?’

Over de auteur
Guido van Oorschot schrijft sinds 2000 voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera. Hij maakt de maandelijkse podcast Klassieke klets.

Frankrijk sluit Arie van Beek in de armen. En met Rotterdam, zijn geboortestad, houdt hij de relatie intussen warm. Eind februari dirigeert hij er weer, in een programma rond de iconische spoorbrug De Hef. Maar wie buiten de Rotterdamse stadsgrens kent zijn successen? Terwijl hij als Commandeur toch aanhaakt bij een select rijtje Nederlandse coryfeeën, denk aan schrijfster Hella Haasse en choreograaf Hans van Manen.

In Rennes, tussen twee concerten met het Orchestre National de Bretagne in, schetst de dirigent zijn grillige pad. Hoe hij zonder nadenken het vak in rolde. Hoe hij zichzelf de put in twijfelde. En hoe hij uiteindelijk door puur toeval zijn Franse bestemming vond.

Alles begint bij de Franse componist Hector Berlioz. Arie van Beek is vier als zijn vader de Symphonie fantastique op de draaitafel legt. De Mars naar het schavot brengt hem compleet van de wijs. Hij wil de muziek nog eens horen, en nóg eens, dagen achter elkaar.

Vanaf z’n zesde krijgt hij pianoles. In Rennes roffelt hij met zijn vingers op tafel: tadadadadám. Komt uit de lesboekjes van Folk Dean, die oefeningen herinnert hij zich nog altijd. Hij is zeven als hij in korte broek debuteert in het Ridderkerkse harmonieorkest van zijn vader.

Eerst speelt hij de buisklokken, daarna de kleine trom. Spelenderwijs gaat hij ook dirigeren. Hij doet gewoon zijn vader na.

Hij is een gelukskind, hoor. Op een dag stuurt zijn slagwerkdocent op het Rotterdams Conservatorium hem naar Hilversum. Vacature bij de omroeporkesten: niet dat Arie nu al die baan moet krijgen, maar dan leert hij alvast auditeren. Hij speelt het proefstuk zo van blad. En wat denk je? Aangenomen.

Hij is 21 en in het orkest ontpopt hij zich als pestkop. Keten, propjes gooien; sommige dirigenten drijft hij tot wanhoop. Intussen komt zijn eigen dirigeercarrière zonder moeite van de grond. Als student van Edo de Waart en David Porcelijn wordt hij nu eens hierheen gestuurd, dan weer daar gevraagd. Algauw doet de ronde: Arie van Beek, die kan wat. Dus sjeest hij van Overijssel naar Gelderland en van Brabant naar het Balletorkest.

Maar diep van binnen mist hij iets. Verdomme, denkt hij in doorwaakte nachten, ik snap geen hól van die muziek. Dat probeert hij dan te verbloemen, hè, met een grote mond en ijdele fratsen. Zijn carrière als beginnend dirigent? Eerst zwoesj, steil omhoog. En dan bam, in een gat.

Hij haakt af en gaat reizen. In Hamburg bezoekt hij een bevriende hoornist, in Chicago treft hij een slagwerkkompaan. Hij schuift aan bij repetities in Londen en neemt poolshoogte in Parijs. Indonesië en Thailand doorkruist hij, maar ook oude Italiaanse steden.

Vraag je het hem nu, dan begon zijn dirigeercarrière veel te vroeg. Alles kwam hem aangewaaid. In zijn overmoed dacht Arie van Beek dat hij briljant was. Terwijl, slaan met de handen is maar vijf procent van het vak. Je moet muzikaal iets te melden hebben, een orkest zien te overtuigen.

Na een jaar reizen keert hij terug naar Rotterdam. Hij herpakt er de baan die hij al had, als docent orkestdirectie aan het conservatorium. Daar is zojuist Jean-Jacques Kantorow benoemd, de befaamde Franse violist. 400 kilometer onder Parijs heeft hij een kamerorkest opgericht, het Orchestre d’Auvergne. Wil Arie daar misschien een keer gast-dirigeren? Hij erheen, één keer, twee keer, vier keer. Het klikt. Als Kantorow doorschuift naar het Kamerorkest van Parijs, zoekt de Auvergne een nieuwe chef.

Er zijn drie kandidaten, maar ze willen hém, Arie. Hij twijfelt geen seconde. Hij wordt gevráágd, kennelijk kan hij het toch! Geen probleem dat hij in Clermont-Ferrand moet gaan wonen. Na zijn reis weet hij dat hij zich overal thuis voelt. Zijn Rotterdamse contract schroeft hij terug naar twintig procent. Het is 1994 en Arie van Beek begint in Frankrijk aan zijn eerste baan als chef d’orchestre.

Hij moet wel meteen alles aanpakken. Seizoenen plannen, repertoire kiezen, brandjes blussen, ook dat. Tegen beginnende dirigenten zegt hij altijd: niet de muziek, maar de psychologie is het lastigst van het chefschap. Elke dag is er wel iets. Het ergst zijn de veenbranden. Er smeult iets, maar je weet niet wat. Kan van alles zijn, het hoeft niet eens betrekking op jou te hebben.

Natuurlijk moest hij wennen. Altijd bonjour zeggen bijvoorbeeld. Bonjour monsieur, bonjour madame, ook al haat je iemand. Nooit over de repetitietijd heen gaan. Liever stoppen om twee minuten voor vier dan om klokslag vier. En dan die abominabele Franse akoestieken! Kom je na de busreis met je orkest ergens aan, moet je spelen in een sfeerloze salle de fête, een galmende kerk of een gortdroog theater.

Het Orchestre d’Auvergne is het beste kamerorkest van Frankrijk. Dat meent hij. Hoog niveau, flexibel, hypergemotiveerde mensen. Nooit te beroerd om ook moderne muziek te spelen. Waaronder geregeld Rotterdamse, zo heeft hij er zijn oude makker Peter-Jan Wagemans geïntroduceerd.

En werk van Henk Badings niet te vergeten. Na hun optreden op het Rotterdams Badings Festival van 2007 noteerde de Volkskrant toch maar mooi dat het Auvergnese kamerorkest ‘alles slaat wat er op dit gebied in Nederland te koop is’.

Maar iedereen weet: vroeg of laat is het gedaan tussen een chef en zijn orkest. Hoeveel collega’s er links en rechts niet met ruzie zijn verdwenen. Dus als het Orchestre de Picardie aan hem trekt, denkt hij: misschien maar doen, na bijna zeventien jaar. Hij verlaat zijn orkest, maar niet de Auvergne. Al was het maar vanwege Frédéric, zijn man.

In eetcultuur is hij verfranst. Hij maakt graag stoofpotten, uren op een laag vuur, lekker blub-blub. Maar gek is dat: zodra hij in Rotterdam is, krijgt hij steevast om zes uur honger. Zijn appartement heeft hij er al die jaren aangehouden. Het blijft toch zijn stad. Aan het handje van zijn vader ging hij er voor het eerst naar het orkest. Dat speelde toen nog in de oude schouwburg. Hij ziet ze nog voor zich: Gerrit van Dijk, de bassist met z’n grijze kop. Freek Hendriks op de bekkens.

Sorry voor de vochtige ogen. Die had hij hij dus ook toen het Rotterdams Philharmonisch hem in 2016 belde voor zijn eerste gastdirectie. Hij was zwaar ontroerd, nee, kapot. Kon hém het schelen dat hij een andere dirigent verving. Aangenaam orkest, fantastische sfeer.

Maar in de rest van Nederland kleeft er iets aan hem. Vermoedt hij. Het zou hem niet verbazen als het komt door een conflictje bij een regionaal orkest, jaren geleden. Tegen een van de musici zei hij toen iets maladroit, hoe heet dat, tactloos. Achteraf betreurt hij zijn domheid, maar ja, zo’n incident blijft aan je plakken. Als een orkest je niet terugvraagt, ligt dat per definitie aan jou.

Na twaalf jaar bij het Orchestre de Picardie en tien bij een kamerorkest in Zwitserland heeft hij nu geen vaste stek meer. Hoewel, voor een tussenjaar als muzikaal leider hebben ze hem gestrikt in Cannes. Een van de regionale Franse kamerorkesten zit te hengelen. Misschien wordt dat niks, er schijnt een wet te zijn die een vaste aanstelling na je 70ste verbiedt.

Komt er een paar weken geleden opeens een mail uit Luxemburg. Kamerorkest zoekt chef, of meneer Van Beek zich wil kandideren. Grappig, hij heeft die club nog nooit gedirigeerd, maar ze hebben om zich heen gevraagd en hij staat hoog op het lijstje. Wie weet heeft hij nog vijf, tien, vijftien goede jaren. Dus waarom niet?

1951 geboren in Rotterdam, groeit op in Ridderkerk

1976-1994 docent orkestdirectie, Rotterdams Conservatorium

1990-heden vaste dirigent Doelen Ensemble

1994-2010 chef van het Orchestre d’Auvergne

2008 stadsmedaille Clermont-Ferrand

2010-2022 chef van het Orchestre de Picardie

2013-2023 chef van het Orchestre de Chambre de Genève

2014 Erasmusspeld gemeente Rotterdam

2023 Commandeur de l’Ordre des Arts et des Lettres

Op 29 februari dirigeert Arie van Beek het Rotterdamse Doelen Ensemble in een authentiek Rotterdams programma. Onderwerp: De Hef, de voormalige spoorbrug over de Koningshaven, tussen het Noordereiland en de wijk Feijenoord. Te zien is de avant-gardefilm die Joris Ivens er in 1928 over maakte. Te horen valt eigentijdse muziek van Otto Ketting, Klaas de Vries en Hans Koolmees.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next