Emily Maitlis vertelde eens in een lezing over een gesprek dat ze voerde met Robert De Niro. Maitlis was lange tijd de presentator van BBC Newsnight en dan spreek je nog eens iemand. In dat interview begon De Niro te fulmineren over zijn lievelingsonderwerp: de verbluffende incompetentie van Donald Trump op ieder denkbaar terrein, en dan met name zijn coronabeleid. Na afloop was Maitlis teleurgesteld. Het hele interview lang had ze zich het hoofd gebroken over de vraag hoe ze De Niro kon tegenspreken, wat ze tegen zijn woorden kon inbrengen, zo bevreesd was ze om bevooroordeeld over te komen. Als ze straks maar niet denken zus… Als ze me maar niet kunnen pakken op zo… De stroom aan woedende reacties op haar gebrekkige objectiviteit echoden al door haar gedachten, nog voor het gesprek überhaupt was uitgezonden.
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Wat er kan gebeuren wanneer iemand iets onaangenaams zegt, ondervond Tijs van den Brink, presentator van Op1, toen hij enkele dagen na de verkiezingen op X de wind van voren kreeg van de grote winnaar van die verkiezingen. Van den Brink zou een gast hebben ‘uitgelokt’ om het woord ‘fascist’ te gebruiken. Het betrof een uitzending waarin aan tafel een conservatief en voornamelijk rechtsdraaiend panel de gevolgen van de verkiezingsuitslag besprak. De vrouw in kwestie zat in het publiek, in talkshows zelden de plek waar de meest prominente gasten worden neergezet. Ze had deelgenomen aan een demonstratie ‘tegen het fascisme’ en kwam daarover vertellen.
Met andere woorden: Van den Brink ontlokte die demonstrante het ‘f-woord’ op dezelfde manier waarop je aan een kennis die je met twee volle boodschappentassen uit een supermarkt ziet komen het ‘b-woord’ ontlokt, maar Tijs kreeg het publiekelijk voor zijn kiezen van de beoogd premier alsof-ie het f-woord er live op tv uit had gemarteld.
Afgelopen weken kwamen hier nog twee akkefietjes bij: de minister van Justitie protesteerde online tegen het woord ‘laf’ (l-woord) in een stuk van NRC-columnist Carolina Trujillo (in werkelijkheid ging het om ‘getuigt van een lafheid’, maar vooruit), en de beoogd premier voer uit tegen Sander Schimmelpenninck, die maandag op deze plek uitlegde hoe extreem-rechts alles omdraait, waarop nogal wat mensen online beweerden dat juist extreem-links altijd alles omdraait – een ingewikkelde uitwisseling van perspectieven waarin uiteindelijk iedereen zijn eigen gelijk weerspiegeld zag.
In beide boze reacties viel het woord ‘beveiliging’. Een aantal politici wordt beveiligd, een enkeling zelfs al jarenlang, een situatie die zo door en door verdrietig is dat je haast zou vergeten dat die omstandigheid niet geldt als valide argument, hoogstens tegen het bedreigen van politici, of van journalisten trouwens, of van welke andere groep dan ook. Alsof iemand op de stoep tegen je aan fietst en vervolgens woedend verklaart dat dat komt omdat zijn auto is vernield, vast door net zo’n voetganger als jij.
Het zouden onbeduidende incidenten kunnen zijn, ego-botsinkjes met alleen blikschade, slechts betekenisvol voor dat handjevol volhouders dat in de door Elon Musk lek geprikte Twitter-vijver nog wat lethargisch is blijven ronddrijven tussen het kroos van crypto-advertenties en bot-accounts. Maar er gaat nog iets anders onder schuil: een impliciete waarschuwing. In het hoofd van eenieder die overweegt bepaalde politici te bekritiseren, klinkt al bij voorbaat de echo van grenzeloze woede. De wetenschap dat die woede door politici zelf op ieder gewenst moment kan worden opgepookt, is een in potentie gevaarlijk machtsmiddel.
Source: Volkskrant