Over de hele wereld gingen mensen de straat op om stil te staan bij de dood van Navalny, en ik had dat ook willen doen, maar door een merkwaardige samenloop van omstandigheden pakte ik een boek van de inmiddels vrijwel vergeten schrijver Adriaan Morriën uit de boekenkast. Niet eens mijn eigen boekenkast.
Overigens wil ik vanaf nu voorstellen om ‘vergeten schrijver’ in de lade van het pleonasme op te bergen, net als ‘selectieve verontwaardiging’.
Uit het boek dwarrelde een knipsel waarop een foto te zien was van een naakte Morriën met zijn twee naakte volwassen dochters, die hij, volgens het bijschrift, zijn ‘ogentroost’ noemde.
‘De zeden veranderen’, hoor je te verzuchten als je zo’n foto ziet. Dat deed ik ook. Stel je voor dat mensen denken dat je de uitwassen van het patriarchaat niet serieus neemt. Om over de rest van wat Morriën met zijn dochters zou hebben gedaan maar te zwijgen.
‘Mijn opa was een groot fan van Morriën’, zei mijn gastvrouw.
Ik wierp een laatste blik op de naakte dochters en hun naakte schrijver.
Mijn vader was extreem preuts, maar die was geen patriarch.
Uiteindelijk zette ik het boek terug, na zo’n foto moet je het bezoek als beëindigd beschouwen.
Voor de verandering nam ik de tram naar het huis dat ooit van mijn ouders was geweest. In het openbaar vervoer kom je veel ogentroost tegen. Het observeren van de ander is troost, niet alleen op esthetisch gebied.
Door lang naar andermans verval te kijken kun je je inbeelden dat je empathisch bent. Je veinst immers dat je het niet hebt gezien.
‘Uw verval is me volledig ontgaan’, zeg je vervolgens. ‘Het is onzichtbaar.’ Dat horen mensen graag.
Tot slot is er de derde troost: ik zie het verval van de ander, mijn eigen verval valt mee.
Source: Volkskrant columns