Ik had eens een collega, een leuke, eigenzinnige man, die verontwaardigd mijn kantoorkamer binnenliep om zijn beklag te doen over wat hem zojuist was overkomen. Mijn kamergenoot en ik keken op van ons beeldscherm, nieuwsgierig naar zijn verhaal. ‘Ik ben net bij de gemeente geweest om een nieuw paspoort af te halen. Wat denk je? Zat daar een meisje met zo’n eh, je weet wel, zo’n ding om haar hoofd!’ Hij trok er een vies gezicht bij terwijl hij zocht naar het juiste woord, in de lucht tekende hij rondjes om zijn gezicht. ‘Bedoel je een hoofddoek?’, vroegen we vertwijfeld. ‘Ja! Precies!’ Er viel een stilte. Hij leek bijval te hebben verwacht, in plaats daarvan keken we hem meewarig aan.
Zijn verontwaardiging werd groter. Of wij wel doorhadden hoe belangrijk het is dat de overheid neutraal is. Mark van Ostaijen schreef er deze week een column over, waarin hij stelt dat gemeenten waar boa’s religieuze kleding mogen dragen zich schuldig maken aan plat progressief populisme en geen enkel besef tonen van de rechtsstatelijke positie van ambtenaren.
Die discussie is te wijdlopig om in een column af te doen, maar de essentie van het probleem kan worden teruggebracht tot dit: de staat bestaat uit onszelf. De staat is een juridische constructie, die tot leven wordt gebracht door ambtenaren in verschillende functies. Die ambtenaren zijn geen op een afzonderlijke planeet gekweekte levensvorm, die in steriele pakken worden ingevlogen om ons van rijbewijzen, verkeersboetes en vergunningen te voorzien. Het zijn gewone mensen, die, nadat ze uitgeklokt zijn, naar huis fietsen, in de file aansluiten of onhandig met een zware tas door de stationshal draven in een poging de trein te halen.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Er zijn twee elementen nodig om dit samenvallen van burgers en staat succesvol te maken. Het eerste is een professionaliteitseis die aan de ambtenaar wordt gesteld en komt neer op het vermogen de eigen overtuigingen terzijde te schuiven. Er moet bereidheid zijn om zich in dienst te stellen van een belang dat groter is dan (en soms conflicteert met) persoonlijke opvattingen. Het lastige is: hoe toets je dat vermogen? Een uniforme uitstraling dient het oog, daarmee is nog niets gezegd over de inhoud.
Het tweede element bestaat uit vertrouwen van burgers in de staat. Daarvoor is een eerlijke en gelijke behandeling nodig, maar er spelen ook andere voorwaarden zoals duidelijke regels en procedures, begrijpelijke communicatie, correcte bejegening en het gevoel gehoord te worden. De vraag is hoe deze voorwaarden zich tot elkaar verhouden; werkt een hoofddoek of keppeltje dusdanig verstorend dat zo’n ambtenaar per definitie minder vertrouwen geniet? Het is interessant om te filosoferen over neutrale ambtenarij, maar hoe komt vertrouwen in de overheid werkelijk tot stand en welke factoren zijn daarbij doorslaggevend?
Het gesprek met m’n verbolgen collega was bijna twintig jaar geleden en klonk weinig anders dan de huidige discussie. Het blijft wringen. Een neutraal voorkomen heeft absoluut zijn merites, zeker bij invloedrijke functies. Tegelijkertijd wordt er nu veel belang gehecht aan een toegankelijke overheid die voeling houdt met wat er speelt bij mensen. Kan dat niet worden bereikt door de overheid zelf menselijker te maken, de afstand juist te verkleinen?
En dan speelt er nog iets. De heer Wilders zei vorige week in ons parlement dat ‘die mensen’ moskeeën mogen bezoeken en korans mogen hebben. ‘Wij vinden dat prima’, sprak hij geruststellend. Dat scheelt. Zekerheidshalve zou het toch goed zijn om te zien dat moslims niet slechts worden gedoogd in dit land, maar volwaardig onderdeel daarvan zijn en het land dus ook mogen vertegenwoordigen.
Source: Volkskrant