Home

Snelwandelen voor de NS, dat doen we toch allemaal weleens?

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Ik was een jaar of twintig en moest samen met een vriend de trein halen. Toen we die dreigden te missen en ik begon te rennen, maande hij me tot stoppen. ‘Nooit rennen voor de NS’, zei hij, de blik in zijn ogen als die van een vader die tegen zijn kind zegt dat hij nooit met vreemden mee mag.

‘Ja, maar…’, begon ik en gebaarde wanhopig naar de trein die op het punt stond te vertrekken. Hij schudde alleen maar zijn hoofd en liep rustig door, statig en kaarsrecht. Dit behoefde geen argumentatie, geen uitleg en al helemaal geen weerwoord.

Regelmatig denk ik terug aan die woorden, meestal terwijl ik aan het rennen ben voor de NS. Ook nu weer, nadat ik mijn fiets heb geparkeerd, het station in ben gelopen en op het bord zie dat mijn trein over een minuut vertrekt. Terwijl ik door de stationshal snel, slalommend langs mensen, hoor ik zijn stem weer. Bijna twintig jaar ging het goed, waarschijnlijk omdat ik in die tijd zelden de trein nam.

Nu ben ik ouder, volwassen. Ik heb gereisd, de wereld gezien, mijn hart werd veroverd, gebroken en weer veroverd, ik heb kinderen, een huis met kunststof kozijnen, een fiets met verende zadelpen, woon-werk-verkeer dat afgelegd moet worden.

En zie me toch eens rennen voor de NS. Als de treindeuren achter me sluiten en ik hijgend een plekje zoek dat ik niet zal vinden, word ik verteerd door schuld en schaamte.

Mijn vriend heeft me nooit het waarom van nooit rennen voor de NS verteld, maar ik kan me voorstellen dat het op hetzelfde principe leunt als waarom je niet met terroristen moet onderhandelen.

Even heb ik geprobeerd zijn regel te respecteren en tegelijkertijd te omzeilen. ‘Nee hoor’, zei ik tegen mezelf als ik weer een trein probeerde te halen, ‘dit is geen rennen, maar joggen.’ Net als snelwandelen. Ik bedoel, snelwandelen voor de NS, dat doen we toch allemaal weleens?

Onlangs was deze vriend bij mij thuis. We dronken wat, we spraken wat. Toen brak ik. ‘Het spijt me’, zei ik, ‘maar sinds we verhuisd zijn, ben ik dus heel veel aan het rennen voor de NS. Eigenlijk alleen maar.’

Hij keek me aan, zijn blik verzachtte. ‘Natuurlijk’, zei hij met een glimlach, ‘ik ook.’

We vullen onze jeugd met dromen en idealen. We beloven elkaar dat we altijd jong blijven. Dat we nooit saai worden. Dat we niet voor een baas gaan werken. Dat we nimmer terugkeren naar de plek waar we zijn opgegroeid. Dat we onze principes trouw blijven. Dat we het anders doen dan al die anderen. Dat we het leven zullen opslurpen, tot de laatste druppel. Maar uiteindelijk rennen we allemaal, vroeg of laat, voor de NS.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next