Home

Marli Huijer over ‘goed rouwen’: ‘Alleen in verbeelding kan het niet-geleefde leven doorgaan’

Sommige doden vergeten we snel. Andere vergeten we niet, maar aan ze denken doen we niet meer. En dan zijn er mensen die niet uit het geheugen te wissen zijn, hoe graag we dat ook zouden willen. Ze duiken steeds weer op in ons blikveld, of laten vaak van zich horen.

Mijn vriendin L. is zo iemand. Ze leeft al lang niet meer, maar nog altijd denk ik als onverwacht de bel gaat: zou het L. zijn? Die reflex is in de 35 jaar dat we bevriend waren, diep ingesleten. Voordat ik ook maar kan bedenken dat L. niet meer leeft, sta ik weer met een pakje voor de buren in mijn handen.

Eind jaren zeventig woonden L. en ik in een groot, gekraakt pand. Daarna gingen we apart wonen, maar wel op loopafstand. Er kwamen geliefden en kinderen, we deelden vakanties en vierden samen oud en nieuw. We werkten zelfs een tijdje samen. Toch zag ik haar nergens zo veel als op het ijs. Zodra het een paar nachten had gevroren, stonden we op de Oostvaardersplassen, of liever nog op de Gouwzee.

Op een van die tochten spraken we zelfs af dat we na ons pensioen de Elfstedentocht zouden rijden. Ter voorbereiding reden we twintig jaar lang elke winter onze vaste rondjes op de Jaap Eden IJsbaan, de kunstmatig bevroren ijsbaan vlak bij mijn huis. Zij voorop, ik erachter. Diep door de knieën en met mijn neus tegen haar schaatsjasje.

Negen jaar geleden, aan het begin van het schaatsseizoen, stond ik opeens zonder haar op het ijs. Mijn blik ging de baan rond, op zoek naar het oranje schaatsjasje. Maar hoeveel van die jasjes er ook rondreden, L. was er niet bij. Ik kleefde aan andere vrouwen, die ongeveer mijn ritme en snelheid hadden, maar na één of twee rondes schudden ze me nietsvermoedend van zich af. Au, dacht ik, want hoe kun je in je eentje in een treintje rijden?

Een seizoen lang deed ik koppig mijn best om te genieten van het soloschaatsen. Het werkte niet. Ik werd er ongelukkig van en liet het schaatsen schieten.

Maar het ijs bleef trekken. Na een paar jaar vond ik dat het verdriet maar eens over moest zijn en trok ik monter de schaatsen weer aan. Wat een vergissing. Zodra ik op het ijs stond, was ze er weer.

Elke keer ging dat zo: na een ronde of tien neemt L. de koppositie in. Haar zitvlak in schaatsbroek hangt stabiel voor me, haar benen geven het ritme aan. Ik ga dieper zitten, mijn rug volgt de kromming van haar rug. In haar slipstream vlieg ik over de baan. Ik hoor haar roepen: ‘Nog vijf rondes.’ We zetten een laatste versnelling in en komen een paar minuten later omhoog. Dat hebben we weer mooi gefikst!

En dan volgt de ontgoocheling. Hoe komt het dat ik haar niet kan vergeten? Wat maakt dat sommige mensen in hun afwezigheid aanwezig blijven? Ik kan het als filosoof alleen maar verklaren uit de ervaring, uit hoe we de leegte die iemand achterlaat beleven en hoe we haar, of hem of hen, in routines, herinneringen en de verbeelding ‘in leven’ houden.

Mensen die doodgaan of voorgoed vertrekken, laten een gat achter in de ervaring van de achterblijvers. Ook dieren en dingen kunnen zo’n gat achterlaten. De stoel die bezet was is leeg, de hondenmand staat ongebruikt in een hoek, het tweepersoonsbed is aan één kant onbeslapen en het verlangen om af te spreken blijft onvervuld.

Die leegte is des te voelbaarder naarmate iets of iemand meer onderdeel was van de alledaagse routines. De geliefde met wie je iedere avond in bed kroop, slaat bij vertrek een groter gat dan de collega met wie je maandelijks vergaderde.

Routines scheppen verwachtingen, zeker als ze jaar in, jaar uit in hetzelfde ritme worden uitgevoerd. We verwachten dat vader met Kerst een toost uitbrengt. Dat een vriend langskomt op onze verjaardag. Of dat de poes over de krant loopt als we die ’s ochtends openslaan.

We bouwen om elk mens of dier met wie we samenleven, routines en verwachtingen, en brengen zo ordening aan in ons bestaan. Door te verwachten dat L. tot op hoge leeftijd ’s winters zou blijven aanbellen om te schaatsen, bouwden zij en ik aan vastigheid die garandeerde dat wij, zolang er winters waren, zouden doorschaatsen. Aan de mogelijkheid dat een van ons vroegtijdig zou overlijden, dachten we niet.

Hoe serieus moet je routines nemen? Dat de dood roet in het eten kan gooien, doet niet af aan het feit dat ze zich doen gelden. Wij zouden tot de laatste snik doorschaatsen – en dat deden we niet.

Daar zit je dan zonder degene om wie die routines en verwachtingen zijn opgebouwd. In het begin is er de neiging om je aan de routines te houden: je gaat nog steeds op dezelfde tijd naar bed, en op dezelfde dag naar de ijsbaan.

Je blijft degene die dood of weg is zien, om vrijwel meteen te beseffen dat dat niet kan. Daar fietst de overledene weer voorbij en zo schuift haar levenloze lichaam over dat beeld heen.

Aanvankelijk dacht ook ik dat deze cognitieve dissonantie bij L. vrij snel voorbij zou zijn, zoals bij eerdere ervaringen met dit verschijnsel. Maar juist bij haar gebeurde dat niet. Ook niet toen ik het wekelijkse schaatsen opgaf. Ik hoefde maar in de buurt van de ijsbaan te komen, of ze was er weer.

Pas veel later realiseerde ik me dat juist routines aan vriendschappen en relaties hun betekenis geven. Je bent belangrijk voor me, zeiden L. en ik zonder woorden tegen elkaar. Je bent belangrijk en daarom verwacht ik dat je iedere week bij me aanbelt en verwacht jij dat ik dan in schaatskleding naar buiten kom.

Als die routine jaar in jaar uit wordt uitgevoerd, wordt het een ritueel dat bij elke herhaling een extra laag aan de vriendschap toevoegt. Die groeiende betekenis blijft doorgaan tot na iemands dood. Sterker nog, de dikte van die betekenislagen is mede bepalend voor de mate van rouw die we na het verlies ervaren.

Maar alle verdriet zwakt uiteindelijk af, ook het verdriet om iemand die alles voor je betekent. De ervaring van de leegte dient zich dan alleen nog maar aan bij speciale gelegenheden. Alle ouders zijn bij het afstuderen aanwezig, behalve die van jou. Alle vrienden komen je verjaardag vieren, behalve die ene die er niet meer is.

De verwachting dat de overleden of vertrokken persoon bij die gelegenheid hoort te zijn, komt niet voort uit routines, maar uit de ervaring van ‘het niet-geleefde leven’. Anders dan bij routines, die verwijzen naar het eerdere, gedeelde leven, verwijst de ervaring van het niet-geleefde leven naar het heden en de toekomst. Door een overlijden of een vertrek komt er een einde aan het leven dat je deelde met iemand. Het contact wordt losgesneden.

Dat geeft een ervaring van verlies, van iets wat er niet meer is en niet meer zal zijn. Het leven dat je nu en in de toekomst nog met hem of haar had kunnen leven, wordt niet meer gerealiseerd. Alleen in de verbeelding kan dat niet-geleefde leven dan nog doorgaan. Niet als beelden die zich aan ons opdringen, maar als de uitkomst van een actief proces van verbeelding.

Je stelt je voor dat je overleden vader levend naast je zoon zit en vraagt je af hoe het leven eruit zou zien als je vader echt nog wat langer had geleefd. Of je stelt je je ex naast je in bed voor en bedenkt hoe jullie er nu uit zouden zien als jullie niet uit elkaar waren gegaan.

Verbeelding is een andere kwaliteit dan herinnering. De herinnering werpt ons terug in het verleden en brengt voorbije gebeurtenissen voor de geest. De verbeelding neemt de herinnering weliswaar als startpunt, maar voegt er nieuwe tijd, een nieuw deel van het leven, aan toe. In de verbeelding kunnen we ons een voorstelling maken van hoe het niet-geleefde leven eruit had kunnen zien.

Wat als het kind dat is weggevallen weer naast je loopt? Je bedenkt waar jullie het over zouden hebben, wat je samen zou doen en hoe dat jullie beider levensloop zou veranderen.

Hoe de rouw over het niet-geleefde leven eruitziet, hangt af van hoe gemakkelijk of moeilijk het is om het gezamenlijke verhaal in de verbeelding te laten doorlopen. Wanneer iemand woedend je leven uit loopt, is het vrijwel onmogelijk om er imaginair een vervolg aan te geven. Dat is ook zo als iemand plotsklaps verdwijnt en we geen idee hebben wat er is gebeurd. Het is dan alsof er eerst nog iets moet worden afgerond of uitgepraat, voordat het imaginaire verhaal kan beginnen.

Dat verklaart waarom het rouwen om een naaste met wie de verhouding moeizaam was, zo moeilijk is. De verbeelding stagneert dan. Ik merkte dat zelf na het overlijden van mijn moeder. Ze ging op slot nadat ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, zoals vaker gebeurde als het leven haar zwaar viel. De dood was onbespreekbaar en ons verdriet over haar sterven mocht er van haar niet zijn.

Na haar dood lukte het me daardoor niet om het gezamenlijke verhaal in de verbeelding te laten doorlopen. Het verdriet over het gemis vond geen uitweg. Wat ik miste, was er nooit geweest en kon ik dus ook niet missen.

In plaats van verdriet voelde ik weemoed naar iets wat niet had bestaan maar waar ik altijd naar verlangd had. Ik ervoer haar dood als een falen: het was me niet gelukt om dichter bij haar te komen. Zo’n niet-afgerond verhaal staat de rouw in de weg.

Ooit hoorde ik van een man met wie ik de treincoupé deelde, dat de jaarlijkse kerstgrap onder zijn broers en zussen was dat ‘vader’ gisteravond had gebeld, om te zeggen dat hij dit jaar helaas niet bij het kerstdiner aanwezig kon zijn. Ik zag aan hem hoe zo’n afwezige er toch steeds weer even bij kon zijn, ook al wist iedereen hoe onmogelijk dat was.

Goed rouwen ziet er in mijn voorstelling ook zo uit: het is verdrietig dat iemand er niet meer is, maar met de herinneringen aan wat werd gedeeld toen hij of zij er nog was en met de verbeelding die ons in staat stelt om het niet-geleefde leven imaginair voort te zetten, kunnen we iemand een nieuwe, andere plek geven.

Ook mijn vriendin L. mag er van mij zo nog heel lang bij zijn. Zolang ik schaats, blijf ik dat samen met haar doen. Imaginair, maar zeker net zo snel.

Een dierbare sterft. En dan? In de Volkskrantserie Hoe besta je na? spraken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met (bekende) Nederlanders over liefde, verlies en troost. Deze week is in uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam de gelijknamige bundel (Luitingh-Sijthoff; € 21,99) met artikelen uit de serie gepresenteerd. Marli Huijer schreef daarvoor bijgaand essay.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next