Home

‘Mijn mooiste vak? Deurwaarder. Alle dagen spanning. Ik kreeg de moeilijkste gevallen, want ik was voor niemand bang’

Roelof Wolterink is 100 jaar. Hoe kijkt de ‘kwajongen’ en oud-verzetsman aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Naast de toegangsdeur van Roelof Wolterinks aanleunwoning hangt een manshoog houtsnijwerk. Het beeldt de Tweede Wereldoorlog uit, van invasie (geketende handen) tot bevrijding (dankende handen). Eigenhandig ontworpen en gemaakt door de 100-jarige bewoner, vertelt hij in zijn huiskamer met vitrines en muren vol kunstnijverheid. Hij heeft net een nieuwe voorraad lindenhout besteld om de sculpturen af te maken die hij zijn vier kinderen wil geven.

‘Met een receptie. We hadden vijfhonderd gebakjes besteld, maar er kwamen meer dan achthonderd gasten. Gelukkig had de keuken nog driehonderd taartjes op voorraad, maar nog was er niet genoeg. De 101-jarige Tjidde Hummel, een maat uit Nederlands-Indië, was er ook.’

‘Ik heb een grote familie en iedereen in Rijssen kent mij. Ik ben hier opgegroeid, heb tijdens de oorlog in het verzet gezeten, jarenlang in het mannenkoor gezongen, allerlei bestuursfuncties bekleed en ben nog de medeorganisator van de jaarlijkse Dodenherdenking op 4 mei. De gemeente heeft mij benoemd tot ereburger – en dat voor een kwajongen als ik. Daar ben ik best trots op.’

‘Ik mis mijn vrouw, maar kan goed alleen zijn. Ik lees veel – vooral over de oorlog –, teken graag en snij beelden uit hout. En ik schrijf mijn vijfde boek. Al mijn boeken gaan over de geschiedenis van Rijssen: over onze Joodse inwoners – van wie er maar elf de oorlog overleefden, over dwangarbeiders, over oud-Indiëgangers en over Rijssen en Rijssenaren tijdens de oorlog. Mijn nieuwe boek zijn ook oorlogsverhalen. Schrijven doe ik met een pen, iemand anders typt het uit. Sinds mijn computer een paar jaar geleden kapotging, ben ik weer met de hand gaan schrijven. Verder bezoek ik scholen in Rijssen en Nijverdal om mijn oorlogservaringen te delen, en krijg ik uitnodigingen voor lezingen. De kazernes in Havelte en ’t Harde vragen mij geregeld jonge militairen te komen vertellen over mijn oorlogservaringen. Ik vertel altijd het eerlijke verhaal, ik heb niets te verbergen, ook aan u niet.’

‘Ik vertel de militairen over de verantwoordelijkheden, gevaren en consequenties van militair zijn. Ze willen weten wat ik heb meegemaakt, hoeveel militairen in mijn bataljon in Nederlands-Indië gesneuveld zijn. Dat waren er vijf, van de 36 man, dat is veel te veel. Ik vertel ook dat ik in Indië mijn beste vriend heb verloren. Op 4 mei 1946 zag ik Egbert Beverdam in een hinderlaag lopen, hij was op slag dood. We waren vanaf de eerste klas lagere school onafscheidelijk, tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten we samen in het verzet. Zo’n verlies, daar kom je overheen. Je moet nooit opgeven en altijd blijven doorgaan, vertel ik de jongens. En houd altijd één kogel achter voor jezelf, om te voorkomen dat je wordt afgeslacht als de vijand jou te pakken krijgt. Daar heb ik in Indië gruwelijke voorbeelden van gezien.

‘Ze willen ook weten hoeveel ik er zelf heb doodgeschoten. Dan zeg ik: ‘Eén te veel.’ Op een dag zat ik in een schuttersput, toen er ineens een Indonesiër opdook. In een reflex haalde ik de trekker over. Voordat hij stierf keek hij mij met grote ogen aan, met een blik van: wat heb ik dan gedaan? Die blik vergeet ik mijn leven niet. Hij bleek ongewapend. Ik heb er nog steeds berouw van. Maar ik ben een realist; ik kan erover zaniken, maar het is gebeurd.’

‘Ik werd als dienstplichtige die kant op gestuurd. Na de capitulatie van de Japanners in Nederlands-Indië werden daar tweeduizend Nederlanders afgeslacht in interneringskampen. De haat was enorm. Achteraf zeg ik dat Nederland die oorlog tegen Indonesische vrijheidsstrijders niet had moeten voeren. Zij zagen de Nederlanders als bezetters en wilden vrij zijn – net zoals wij vrij wilden zijn van de Duitsers.

‘In 1948 keerde ik terug naar Nederland. Mijn plan was beroepsmilitair te worden en een opleiding te volgen, maar ik kreeg een motorongeluk en kwam in het ziekenhuis terecht. Mijn knie was verbrijzeld – daar ben ik altijd last van blijven houden, ik loop er nog steeds moeilijk door. Beroepsmilitair worden zat er niet meer in.

‘In het ziekenhuis waren vijf verpleegkundigen. Eén keek ik in de ogen en ik wist: zij wordt mijn vrouw. Bij het verlaten van het ziekenhuis had ik verkering. Drie jaar later zijn Alie en ik getrouwd. Er was woningnood, we konden alleen terecht in een kasteelruïne, in twee kamers die bewoonbaar waren. Er was elektriciteit, water kwam uit een pomp. In het kasteel zijn onze eerste twee kinderen geboren. In de grote tuin konden we aardappels en groente verbouwen en daar is ook mijn liefde voor vogelzang geboren. Elke zondagmiddag ging ik luisteren en schreef de klanken die ik hoorde op. Ik kan wel huilen als ik een nachtegaal hoor zingen.

‘Ik was stapelgek op mijn vrouw. We konden overal over praten, ze wist alles van mij, ook wat ik had meegemaakt in de oorlog. Van mijn 17de tot 24ste maakte ik een roerige tijd door. Ik heb de dood in de ogen gekeken, maar veel engeltjes op mijn schouders gehad, heel mooie engeltjes.’

‘Ik was 16,5 jaar toen de oorlog uitbrak. Dan kun je twee dingen doen: wegkruipen en niks zeggen of vooraan gaan staan en verzet plegen. Wat doen die rotzakken hier, wij zijn hier de baas, dacht ik toen Duitse soldaten ons land bezetten. Ik sloot mij aan bij een verzetsgroep in Rijssen. We waren vaderlandslievende jongens en zo trouw als wat. Er werden telkens acht exemplaren van Vrij Nederland in ons dorp bezorgd, ik schreef ze over, anderen verspreidden ze. In die blaadjes stond dat je sabotage moest plegen. Dus toen ik een Duitse soldaat pamfletten zag ophangen, ben ik die met een vriend gaan verscheuren. En we stalen de rol pamfletten uit zijn motor met zijspan. We werden betrapt, ik werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. Omdat ik te jong was om te zitten, mocht ik na twee dagen weer naar huis, maar ik moest me wel twee keer per dag op het politiebureau van Almelo melden, dat was een uur heen en een uur terug fietsen.

‘Later ben ik nog een keer opgepakt, nadat ik uit het kantoor van een boer de administratie had gestolen met alle gegevens van mannen uit Rijssen die langs de IJssel met een schop tankwallen moesten graven. Ik werd opgesloten in een kelder onder een hotel, in het pikkedonker. Ik ben nooit meer zo bang geweest als toen: wat als ze mij hier achterlaten? Dan verhonger ik. De volgende dag werd ik meegenomen naar een brug over de IJssel, waar ik geëxecuteerd zou worden. Maar ik had geluk, op dat moment voerden de Engelsen een luchtaanval uit. In de chaos rende ik weg, sprong de IJssel in – het was februari en ijskoud – en klom verderop de wal op en wist een onderduikadres te bereiken.

‘Als jongen van 19 jaar moest ik in 1943 voor dwangarbeid naar een rubberfabriek in Hannover, zeven dagen per week werken, twaalf uur per dag. In die periode ben ik zes weken opgesloten in een concentratiekamp in Helmstedt, omdat ik werd verdacht van sabotage. Een zaagmachine was kapot. Ik wist wie de daders waren, maar besloot hen niet te verraden. In het concentratiekamp moest ik barakken bouwen. Met andere jongemannen sliep ik in een paardenstal, de stank van ammoniak ruik ik nog steeds. We kregen alleen koolsoep te eten. Ik trof het dat elke ochtend als ik mij ging wassen, een jonge vrouw twee boterhammen voor mij klaarlegde. Die deelde ik met andere jongens. Ik leefde toe naar die momenten dat ik haar zag. Ze heette Alize en vertelde dat haar verloofde in Italië was gesneuveld. Toen ik na zes weken terug moest naar de fabriek, wist ik dat ik stapelverliefd was geworden op haar, maar ik heb haar nooit meer gezien.’

‘Ik ben hier in Rijssen geboren, in een heel oud huisje. Mijn biologische vader was botermaker, mijn stiefvader wever. 80 procent van de Rijssenaren werkte op de weverij, daar werden vooral jutezakken gemaakt voor de suikerfabrieken in Nederlands-Indië. Van de hele textielindustrie in Twente is helaas niets meer over. Mijn moeder werkte aan huis, ze maakte klederdracht.

‘Ik was 3,5 jaar toen mijn vader op zijn 27ste stierf aan tbc. Mijn moeder bleef achter met drie jonge kinderen en hertrouwde drie jaar later. Mijn stiefvader had al een zoon, en samen kregen ze nog drie kinderen. Dat ging allemaal goed.

‘Op mijn 13de moest ik van school af om te gaan werken, eerst als metselaar en sjouwer. Ik werd zwart betaald, want eigenlijk mocht je pas op je 14de aan het werk. Drie jaar later werd ik bakker, ik vond het prachtig om met de hand beslag te maken. Daarna heb ik nog van alles gedaan: in de fabriek bloemmotieven borduren op gordijnen – tijdens de oorlog moesten we hakenkruizen en aardelaars borduren –, naaimachinemonteur, bedrijfsleider, deurwaarder.’

‘Deurwaarder. Dat heb ik de vijftien jaar voor mijn pensioen gedaan. Alle dagen spanning. Ik kreeg de moeilijkste gevallen, want ik was voor niemand bang. Mensen die dreigende taal uitsloegen, voelden aan mijn reactie dat mij dat niets deed – en vervolgens betaalden ze alsnog hun achterstallige rekeningen.’

‘Ja, want waarom zou je bang zijn?

‘Ik ben een tevreden mens. Ik geniet nog elke dag van alles wat in de oorlog niet mogelijk was: helemaal mezelf kunnen zijn, twee gekookte eieren en een zure haring eten op één dag, en een borreltje lust ik ook.’

geboren: 7 oktober 1923 in Rijssen

woont: zelfstandig, in Rijssen

beroep: sjouwer, metselaar, bakker, borduurder, naaimachinemonteur, bedrijfsleider, deurwaarder

familie: 4 kinderen, 9 kleinkinderen, 22 achterkleinkinderen

weduwnaar: sinds 2017

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next