Home

In de naad van het matras vindt journalist Mensje Melchior drie kleine, bruine beestjes. Het zal toch niet?

Bedwantsen nemen de wereld weer over, zo lijkt het. Journalist Mensje Melchior nam ze mee van de boot uit Marokko en begint een uitputtend gevecht tegen de hardnekkige beestjes.

Waarschijnlijk hebben we ze meegenomen van de boot die heen en weer pendelt tussen Marokko en Zuid-Spanje. We hadden onszelf op een hut getrakteerd, zodat we in de smalle bedden nog wat konden bijslapen voordat we 2.400 kilometer terug naar huis zouden rijden, met drie drukke kinderen op de achterbank. We probeerden te slapen, maar hadden jeuk. Vlak voordat de boot aankwam, zag ik een kleine bloedvlek op een van de lakens – en het leek er eerst nog zo schoon. Ik haalde mijn schouders op.

Terug in Nederland pakken we uit, draaien wasjes, proberen weer in een ritme van werk en school te komen. Maar zes weken later hebben de kinderen ineens rode bultjes op hun armen en gezicht. Muggen, denken we eerst nog. Alleen: deze muggen trekken zich niks aan van de muggenspray die zelfs de volhardende Marokkaanse muggen op afstand hield. Ook vreemd: alleen de kinderen en mijn man hebben bultjes, ik heb nergens last van. Wanneer ik ’s avonds laat mijn dochter in haar slaap zie krabben, schiet ineens het Engelse slaapversje Sleep tight, don’t let the bed bugs bite door mijn hoofd. Het zal toch niet?

Ik sla aan het googlen en lees over de typerende rode bultjes die vaak dicht op elkaar zitten, over dat de huid van sommige mensen niet reageert op bedwantsenbeten en over wat we allemaal hadden moeten doen om een bedwantsenplaag te voorkomen. Te laat zie ik de tips waar elke vakantieganger zich aan moet houden. Als je in een hotel, appartement of boothut slaapt, controleer dan altijd het matras en de lakens op zwarte of rode stipjes en bloedvegen. Zeker in zuidelijker oorden, aangezien bedwantsen bij warmte gedijen. De stipjes zijn bedwantsenpoep; zwart of rood door hun bloedmaaltijd. De bloedvegen komen doordat iemand op zo’n kruipertje is gaan liggen en hem heeft geplet. Zie je zo’n spoor, maak dan dat je wegkomt. Want je hoeft in je kleding maar één bedwantsenvrouwtje dat gepaard heeft mee te nemen en maanden later zit je met een krioelende ‘kolonie’ die zich steeds verder uitbreidt.

De volgende ochtend ga ik thuis op onderzoek uit. In de naad van het matras vind ik drie kleine, bruine beestjes en bij het hoofdeinde een bloedveeg.

Het is halverwege september en de berichten over de bedwantseninvasie in Frankrijk sijpelen binnen. Huiverend bekijken we de beelden van een wijk in Marseille waar bewoners massaal hun matrassen, bedden en banken op straat hebben gegooid. Klaar voor het grofvuil en krioelend van de kleine beestjes. Scholen in de stad klagen over besmettingshaarden van punaises de lit, een plaatselijk ziekenhuis is besmet. Niet veel later komen er filmpjes online waarop te zien is hoe de insecten rondkruipen in Parijse metro’s. Ze worden volop gedeeld op sociale media, ook al zeggen experts al snel in Franse kranten dat dit helemaal geen bedwantsen zijn, maar heel andere kruipbeestjes. Ook zijn er meldingen over wantsen in Parijse hotels, ziekenhuizen en bioscopen. Toeristen vragen zich op sociale media af of ze nog wel naar Parijs kunnen, nu het er ‘wemelt van de kleine bloedzuigers’.

Spot je één bedwants, dan ben je verloren en heb je er in een mum van tijd duizenden, is de boodschap die we meekrijgen van alle nieuwsberichten en interviews met wanhopige bedwantsenslachtoffers. Ik doe bijna geen oog meer dicht. Ook al merk ik zelf niks van de beesten, ze nemen wel mijn bloedjes van kinderen te grazen. En het idee dat ze het hele huis kunnen overnemen – of nog erger, dat ze dat misschien al hebben gedaan – maakt me wanhopig. Maar ook strijdbaar: we willen deze indringers uitroeien, tot de laatste verjaagd of dood is.

Probeer ze vooral niet zelf weg te krijgen, dat lukt je toch niet, zo staat overal te lezen. Bel nú een ongediertebestrijder, melden sites van ongediertebestrijders. Maar wat als je in een flat woont met vijf personen plus een kat, die overal spullen, kleding en speelgoed hebben verzameld? Daar valt niet tegenop te gifspuiten en stomen. Ze kunnen overal tussen zitten. We besluiten eerst zelf aan de slag te gaan, de boel grondig op te ruimen en schoon te maken. Mocht dat de invasie niet stoppen, dan bellen we alsnog een professional om ons te komen redden. Zo houden we aan deze ellende tenminste nog een grondig opgeruimd huis over.

De meeste bedwantsenkolonies kunnen tegen al het gif dat je als particulier mag gebruiken. Het goede nieuws is dat ze – zoals veel insecten – niet tegen hitte kunnen; bij warmte boven de 60 graden leggen ze het loodje. Het slechte nieuws is dat ze zich graag verstoppen in kieren, stopcontacten, achter het behang – nou ja, overal waar ze zich met hun 1 tot 6 millimeter kleine, platte lijf maar tussen kunnen wurmen.

We schaffen een stoommachine aan en gaan aan het werk. Het bed halen we uit elkaar; op de lattenbodem vinden we eitjes en een paar beestjes. We halen het stof van de onderkant van de bank af en verstopt aan de binnenkant vinden we een nest van bijna honderd beestjes. We stofzuigen alles grondig, behandelen de meubels met de stoommachine. Alle kleding uit de kasten gaat in de wasmachine en droger. Wat niet op 60 graden kan worden gewassen, krijgt een extra behandeling met stoom. We gooien veel weg en wat overblijft gaat ingepakt in plastic de kast weer in. Zo kunnen overlevende bedwantsen moeilijker een plek vinden om zich te verstoppen, is ons idee.

We brouwen een goedje van cayennepeper en water; daar gaan ze dood van, horen we van iemand die op het Marokkaanse platteland wel vaker met dit bijltje heeft gehakt. Het klinkt logisch: cayennepeper is ook een soort hittebehandeling. En ja hoor: als je het op ze spuit, kruipen ze nog even wild in het rond en gaan daarna knock-out. Nu lees ik later dat ze ook heel goed kunnen doen alsóf ze dood zijn, maar dankzij het brouwsel kunnen we ze in ieder geval opruimen zonder bang te zijn dat ze op onze kleding kruipen en we ze zo door het huis verspreiden.

Na de ontsmetting strooien we diatomeeënaarde bij de plinten, in alle hoeken en gaten, onder de bedden en de bank. Dit fijne poeder is een beproefd middel om bloedluizen in de kippenhouderij te grazen te nemen. Als bedwantsen erdoorheen wandelen, gaat hun huid kapot en drogen ze uit.

Mijn man en ik hebben er allebei een tweede baan bij, maken ’s avonds overuren, in de weekenden en zelfs ’s nachts. Met effect, lijkt het: na een paar weken strijd worden mijn gezinsleden ’s morgens bultenvrij wakker. Maar het kan net zo goed zijn dat de beestjes zich hebben teruggetrokken in kieren, of in de kamers die we nog niet onder handen namen. En dat ze later keihard terugslaan. Ze kunnen namelijk rustig een jaar zonder vers bloed, hoor ik later van ongediertebestrijders.

Ook al explodeerde de berichtgeving over bedwantsen na de afgelopen zomer; uit de schaarse cijfers die er zijn, blijkt geen duidelijke toename. Tijdens de coronapandemie verspreidden ze zich minder, maar waren ze er nog wel. Nu we weer net zoveel reizen als voor de pandemie, verspreiden ze zich weer. Maar een enorme toename is het niet, zeggen experts. Het is eerder weer terug naar het ‘oude normaal’. Ze zijn nooit helemaal weggeweest.

Uit een onderzoek van de Franse overheid blijkt dat in dat land ongeveer 11 procent van de huishoudens tussen 2017 en 2022 te maken had met een bedwantsenplaag. Dat lijkt veel, maar voor dit onderzoek werden verhuurders van sociale huurwoningen gevraagd naar hoeveel bedwantsenplagen zij hadden geregistreerd. Niet alle verhuurders lieten door een professional controleren of het ook echt bedwantsen waren, dus er konden ook onterechte meldingen bij zitten. Mensen zien andere insecten nogal eens per abuis aan voor een bedwants.

In Nederland zijn er geen betrouwbare cijfers te vinden. Bedwantsenbestrijding is hier een particuliere zaak; gemeenten en GGD’s adviseren wel op sites om zo snel mogelijk een professional in te schakelen, maar een centraal meldpunt is er niet. Wel is er het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD): een organisatie waar je terechtkunt met vragen, en gevonden beestjes naar kunt opsturen. Vervolgens bekijken experts met wat voor plaagdier je precies te maken hebt. Ook zij houden niet bij hoeveel meldingen er zijn, maar een woordvoerder geeft wel aan dat er niet meer meldingen en vragen zijn dan voorgaande jaren.

Ongediertebestrijders geven hetzelfde beeld. Nico Vonk, bijvoorbeeld, is na een lange carrière in de ongediertebestrijding (hij was jarenlang directeur van het KAD) als zelfstandige begonnen. Hij adviseert gemeenten over plaagdieren en heeft zich gespecialiseerd in het opsporen van bedwantsen met detectiehonden. Wanneer hotels of particulieren twijfelen of ze bedwantsen hebben, kunnen ze de hulp van Vonk en zijn hond Yip inschakelen. ‘Zij ruikt levende bedwantsen en hun eitjes. Op dode bedwantsen slaat ze niet aan – dus de hond kan ook ingezet worden om te controleren of de bestrijding heeft gewerkt.’ Als Yip aanslaat, gaat Vonk net zo lang op zoek tot hij ook echt een bedwants vindt. Door zijn jarenlange ervaring weet hij goed waar ze kunnen zitten – in de lattenbodem van een bed, tussen plinten of verstopt in de bank. Vindt hij bedwantsen, dan raadt hij een goede ongediertebestrijder aan. Vindt hij ze niet, dan was het vals alarm.

Vonk krijgt de afgelopen jaren ook weer meer meldingen, maar niet meer dan voor corona. Wel is er een verschuiving te zien. ‘Ik werk sinds 2017 met detectiehonden. Toen werd ik bijna alleen door hotels ingeschakeld, nu krijg ik steeds meer telefoontjes van particulieren.’

Tot en met de Tweede Wereldoorlog was het heel normaal om bedwantsen in je huis te hebben. Vanaf de jaren vijftig gingen bestrijders los met het insecticide DDT, waardoor ze in West-Europa en Noord-Amerika tussen de jaren zeventig en halverwege jaren negentig zo goed als verdwenen waren. Maar de wantsen die deze insectengenocide overleefden, zijn resistent geworden voor DDT en andere insecticiden. En ze hebben zich verspreid over de wereld doordat we veel reizen.

Wat wel duidelijk is, is dat mensen heftiger reageren op de mogelijkheid van bedwantsen. Op het moment dat wij in Utrecht nog volop aan het poetsen en stomen zijn, verschijnt er in The New York Times een artikel met de veelzeggende kop The problem with pests may be in Parisian heads, not their beds’. ‘Ik heb nog nooit zo’n paniek meegemaakt’, zegt een man die in het oosten van Frankrijk met een detectiehond bedwantsen opspoort. Ruim tweederde van de belletjes die hij krijgt, komt van mensen die iets hebben gezien dat ‘niks met een bedwants te maken heeft’. En een Franse entomoloog, een insectendeskundige, spreekt zelfs over massahysterie. Hij wordt gebeld door mensen die niet eens gebeten zijn, maar toch per se willen dat hij hun huis controleert.

Ook Nico Vonk merkt dit. ‘Ik zie vooral heel veel zorgen, paniek en mensen die willen worden gerustgesteld. Als ik iemand aan de telefoon heb, stel ik eerst vragen om erachter te komen of het waarschijnlijk is dat het om bedwantsen gaat. Als ik vermoed dat het een ander beestje is, willen mensen dat ik tóch kom. En vaak het liefst nog dezelfde avond. Ik kom geregeld bij mensen over de vloer waar helemaal niks te vinden is. Het schrijnende is dat die mensen dan soms wel al duizenden euro’s hebben uitgegeven aan bestrijding.’

Entomoloog Bruce Schoelitsz ziet vaak dat mensen in paniek zijn als ze bedwantsen in huis hebben. Hij is docent-onderzoeker Toegepaste biologie aan de HAS Hogeschool in Den Bosch, deed onderzoek naar bedwantsen en werkte zeven jaar bij het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen. In die tijd bekeek hij opgestuurde beestjes om vast te stellen waar mensen mee te maken hadden, kwam bij mensen thuis en adviseerde organisaties bij het bestrijden van dierplagen. ‘Het probleem is dat mensen bang zijn voor het beruchte insect, omdat ze op internet hebben gelezen dat hij moeilijk is te bestrijden en zich zo snel voortplant. Dat klopt ook allemaal, je krijgt ze zelf bijna niet weg. Maar soms gaan mensen in hun reactie wel erg ver.’

Hij heeft mensen aangetroffen die alle meubels de deur uit hadden gedaan en op tuinmeubelen leefden. ‘De psychische impact die het heeft en de stress die een bedwantsenplaag oplevert, vallen niet te onderschatten. Ze brengen misschien geen ziekten over, maar ze zorgen wel voor slapeloze nachten en een isolement. Ik heb gezien dat kinderen niet meer welkom waren bij vriendjes. En mensen met een bedwantsenplaag durven geen gasten meer thuis te ontvangen.’

Volgens ongediertespeurder Nico Vonk is dat, deels zelfgekozen, isolement niet nodig. ‘Ik heb ook vaak gezien dat mensen zelf nergens meer naartoe gingen, uit angst om de beestjes mee te nemen. Dat kinderen nergens meer over de vloer mochten komen. Of dat mensen wanneer ze de plaag hadden aangepakt zelf nergens meer naartoe durfden te gaan, uit angst dat ze opnieuw bedwantsen in huis zouden halen. Terwijl: de kans dat je zo’n beest, en dan specifiek een vrouwtje dat al gepaard heeft, in je kleding meeneemt is misschien één op de duizend – zeker als je zorgt dat kleding en tassen schoon zijn.’

Herkenbaar. Tijdens het hoogtepunt van onze bedwantsenstrijd mochten de kinderen hun schone, ontsmette kleren pas vlak voor ze de deur uitgingen aandoen – want stel je voor dat ze de eitjes of een wants mee naar school of vriendjes zouden nemen. Bezoek was een tijd niet welkom, vriendjes konden ook niet meer over de vloer komen. Op een gegeven moment ging ik een paar dagen met mijn kinderen naar mijn moeder op Texel. De toch al schone kleding heb ik nog een keer extra in de hete droger gestopt en gestoomd, de koffer nog eens extra ontsmet. En dan nog vond ik het moeilijk; wat nou als ik haar ook zou opzadelen met die rotbeestjes?

Ondertussen voel ik een enorme afkeer wanneer ik er eentje in huis zie kruipen, ik wil de vieze indringer zo snel mogelijk weer weg hebben. Een zeer menselijke reactie, begrijp ik van Joshua Tybur. Hij is hoogleraar Psychologie en Infectieziekten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de menselijke emotie walging. ‘Ik bekijk hoe ons brein reageert op zaken die afkeer opwekken. Wij mensen reageren met walging op bedorven voedsel, omdat we daar ziek van kunnen worden – een beschermingsmechanisme. Die reactie hebben we ook met veel insecten. Dat kan terecht zijn; teken en parasieten kunnen ziekten overdragen. Onze hersenen maken niet het onderscheid: dit beestje draagt géén ziekten over, dus ik kan wel rustig reageren. Het is een instinctieve reactie.’

Uit onderzoek dat in 2012 in The American Journal of Medicine werd gepubliceerd, blijkt dat mensen die bedwantsen in hun huis hebben gehad – of die dat denken – het zwaar te verduren hebben. De onderzoekers analyseerden blogs en socialemediaposts van mensen die dachten dat ze werden geplaagd door bedwantsen. De mensen die de berichten plaatsten, schreven over nachtmerries, flashbacks, overdreven waakzaamheid (ze doen alles om de beestjes te spotten en weg te werken), slapeloosheid, angsten, vermijdingsgedrag en niet meer goed kunnen functioneren in het dagelijkse leven. Allemaal symptomen die kunnen duiden op een posttraumatische stressstoornis, aldus de auteurs.

Aan Tybur stel ik de vraag wat maakt dat we zo heftig reageren op bedwantsen. De heftigheid van onze reactie kan volgens hem komen door het feit dat de bedwantsen in ons huis, ons veilige bastion, doordringen. Dat doen wel meer insecten, natuurlijk. Maar waar kakkerlakken het meestal houden bij plekken waar ze eten vinden, zoals de keuken, en vliegen een beetje dom rondzoemen, komen bedwantsen bij ons hun bloedmaaltijd halen. Ook zoeken ze ons daar op waar we op ons kwetsbaarst zijn: in bed. ‘We hebben het idee dat ons huis onze veilige plek is, waar niks ons kan raken. Het deel van je brein dat parasieten en mogelijke ziekteverwekkers wil vermijden, roept: vermijd dit gebied, wegwezen hier. Maar dat kán niet, want het gaat om je bed.’

En dan is er ook nog het sociale stigma dat deze indringers met zich meebrengen. Doordat de effectieve bestrijding bedwantsen in grote delen van de wereld decennialang er bijna onder had gekregen, lijkt een bedwantseninvasie een echo uit een ver verleden. Dan kunnen entomologen en ongediertebestrijders nog zo hard roepen dat het bedwantsen niet uitmaakt hoe opgeruimd of schoon je huis is en dat ze zelfs in ziekenhuizen nog een plekje vinden om hun kolonie te stichten; het beeld dat ‘men’ bij de wantsen heeft is dat van armoede, viezigheid en besmettelijkheid.

Ik leg entomoloog Bruce Schoelitsz onze persoonlijke strijd tegen de bedwantsen voor, stiekem in de hoop dat hij zal zeggen dat we goed bezig zijn. Wanneer ik hem spreek, zijn we in ons huis alweer een paar weken ‘bultenvrij’. De urgentie om ook de overgebleven kamers in het huis grondig aan te pakken is daarmee een beetje verdwenen, en we zijn inmiddels de uitputting nabij van het nachtelijke poetswerk. Ik vraag: zijn we op de goede weg?

Fronsend zegt hij dat hij ‘toch vreest dat jullie de bedwantsen door het huis hebben verspreid. Dat gebeurt namelijk bijna altijd als je ze zelf probeert te bestrijden.’ Dan vraagt hij: ‘Heb je foto’s van ze gemaakt? Weet je eigenlijk wel zeker dat het bedwantsen zijn?’ ‘Ja, absoluut’, zeg ik. We hadden toch bulten? En ik zag toch bloedvegen? ‘Dat kan ook van een ander dier komen dat je hebt doodgeslagen. Van een vlo, of gewoon van muggen.’

Toen hij bij het KAD nog insecten bekeek om de diagnose wel/geen bedwants te stellen, was het vaak vals alarm, zegt Schoelitsz. ‘De beestjes die we kregen opgestuurd, waren meestal geen bedwantsen. Het is niet makkelijk om zelf vast te stellen met welk insect je te maken hebt. Bedwantsen zijn bruin, maar ook wel rood of wit. Ze zijn klein en ovaal, maar dat zijn wel meer insecten.’

Hij haalt een voorbeeld aan van een gezin dat zo’n 3.000 euro uitgaf aan bedwantsenbestrijding. ‘Hun dochter was gebeten in bed, maar ze konden niks vinden. Ze haalden er een detectiehond bij en die sloeg aan. Soms gebeurt dat onterecht, degene die met de hond mee is, moet eigenlijk zelf ook goed kijken of hij sporen van wantsen ziet wanneer de hond alarm slaat. Dat was nu niet gebeurd. De ouders lieten alles verhitten en ook nog een deel van het huis met gif behandelen. Nog steeds had hun dochter last van beten. Toen wij langskwamen, troffen we vogelvlooien aan. Ook vervelende beestjes, maar lang niet zo moeilijk te bestrijden als bedwantsen.’

Schoelitsz stelt voor dat ik op zoek ga naar (dode) bedwantsen, een foto van ze maak en die naar hem mail. In een nog niet ontsmet hoekje in ons huis vind ik, verstopt onder een kist, een kleine overlever van onze ontsmettingsstrijd. Ik zet ’m op de foto en twee dagen later is er de verlossende mail van Bruce Schoelitsz. ‘Wat het wel is, kan ik niet goed zien. Maar het beestje op de foto is zeker géén bedwants.’

Ik durf niet opgelucht te zijn. Wat nou als we naast een bedwantsenplaag nog andere beestjes hebben en ik er daar toevallig eentje van vond? De kinderen hadden toch bulten? En we vonden toch een nest in de bank – een plek waar bedwantsen zich graag verstoppen? Ik durf niet te geloven dat we ons onterecht hebben laten meeslepen in de bedwantsenparanoia.

Schoelitsz biedt aan om een échte determinatie te doen. Wanneer ik weer een beestje vind, gooi ik er kokend water overheen en vries ik ’m een nacht in. Daarna gaat hij op de post naar de entomoloog. Schoelitsz’ diagnose: het is een Australische tapijtkever. Beestjes die, eenmaal volgroeid, ook klein en donkerbruin zijn – en dus goed te verwarren met de bedwants.

De Australische tapijtkever komt veel voor in woningen, de larven leven van wol, leer en (katten)haren. De volwassen tapijtkever leeft op etensresten en dode insecten. Dat nest in de bank? ‘Dat is op zich niet zo gek, ook tapijtkevers verstoppen zich waar ze maar tussen kunnen kruipen’, zegt Schoelitsz. ‘En in die bank leeft-ie waarschijnlijk van haren, wollen vezels en etensresten die in de naden vallen.’ Tja, kinderen en chips en koekjes op de bank, dat is geen goede combi, blijkt maar weer.

De reden dat we het idee van bedwantsen voorzichtig durven los te laten: inmiddels zijn we alweer bijna twee maanden bultjesvrij. ‘Aangezien bedwantsen bestrijden heel, heel moeilijk is en bedwantsen het liefst elke week een bloedmaaltijd willen, twijfel ik of jullie echt bedwantsen hadden’, constateert Schoelitsz. Waren het toch hardnekkige muggen in het najaar die ons op het verkeerde been hebben gezet.

En nu, hoe kom ik van déze kleine rotbeestjes af? Voordat ze straks al mijn wollen truien hebben aangevreten, want dat doen ze, lees ik op internet. Veel stofzuigen, verhitten en stomen. Want ook de tapijtkever kan niet tegen hoge temperaturen. Gelukkig vermenigvuldigt de Australische tapijtkever zich stukken minder snel dan de bedwants, en hij is ook minder ‘besmettelijk’. Maar ook met dit beestje kunnen we een pittige strijd aangaan.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next