Home

Na ruim een eeuw klinkt eindelijk de allereerste Surinaamse opera. Maar is het ook een goed stuk?

In de drukke foyers van het Concertgebouw is donderdag de verwachting bijna tastbaar. Onder het publiek zijn opvallend veel toeschouwers van Surinaamse herkomst, want vanavond is de Nederlandse première van de allereerste Surinaamse opera, Het pand der goden van Johannes Nicolaas Helstone (1853-1927).

Helstone werd in slavernij geboren, ontplooide zijn muzikale gave in Duitsland en wordt beschouwd als de grondlegger van de klassieke muziek in Suriname. Zijn magnum opus, vandaag concertant (zonder regie, kostuums en decorstukken) te horen, is dus van historisch belang voor zowel Suriname als voor Nederland als voormalig kolonisator.

Over de auteur
Jenny Camilleri schrijft sinds 2020 voor de Volkskrant over opera.

Het relatief klein bezette Concertgebouworkest staat klaar, maar we moeten nog even op de muziek wachten. Verteller Manouschka Zeegelaar Breeveld verhaalt hoe in een mythisch land – bedacht door Helstone, die zelf het libretto schreef – het kind Athlolinda wordt ontvoerd door de goden. Om haar ongehoorzame vader te straffen, houden ze haar als onderpand vast in hun tempel. Als de opera begint, zal haar broer Olindo een gevaarlijke reis ondernemen om haar te redden, waarbij hij schipbreuk lijdt en een vuurproef ondergaat.

Ten tijde van de wereldpremière van Het pand der goden in Paramaribo in 1906 stond componist Arnold Schönberg op het punt om de veiligheid van de tonaliteit los te laten. In de twee jaren daarvoor gingen de baanbrekende opera’s Madama Butterfly van Giacomo Puccini en Salome van Richard Strauss in première. Maar in Helstones muziek vind je geen spoor van het weelderige realisme van de eerste of van de onthutsende woestheid van de laatste.

Helstones stijl doet het meest denken aan de vroegromantische opera Oberon (1826) van Carl Maria von Weber, waarin gesproken dialogen, reddingsacties, een schipbreuk en magische wezens ook voorkomen. Toch zouden de lyrische zangerigheid en heldhaftige uitbarstingen van de ouverture makkelijk passen bij een Italiaanse opera uit dezelfde periode.

Dirigent Otto Tausk laat de melodische ideeën, die gul stromen door het hele stuk, lenig springen van houtblazers naar cello’s, van strijkers naar hoorns, al ontbreekt soms dat laatste laagje vernis. In vergelijking daarmee klinkt de vocale muziek vierkant. De strofische aria’s zijn eentonig van tempo en nemen zelden een dramatische afslag.

Waren er maar meer duetten zoals dat tussen twee goden (Jasper Leever en Germán Olvera) die elkaar toeroepen net zoals Wagners dondergod in Das Rheingold. Niets mis met melodische eenvoud, maar hoe goed Cappella Amsterdam ook zingt, het kan de lange koorscène waarin een schare berggeesten zich over Olindo ontfermt niet boeiender maken dan die is.

Net zoals Oberon lijdt Het pand der goden onder een hobbelige structuur. Er gebeurt veel buiten de muziek om en de plot kan niet vooruit zonder de verteller. De zangers moeten leven blazen in houterige verzen zoals: ‘Uw wensch, o moeder, is mij een gebod/ Dien te vervullen is mij ’t grootst genot.’

Lucas van Lierop, invallend voor een afzeggende tenor, en Judith van Wanroij, als respectievelijk Olindo en zijn lankmoedige moeder Heloinka, doen hierin hun best, maar andere solisten zijn nauwelijks verstaanbaar. Boventiteling zou geen overbodige luxe zijn geweest.

De fraaiste momenten zijn instrumentaal. Glanzend trillende strijkers die onmiddellijk een feeëriek landschap oproepen, bijvoorbeeld. Of de spirituele vuurproefmuziek waarin Richard Wagners Lohengrin bewonderend wordt geciteerd.

Athlolinda, een korte maar indrukwekkende rol van Aylin Sezer, verschijnt pas in de slotakte, als een heilige omlijst door orgelmuziek. Olindo bevrijdt haar en wordt voor zijn dapperheid ‘tot godenrang verheven’. Zodoende erkennen de goden dat de liefde net zo goddelijk is als henzelf. Een daverende finale met jubelende koorzang geeft dit stuk vol nobele idealen, dat elders meer dramatische inslag zou kunnen gebruiken, toch een bevredigend einde.

Voor de Nederlandse première van Het pand der goden heeft dirigent en componist Leonard Evers twee jaar lang gewerkt aan een uitvoeringseditie op basis van twee verschillende partituren.

De eerste is de Nederlandstalige versie van de opera zoals die klonk tijdens de wereldpremière in 1906. De bezetting werd waarschijnlijk bepaald door de krachten die beschikbaar waren in Paramaribo. Die partituur schrijft slechts een handjevol strijkers voor, maar niet minder dan acht trompetten. Vermoedelijk werden de hoornspelers ook als trompettisten ingezet.

Helstone breidde de bezetting aanzienlijk uit voor een Duitstalige uitvoering in Leipzig met een voltallig orkest, waarvan het onduidelijk is of die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Naar eigen zeggen streefde Evers naar een middenweg tussen de twee versies, tussen de beweeglijkheid van Paramaribo en de zwaarte van Leipzig, en hij is daarin geslaagd. Het libretto is gebaseerd op de oorspronkelijke Paramaribo-versie.

Opera

★★★☆☆

Door het Concertgebouworkest, Cappella Amsterdam en zangsolisten o.l.v. Otto Tausk

15/2, Concertgebouw, Amsterdam. Radio-uitzending op 18/2 op NPO Klassiek. Tekst beschikbaar op preludium.nl/concertprogrammas.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next