Chris de Korte creëerde niet alleen kampioenen op de mat. De judocoach omschreef zichzelf als ‘knettergek’ en ‘eigenwijs’, maar nooit stopte zijn liefde voor de judosport.
Judo is als het leven, stelde kampioenenmaker Chris de Korte eens. Op de tatami word je geconfronteerd met tegenstand. Om die tegenstand moet je niet kwaad worden, die moet je accepteren, zo doceerde de sensei. ‘En dan zorgen dat je wint.’
Vrijdag overleed de markante judocoach op 86-jarige leeftijd in het bijzijn van zijn familie in zijn woonplaats Hoogvliet. De Korte was een van de grootheden uit het Nederlandse judo. Hij begeleidde kampioenen als Edith Bosch, Angelique Seriese, Theo Meijer en Mark Huizinga. Huizinga’s olympisch goud in Sydney in 2000 is nog steeds de laatste Nederlandse olympische judotitel.
Over de auteur
Lisette van der Geest is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft al ruim tien jaar over olympische sporten als schaatsen, tennis, judo, handbal en zeilen.
Met zijn sport creëerde De Korte niet alleen kampioenen op een mat, hij gaf mensen een training in weerbaarheid, acceptatie en doorzettingsvermogen. Verstand is een handicap voor mensen, vond hij. Zijn pupillen moesten gevoelsmatig handelen. Dan raak je ook niet snel in paniek. Huizinga, die De Korte al sinds zijn vijftiende onder zijn hoede had, vertelde hij ooit na een nederlaag het verhaal van de duizendpoot. ‘Als die gaat denken hoe hij zijn poten neerzet, valt hij zich te barsten.’
Zijn grootste uitdaging was zijn judoka’s van Japanners te laten winnen. Japan is het grootste judoland ter wereld, de bakermat van het judo, en was jarenlang De Korte’s tweede thuis. In 1965 was hij daar op 27-jarige leeftijd alleen naartoe getrokken. Een barre reis: eerst met de Transsiberië Express, vervolgens nog drie dagen met de boot naar Yokohama. Daarna weer met de trein naar Kyoto.
Hij wilde kennis opdoen. Daar moest hij de beste trainer van Nederland worden, zo had De Korte besloten. Maar na een maand of drie à vier in Japan was hij dertien kilo lichter, had hij honger en schreef hij zijn vader in Nederland dat hij terug wilde komen. Of hij de rest van zijn geld dat hij had achtergelaten wilde opsturen? ‘Typisch mijn vader’, vertelde De Korte grinnikend, toen hij anderhalf jaar geleden terugblikte. ‘Hij schreef: we hebben samen afgesproken dat je een jaar weg zou blijven, dat is nog niet om. Het ga je goed.’
Hard, maar met de beste intentie, meende De Korte. Hij leerde: in Japan trainden ze harder en langer. Daar bekwaamde De Korte zich in het grondgevecht. In 1969 werd hij eerst bondscoach van de junioren, later trainde hij bekende judoka’s die in totaal tien olympische medailles haalden op zeven verschillende Olympische Spelen.
In zijn jaren als coach kwam De Korte regelmatig terug in Japan, voor trainingskampen en wedstrijden. Maar ook nadat hij gestopt was als coach bij internationale wedstrijden ging hij af en toe alleen naar het land. De laatste keer was in 2023, om goede vrienden op te zoeken. ‘En een sake’tje te drinken, of misschien wel twee.’
Eind 2022, in een interview, vertelde hij: ‘Ik heb een totaal leven gehad’. Hij hield van reizen, al waren ze altijd doelgericht en vaak in dienst van judo. Door zijn sport kwam hij in allerlei landen. Op de Filipijnen zag hij mensen sigaretten andersom oproken. ‘Niet lekker, je verbrandt je tong.’ In Brazilië, waar hij was voor een judotoernooi, liep hij over het strand toen jongens van een jaar of twintig het op zijn bezittingen hadden gemunt en een geweer tegen zijn hoofd plaatsten. Automatisch tikte hij het pistool weg. Ook daar gold zijn verhaal van de duizendpoot: ‘Als je gaat nadenken, ben je te laat.’
Tot zijn 65ste maakt hij zelf randori; een vorm van sparren in het judo. Tot De Korte eens op de grond lag, te vechten met ‘een jochie van 21’. Daar, tijdens een verwurging, een bekende techniek in het judo, kwam plots het besef: ik ben 65, wat doe ik hier? Het is tijd om te stoppen met wedstrijdjudo.
Op zijn 65ste had hij eenzelfde realisatie bij een sprong uit een vliegtuig: wat ben ik hier aan het doen? Ergens in de lucht boven België besloot hij vervolgens dat die twaalfde parachutesprong zijn laatste was. Hij hield van spanning, van avontuur. Van gevechten op de mat, parachutespringen en van duiken.
Nooit stopte zijn liefde voor de judosport. Bij wedstrijden in het weekend liep hij altijd wel even langs de sportschool. Tijdens de coronapandemie gaf hij zijn tai chi-lessen, met behulp van iemand die de computergerelateerde zaken regelde, digitaal. Tot zijn 85ste gaf hij nog zijn beruchte judotraining op vrijdagavond. Door velen gevreesd, zo zwaar. Een eindtijd werd nooit vooraf gegeven. Soms duurden ze drie uur. ‘Maar ze blijven altijd komen.’
Lol hebben in het leven is een belangrijk doel, meende hij ook. Zorgen dat je niet chagrijnig wordt. Of, zoals De Korte het omschreef: de onzin van het leven inzien.
Zijn sportschool droeg hij uiteindelijk over. Eerst aan zijn twee zonen; inmiddels is oud-pupil Mark van der Ham de eigenaar. De Korte kwam er nog regelmatig om trainingen te geven en ‘de rommel een beetje bij te houden’, doelend op zijn verzameling aan beeldjes, oorkondes, foto’s en andere judo-attributen. Blootsvoets liep hij dan in de rondte. Een leven zonder judo was voor hem geen optie. Die ene keer dat hij besloot vissen als hobby uit te proberen raakte hij zo ongeduldig dat hij uiteindelijk zijn hengel de Maas ingooide.
Hij omschreef zichzelf als knettergek en eigenwijs. Dat eerste omdat hij net zoals bijvoorbeeld Cor van der Geest, voorheen zijn grote concurrent van sportschool Kenamju in Haarlem, zijn hele hebben en houwen in de judosport stopte. ‘Die zijn er niet meer, die mensen die er alles voor doen.’
De tweede omschrijving gaf De Korte als verklaring nadat hij na zijn tachtigste twee jaar met versleten knieën rond ‘strompelde’. Hij was ervan overtuigd dat hij door goed te trainen operaties kon voorkomen. ‘Ik dacht dat ik het wel kon, maar er zijn heel veel dingen die ik niet kan.’ Groot was de opluchting uiteindelijk nadat hij wel geopereerd was en vervolgens beter kon bewegen dan daarvoor.
Afgelopen november werd er acute leukemie geconstateerd bij De Korte. Behandelingen mochten niet baten. Anderhalf jaar geleden zei hij, op de vraag of hij ooit dacht dat zijn lichaam er eens mee op zou houden: ‘Tuurlijk denk ik daar weleens over. Maar ik maak me er niet druk om. Dan zou ik me druk maken om iets dat er nu nog niet is. Dan ervaar je het twee keer. Je ziet het wel als het je overkomt.’
Source: Volkskrant