Het beschermen van dieren vindt David van Gennep, directeur van stichting AAP, even logisch als het beschermen van mensen. ‘Mijn lot kan ik ondergeschikt maken aan dat van dieren, dat vind ik niet moeilijk.’
Poekie, een dwergpapegaai vol kale plekken, speelt eind jaren zeventig een sleutelrol in zijn leven. Voor het diertje van de ouders van een middelbare schoolvriend heeft de dan 18-jarige David van Gennep een grote sympathie opgevat. Maar het gaat niet goed met Poekie: zij krijst voortdurend en trekt de veren uit haar lijf. Ten einde raad gaan David en zijn ouders op bezoek bij een man met een reputatie van dierenredder: Okko Reussien, de oprichter van stichting AAP. Die ziet dat Poekie bovenal een partner mist en zich uit frustratie kaalplukt. Reussien betoogt dat mensen een dier vaak voor hun eigen plezier houden, maar eigenlijk diens behoeften primair moeten stellen. Die visie slaat in als een bom bij Van Gennep: ‘Voor mij was dat een eyeopener. Als kind had ik vele dieren in gevangenschap gehouden, zonder daar verder over na te denken. Opeens zag ik in hoe zielig dat vaak voor die dieren is.’
Vanaf zijn 8ste bouwt hij uit liefde voor dieren grote volières op het riante landgoed in Driebergen waar het gezin Van Gennep woont – zijn vader, een dominee, heeft op het enorme terrein een dienstwoning. De jonge David brengt er idyllische jeugdjaren door, omgeven door ‘fazanten, pauwen, eksters, eenden, waterhoentjes, een pony, een hond, een schildpad, en dan ben ik nog niet compleet’. De dierenwereld oefent een veel grotere aantrekkingskracht uit dan school, die hij op zijn rubberlaarzen bezoekt, en bij voorkeur om door de ramen naar buiten te kijken. ‘Die jongen is alleen maar goed voor zeehonden tellen op Rottumerplaat’, gromt een mentor.
Een misvatting, blijkt, want Van Gennep gaat biologie studeren, met een specialisatie in virologie. Maar zijn studie loopt vast, wanneer hij in gewetensnood komt over het gebruik van proefdieren. Dan is hij al als vrijwillige dierenverzorger en klusjesman bij stichting AAP begonnen. De opvang van exotische dieren zoals apen, reptielen en circusdieren die zijn verwaarloosd, is de hoofdtaak. De stichting is noodlijdend: wanneer Van Gennep in 1995 Reussien opvolgt, krijgt hij wel de directeurstitel, maar ontbreekt er geld voor een salaris. Een door hem opgezette samenwerking met omroepvereniging Tros brengt daarin drastisch verandering – het televisieprogramma Dierenmanieren met presentator Martin Gaus volgt het lot van AAP-dieren, met als gevolg dat het aantal donateurs spectaculair groeit, tot inmiddels 72 duizend. Met ruim honderd werknemers, honderden vrijwilligers en opvanglocaties in Nederland en Spanje is stichting AAP een robuuste organisatie. Naast de dierenopvang maakt de 62-jarige Van Gennep zich hard voor betere regelgeving in Europese landen om dierenleed te voorkomen.
‘Mijn gelukkigste momenten zijn vaak met dieren. Afgelopen weekend was ik in Zeeland waar ik een zomerhuisje heb. Toen ik in de wei tegen een boom zat, met een kop koffie in mijn hand, kwamen één voor één mijn koetjes langzaam aangelopen. Eentje duwde zo’n natte neus in mijn gezicht, een moment van groot geluk. Kijk ik dan om me heen, dan zie ik een valk, een sperwer. Dieren vormen mijn zoekbeeld. Als bioloog heb ik geleerd dat dat beeld bestaat uit wat noodzakelijk voor je is. Voor mij hebben dieren daar altijd deel van uitgemaakt. Toen mijn vader me als kind een keer meenam naar Londen, was dat bezoek voor mij geslaagd toen ik contact met duiven kreeg. Waar die fascinatie vandaan komt, kan ik niet zeggen – de interactie met dieren heeft me simpelweg altijd meer beziggehouden dan al het andere.
‘Het pad naar bestrijding van dierenleed ben ik ingeslagen na die eerste ontmoeting met Okko Reussien, eind jaren zeventig. In die jaren was de industriële omgang met dieren in volle gang. Dieren werden volledig aan de belangen van de mens ondergeschikt gemaakt – denk aan kistkalveren die iedere bewegingsruimte werd afgenomen om witter vlees voor de consument te produceren. Tot die ontmoeting met Reussien had ik nauwelijks oog voor dierenleed. Ik zag bijvoorbeeld geen kwaad in biggetjes te ontdoen van hun ballen, tandjes en staartjes. Een jonge boer die ik sprak, bracht dat als vooruitgang, want zo konden ze buiten de tralies van hun veel te krappe boxen liggen. Pas na dat gesprek met Reussien realiseerde ik me dat die operaties voor die biggetjes helemaal niet fijn waren. Zijn pleidooi om de behoeften van het dier centraal te stellen en grenzen te stellen aan de maakbaarheid van het dier, sprak en spreekt me enorm aan.’
‘Aan het einde van mijn studie kreeg ik een hoogoplopend conflict met mijn wetenschappelijke begeleider over de inzet van ratten. Het was halverwege de jaren tachtig en we zochten koortsachtig naar manieren om het aidsvirus te bestrijden. Ons experiment zou daaraan moeten bijdragen. We moesten daarvoor ratten doden, hun hersencellen werden gebruikt. Mijn begeleider, die in hoog aanzien stond, vond dat ik per experiment 24 ratten nodig had, enkele malen per maand. Ik was ervan overtuigd dat het met de helft kon, maar kreeg aanvankelijk geen gelijk van hem. Hij veranderde van standpunt toen de prijs van ratten substantieel omhoogging. Opeens waren twaalf ratten wel wetenschappelijk verantwoord! Ik was woedend dat niet mijn argumentatie telde, maar de economische noodzaak. Voor mij was toen duidelijk: hier zal ik nooit aan kunnen wennen.
‘Begrijp me goed, ik ben niet principieel tegen het doden van dieren. Het is soms rechtvaardiger hun leven te beëindigen dan het te rekken, een overtuiging die ik net zo goed voor mijn eigen leven heb. Sommige dierenbeschermers vinden dat je een dier beter kunt laten creperen dan hem door een mens te laten doden, maar tot die groep behoor ik niet. Het welzijn van het dier vind ik belangrijker dan de lengte van zijn leven.’
‘Nogal anders dan ik, haha. De overgrote groep bestaat uit mensen die donders goed weten dat ze met een exotisch dier een probleem in huis halen, maar ze zitten daar niet mee. We komen door heel Europa echt van alles tegen: apen, leeuwtjes, wasberen, luiaards, stokstaartjes en tegenwoordig ook veel servals, katachtige roofdieren. Mensen kopen die dieren om zich ermee te onderscheiden, het geeft hen status. Dat aankoopmotief viel op te maken uit onderzoek van de universiteit van Wageningen, waar we bij betrokken waren. Daaruit concludeerden we dat we onze energie niet langer aan voorlichting hoefden te spenderen, wat we tot dan toe hadden gedaan. Vanuit een optimistisch wereldbeeld dachten we dat het probleem kennis was, dus kwamen we met voorlichtingscampagnes. Maar die bleken geen enkel effect te hebben, ze brachten dit soort personen eerder op een idee. Zij zijn eigenlijk bewust onbekwaam, net als pitbulleigenaren: ze weten dat er een vrij grote kans is dat het eens misgaat, maar dat kan ze niets schelen.’
‘We zijn ons gaan richten op het instellen van strenge regels, om zo het houden van exotische dieren door particulieren sterk in te perken. Waardoor ook de handel in deze dieren een slag wordt toegebracht. Daar lobbyen we voor in Europese landen. In Nederland is ons dat in 2015 gelukt met een wettelijk verbod op wilde dieren in circussen. Tot dan toe werden apen, tijgers en leeuwen gedwongen voor ons vermaak op te treden. Dat mag er onschuldig uitzien, maar om ze zover te krijgen, werden ze vaak wreed behandeld. Met een gezamenlijke lobby van dierenorganisaties hebben we premier Mark Rutte en PvdA-leider Diederik Samsom zover gekregen dat ze dat verbod in het regeerakkoord opnamen.’
‘Dat zie ik anders. Het gaat niet alleen om de circussen, maar je raakt daarmee ook de achterliggende handel tussen particulieren, circussen en andere soorten van entertainment met dieren. Bovendien voed je kinderen niet langer op met de gedachte dat die dieren het leuk vinden dit soort kunstjes voor ons op te voeren. Met het verbod ben ik dus erg blij, net zoals ik dat ben met de ‘positieflijst’ waarop de enige dertig soorten zoogdieren komen te staan die je zonder vergunning thuis mag houden; alle andere exotische zoogdieren ontbreken. Na jaren van lobbyen door ons en andere dierenorganisaties wordt die lijst op 1 juli van kracht. Daarmee wordt het verboden exotische dieren thuis te houden, een prachtig succes voor ons, en vooral voor de dieren.’
‘Wanneer ik naar de organisatie zelf kijk ben ik er zonder meer trots op hoe robuust die is geworden. Toen ik begon waren er vooral schulden – ik heb een aantal jaren mijn salaris, dat op minimumloonniveau lag, niet naar me laten overmaken. Het leek me beter dat geld aan de organisatie te besteden. Alles werd anders door onze samenwerking met de Tros en Martin Gaus, die individuele dierenverhalen op televisie ging vertellen. Daarna stroomden de donateurs toe. Trots ben ik ook op ons opvangcentrum in een natuurgebied in Spanje, waar we apen, leeuwen en tijgers opvangen die door de Spaanse autoriteiten in beslag zijn genomen. Dat is er na een jarenlange strijd in 2009 gekomen.’
‘Dat stemt me niet optimistisch. Met te veel mensen bewonen we een planeet die onvoldoende natuurlijke hulpbronnen heeft voor het welvaartsniveau dat we willen hebben. Met onze voedselbehoefte zitten we in een keurslijf dat leidt tot dwaze praktijken, zoals soja uit Zuid-Amerika halen als goedkoop voer voor onze varkens, waardoor onze speklapjes goedkoop in de winkel liggen. De klimaatcrisis maakt het nog complexer. Een megastal kun je als de oplossing voor het mestprobleem zien, maar hij is vanuit dierenwelzijn bezien een ramp. Gelukkig zijn er afzonderlijke dossiers waarop we vooruitgang boeken.’
‘Zo typeer ik mezelf niet, ook al werk ik voor een ideële stichting. Voor mij zit idealisme dicht tegen altruïsme aan. Daar sta ik wantrouwend tegenover – mensen die uit altruïsme zeggen te handelen, hebben de neiging op anderen neer te kijken. Voor het bestaan van altruïsme kun je in de dierenwereld ook vrijwel geen bewijzen vinden. Ook de meeste mensen doen dingen omdat ze iets ervoor terugkrijgen. Ontbreekt dat belang, dan ontbreekt in mijn ogen het fundament voor duurzame veranderingen. Al geloof ik wel dat een mens zijn eigen welzijn aan dat van een groep ondergeschikt kan maken.’
‘Mijn lot kan ik ondergeschikt maken aan dat van dieren, dat vind ik niet moeilijk. Alleen noem ik dat geen altruïsme, want ik krijg er iets voor terug: ik word er intens gelukkig van. Dat mensen mij zien als iemand die goed doet, interesseert me niet. Het afstralen op mijn persoon hoeft voor mij niet, dan komt de calvinist in mij om de hoek kijken. Mijn voornaamste drijfveer is toch dat blije gevoel dat ik heb wanneer ik met mijn koetjes in de wei zit.’
Boektip Van Nature Goed, Frans de Waal
‘Voor mij was dit boek de wetenschappelijke bevestiging van iets wat ik mijn hele leven al aanvoelde, namelijk dat dieren een geweten hebben. De Waal concludeert dat op basis van uitgebreid onderzoek. Dieren lijken veel meer op ons dan velen van ons denken. Hen beschermen is even logisch als mensen beschermen.’
Source: Volkskrant