Home

De gitaarversterker verdwijnt van het podium. Is dit het einde van de rock-’n-roll?

‘Het ideaal is toch dat je je broekspijpen voelt wapperen als je op het podium staat.’ Anne Soldaat (59, onder meer Daryll-Ann) en Pablo van de Poel (32, DeWolff) knikken instemmend bij de opmerking van hun collega Stefan Blankestijn (52), die onder meer gitarist is in de band van Guus Meeuwis. En dat terwijl Blankestijn net nog zijn handen voor zijn oren hield, want té-ring: die Marshall, 18 watt, van Pablo van de Poel kan hard. In de Maastrichtse studio van Van de Poel trilt alles mee, tot de verwarming aan toe.

‘Als gitarist is het niet fijn om je versterker op oorhoogte te hebben, dus zet je hem op de grond’, zegt Blankestijn. ‘Je staat er 2 meter vandaan, dan klinkt het voor jou als gitarist lekker. Maar die mensen op 5 meter voor je ervaren het geluid vijf keer zo hard. Die worden helemaal gestoord.’

Over de auteur
Merlijn Kerkhof is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant. Hij publiceerde twee boeken: Alles begint bij Bach, een inleiding tot de klassieke muziek, en Oude Maasweg kwart voor drie, over The Amazing Stroopwafels.

Daar zullen Blankestijns medemuzikanten en mensen die een concert van hem bezoeken geen last meer van hebben, want de gitaarversterker verdwijnt geleidelijk aan van het podium. Blankestijn heeft er live al afscheid van genomen. Ook als hij de dag na het interview zijn werk oppakt bij De vrienden van Amstel live in Ahoy, doet hij dat zonder zijn aloude buizenversterker.

Zeker bij grote toerende producties en stadionconcerten, maar ook in theaters waar een lager geluidsniveau gewenst is dan in een popzaal, zijn ze steeds minder vaak te zien. Grote acts als U2 en zelfs Metallica zijn al overstag: kleine kastjes met software, ‘modellers’ die tot in het kleinste detail te programmeren zijn, imiteren het geluid van de buizenversterkers en speakerkasten.

Maar is de gitaarversterker wel echt te vervangen? En waarom is dit onder gitaristen überhaupt zo’n issue? De drie gitaristen zijn op uitnodiging van de Volkskrant bijeengekomen om de proef op de som te nemen – en nog even te genieten van wat er gebeurt als je zo’n ding op tien zet.

Als er één element is dat rock-’n-roll tot rock-’n-roll maakt, is dat het geluid van een overstuurde elektrische gitaar. Dat oergeluid is te danken aan een techniek die aan het begin van de 20ste eeuw ontstond. Met een stel vacuümbuizen – glazen bollen, in feite, met elektroden erin – onder spanning kon geluid tot op hoog volume worden versterkt.

Wie in de jaren vijftig zijn gloednieuwe elektrische gitaar in zo’n van buizen voorzien gitaarversterkertje plugde, merkte iets bijzonders. Zette je hem (bijna) helemaal voluit, dan vervormde het signaal, en door die vervorming werden er frequenties aan het geluid toegevoegd. Het resultaat: een snerpend maar vol geluid dat toch aangenaam is. Die vervorming was door de versterkerfabrikanten – zoals Fender uit Californië – helemaal niet bedoeld, maar wie in een zaal vol gillende fans speelde, kon niet anders dan zijn versterker flink opdraaien om gehoord te worden. Veel gitaristen in de rock en blues zouden deze sound uitbuiten.

Ook Pablo van de Poel – purist, maar niet dogmatisch – speelt als frontman van zijn powertrio DeWolff nog het liefst op die oude manier. Al hoeft zijn versterker – de Marshall is een van de vele in zijn studio vol vintage apparatuur waar hij ook repeteert en opneemt – helemaal niet op standje tien te staan. ‘Ik zet hem altijd op twee’, zegt hij. ‘Als je hem verder opendraait, wordt hij niet echt harder. Het geluid krijgt alleen meer verzadiging.’

Net als Van de Poel is Anne Soldaat een liefhebber van het oude spul. Thuis in Nijmegen heeft de muzikant acht versterkers staan. Ze dienen ook een ander doel: ‘Ik heb een klein kacheltje in de studio, maar soms, als het echt koud is, zet ik al mijn versterkers aan. Dan kom ik twintig minuten later terug en dan is het behaaglijk.’

Van de Poel: ‘Die buizen staan gewoon te gloeien, ze zijn heet. Het is in wezen heel inefficiënt qua energieverbruik. Het is ook niet voor niks dat gloeilampen door led zijn vervangen.’

Vraag ze naar hun eerste versterker, en in hun stem klinkt heimwee door. Soldaat: ‘Ik kocht mijn eerste van mijn gitaarleraar in Ermelo. Als die man de deur opendeed, struikelde je over de Grolsch-beugels. Hij had van die superdikke gitaristennagels, helemaal geel van de nicotine. Ik had klassiek gitaarles, maar ik zag in die hoek bij hem een elektrische gitaar staan van het merk Frima en een versterker van het merk Acetone. Die kon ik voor 50 gulden overkopen. Hij doet het niet meer, maar ik heb hem nog steeds.’

Bij menig gitarist die het zich kan veroorloven, is de gitarencollectie groter dan de verzameling versterkers. ‘Hoewel ze minstens zo belangrijk zijn voor je geluid’, zegt Van de Poel. Soldaat was zich daar relatief vroeg van bewust. ‘Na die Acetone heb ik drie vakanties lang in een veevoerfabriek gewerkt om mijn eerste Fender Pro Reverb te kunnen kopen. Met mijn vader ben ik naar muziekwinkel Staffhorst in Amersfoort gereden om hem op te halen, gloednieuw.

‘Vroeger, toen ik zelf nog niet kon rijden, werd ik na een optreden dronken en stoned met mijn Fender Pro Reverb en gitaren bij mijn voordeur uit de bandbus gegooid. Dan moest ik in die toestand die versterker naar drie hoog tillen. Dan was ik eindelijk boven en werd het helemaal zwart voor mijn ogen.’

Wat weegt-ie? ‘40 kilo of zo? Ik speel er nog steeds op. Je doet het uiteindelijk ook vanwege de romantiek.’

Dat is een voordeel van die nieuwe technologie: als Stefan Blankestijn zijn Kemper Profiler (een van de populairste modellers) meeneemt, hoeft hij aanzienlijk minder te tillen. Maar het idee om over te stappen op digitale apparatuur kwam zeker niet van hem.

‘Ik ben gedwongen door de omstandigheden’, zegt hij. ‘Op een gegeven moment zeiden de geluidsmannen van: je moet! Ze willen het podium steeds stiller hebben. Als je nu bij ons op het podium staat, hoor je alleen de organist en de drummer. Wij spelen allemaal met in-earmonitors. Iedereen krijgt een eigen mix op zijn oren, zoals je het zelf hebben wilt.’

Want dat is het aloude probleem: als gitarist wil je die versterker op een bepaald volume hebben, omdat de mate van oversturing en het volume voor een groot deel hand in hand gaan. Alleen willen de zanger en de toetsenist zichzelf ook nog kunnen horen. De modellers waarmee je kunt kiezen uit alle mogelijke klassieke versterkers – de Vox AC30 van Queens Brian May, de Marshall ‘Plexi’ die Eddie van Halen gebruikte – maken dat je dat geluid ‘net echt’ op lager volume kunt reproduceren.

Een roadie hoeft daardoor niet langer op precies die juiste, met tape aangemerkte plek een microfoon voor de speaker te plaatsen, want het kastje gaat meteen met een snoer of twee (stereo) naar de mengtafel. ‘Voor de geluidsman is zoiets een zegen’, zegt Anne Soldaat – die er zelf niet aan moet denken om digitaal te gaan.

Voelde het voor Stefan Blankestijn (‘ik heb tot nu toe maar één buurman gehad die om mij is verhuisd’) niet alsof er iets van hem werd afgenomen? ‘Een beetje wel, ja’, zegt hij. ‘In het begin voelde ik me wel gehandicapt. Je bent gewend om iets achter je te hebben staan. Je bent ook een beetje de controle kwijt: op je versterker kun je makkelijk even wat volume bijdraaien als je jezelf te zacht vindt. Nu ben je overgeleverd aan de monitormixer, de belangrijkste persoon om te vriend te houden.

‘Maar het enorme voordeel is dat ik alles per liedje kan programmeren. We spelen nu in principe zonder soundcheck. Op Pinkpop speel je een kwartier na het vorige bandje. Vroeger zat er algauw een uur tussen.’

Pablo van de Poel: ‘Wij gitaristen zijn ook een apart slag mensen. Als je bas speelt, is jouw rol dienender. Ik denk dat gitaristen vaak iets hebben waardoor ze het leuk vinden om op de voorgrond te staan, en het dus niet erg vinden om gehoord te worden.’

Wie de evolutie van de gitaarversterker ziet, ziet dat ze zeker vanaf eind jaren zestig steeds groter werden: dat was nodig om in steeds grotere zalen en op festivalweiden hoorbaar te zijn. Het wattage ging omhoog, waardoor ze harder konden, maar ook pas op hoger volume gingen vervormen. Hele full stacks – een top waar de feitelijke versterker in zit en daaronder dan nog twee cabinets, kasten met elk vier speakers – zijn allang niet meer nodig, omdat zalen met PA-systemen (volledig uitgeruste audiosystemen; PA staat voor public address) steeds beter in staat werden om zowel musici als het publiek een gebalanceerde mix voor te schotelen.

De eindeloze rijen met versterkertorens – met name van het Britse Marshall – werden evengoed het handelsmerk van de hardste gitaarbands. Maar wie nu zo’n band ziet spelen in een arena, kan zomaar bedrogen worden: dan staan ze er slechts voor de show en zijn ze niet aangesloten.

Uiteindelijk hangt het allemaal af van de context, denkt Van de Poel. ‘Als je een singer-songwriter gaat begeleiden en je neemt je 100 watt-versterker mee, dan slaat dat nergens op, dan is het een egokwestie van de gitarist. Maar mijn gitaar moet in DeWolff toch eenderde van het geluid vullen, op zijn minst. Als je Jimi Hendrix zou zien met een Kemper, dan klopt dat gewoon niet.

‘Het volume op zich doet ook iets, dat heeft een bepaalde impact. Als ik bijvoorbeeld iets opneem op die Marshall, ik zet hem helemaal open, en ik speel die opname vervolgens zacht af op mijn telefoon, dan blijft er ook weinig van de beleving over. In een studio gebruik ik daarom vaak juist een kleinere versterker: die vertaalt zich beter naar een microfoon.’

Van de Poel plugt zijn witte Gibson SG Custom in in een klein versterkertje uit 1949: een Harmony. ‘Ik heb hem gekocht in Amerika, hij was zo klein dat hij gewoon in mijn koffer kon.’ Aan de achterkant zie je een piepklein buisje. Inderdaad: dit klinkt nog gemener dan die grote Marshall.

‘Dit klinkt gewoon als het einde van de wereld, toch? Hij kan gewoon niet meer aan. Ik speel zelf het best als ik heel hard sta. Als ik dan wat zachter ga, kan ik ook alle nuances nog horen, dan heb ik het gevoel dat het aankomt wat ik doe.’

Op fora en sociale media zie je dat de modellers de gitaristengemeenschap splijten. Terwijl gitaristen hun signaal al jarenlang manipuleren door er allerlei effectjes tussen te zetten. In de jaren zestig ontstond er een wedloop onder gitaristen, die allemaal harder en groezeliger wilden klinken dan hun concurrenten. Een klein apparaatje, een treble booster, zorgde ervoor dat de hoge frequenties nog iets harder werden, waardoor de buizen nog mooier gingen ‘zingen’.

Vervolgens kwam er een pedaal op de markt waarmee de gitarist een sectie blazers kon imiteren: het fuzz-effect. Dat hoor je bijvoorbeeld in de riff van Satisfaction van de Rolling Stones. Eind jaren zeventig kwamen er ook pedaaltjes – de overdrives – die juist waren geïnspireerd op die natuurlijke vervorming van de versterkers, en het hek was van de dam. De modeller lijkt dan ook een laatste stap in de keten. Waarom leidt zo’n apparaat dan tot zo veel boosheid?

Van de Poel: ‘Je probeert iets te vervangen, en dat doet het niet helemaal. De nuances verdwijnen, met een echte versterker heb je meer het gevoel van interactie. Ik mis met zo’n modeller het verrassingseffect. Soms zet ik mijn versterker aan en denk ik: Jezus, wat klinkt-ie vet vandaag. Een ander moment denk ik: huh, waar is dat geluid van gisteren? De temperatuur, de akoestiek, de luchtvochtigheid: alles is erop van invloed. Dat positieve en negatieve vind ik er ook wel bij horen.’

Blankestijn: ‘Ik ben het wel met Pablo eens: met een versterker word je meer verrast. Het is lekkerder met, maar veiliger zonder. Vroeger gaf ik mijn geluid de ene avond een 9 en de volgende dag een 5, nu is het iedere avond een 7,5.’

Soldaat: ‘Dat is ook wat de geluidsman wil elimineren, toch? Het onverwachte.’

Misschien komt het ook wel gewoon hierop neer: als rock-’n-roll staat voor authenticiteit, dan is een digitale replica per definitie ongeschikt?

Van de Poel: ‘Inderdaad. We hebben als mensen de neiging om alles te controleren. Met digitale technieken kan dat. Als het om het verkeer gaat vind ik dat prima, maar de muziek hoeft daar niet aan mee te doen. Het moet voor mij een beetje grillig en onberekenbaar blijven. Ik wil niet dat het allemaal zo beheerst is.’

Dan, tot slot, is het tijd voor de lakmoesproef. Blankestijn heeft twee opnamen meegenomen. Op de een gebruikt hij zijn Kemper, op de andere een echte buizenversterker. Horen we het verschil?

Goed, het wordt ons iets makkelijker gemaakt: de ene opname (het nummer Groots zijn met Guus Meeuwis) is live, de andere komt uit de studio. Blankestijn krijgt complimenten voor zijn solo. Van de Poel: ‘Die studio-opname klinkt veel vetter, de liveversie toch iets minder warm.’

Maar of het in een band nou echt uitmaakt als je moet concurreren met twee toetsenisten, nog een gitarist, blazers? ‘Nee, precies’, zegt Blankestijn. ‘Je hebt een klein middengebiedje van frequenties waar je allemaal om aan het vechten bent.’

Van de Poel: ‘Het is met al die apparatuur zo: de meeste mensen horen echt het verschil niet. Maar ik wel, en ik wil me goed voelen op het podium. Uiteindelijk gaat het erom dat je als muzikant geïnspireerd raakt.’

Wie van buizenversterkers houdt, moet afzien. Ze zijn vaak zwaar én kwetsbaar: de buizen kunnen kapotgaan bij het vervoeren. Op plekken waar veel geluids- en lichtapparatuur is, heb je als gitarist algauw met storingen te maken – ook dan kan een modeller uitkomst bieden. Thuis spelen op een buizenversterker kan onbevredigend zijn omdat je hem omwille van de buren vaak niet op dat volume kunt zetten waarop de versterker goed begint te klinken. In de coronatijd werden buizen ook nog eens flink duurder omdat er nog maar een paar fabrikanten over zijn die ze maken.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next