Mike en ik gingen samen Manhattan Transfer lezen, John Dos Passos. Lang genoeg mee gewacht. Samen betekent niet samen op de bank, Mikes poezelige schuiten op mijn schoot, zoals de schuitjes van mijn vriendin Jet, maar mijn broer in Venlo, op zijn eigen bank, en ik in Breda, op de mijne.
(Mijn vriendin Jet heeft overigens de neiging d’r schuitjes over elkaar heen te wrijven, permanent, een tic. Onder mijn oorschelpen stijgt een monotoon geruis op, alsof iemand twee beschuiten tot poeder zit te schaven, snappie? Kappen. Daarvoor ben ik niet naar een dorp verhuisd, voor gratis tinnitus. Waarna het een tijdje stopt. Et cetera.)
Afijn. Mike, die heeft een leven, dus die moet je een beetje porren, soms. ‘Al begonnen, John?’, app ik meestal rond half tien. ‘Nog niet… nog wat dingetjes…’
Zo’n dingetje kan Tussen kunst en kitsch zijn, even afkijken, eerst. Ik stuur dan een kale duim. Dan weet je het wel. Kijk, op ons leesschip sta ik achter de pauken. Mike zit aan de riem. ‘Wie is dan de kapitein?’, vraagt mijn vriendin Jet. Ik haal mijn schouders op. ‘In ieder geval niet Frits Sissing.’
Per avond moeten er 50 pagina’s worden weggezet, daar ben ik hard in. Zelf begin ik meteen na het eten, ben ik rond middernacht klaar. Mike niet. Die zit eerst Frits Sissing te kijken. In Venlo wordt het vaak 2 uur, half 3.
Om de 150 pagina’s belt Breda met Venlo, dan belandt het gelezene op de snijtafel. Kan uren duren. In de stilte van de nacht komen we tot dingen. Om het christelijk te houden begin ik op vergaderavonden later met lezen, Mike vroeger. Frits Sissing kan op vergaderavonden het rambam krijgen.
Gisterenavond bleek Mike zelfs eerder begonnen dan de leesbaas, een unicum. ‘Peet’, appte Venlo, ‘waar ben jij?’
‘307’, antwoordde ik.
‘Oké, hou maar op, jongen.’ Meteen belde hij – erg ongebruikelijk. Sissing gecanceld? Had de grote Frits iemand de hersens ingeslagen met een art-decolamp van 20 ruggen??
Erger. Mike was gepikeerd. Krijg je hem niet makkelijk, normaliter. ‘Maar jong’, zei hij. ‘Maar jong.’ (Venloos voor godverdomme.) Hij was al dertig pagina’s onderweg, vertelde hij, maar snapte er nauwelijks nog een reet van. Had ik ook plotseling dat dagboek?
‘Nee’, zei ik, ‘geen dagboek.’
‘MAAR JONG. Bij mij werd het een dagboek! Allemaal nieuwe namen, totaal andere stijl. Maar ja, dacht ik, zal wel duidelijk worden. Doorlezen maar. Het speelde verdomme in de toekomst, wat is dit voor sciencefiction, dacht ik. Konden misschien aantekeningen van die Jimmy zijn, weet je wel?’
Ja, wist ik wel.
‘En toen, Peet, toen werd het ineens weer Manhattan Transfer! Maar JÓNGNGNG!’
‘Maar jong’, beaamde ik.
‘Ze hebben er verdomme een ander boek doorheen geflikkerd! Bij jou niet?’
Nee, bij mij niet. Terwijl we precies dezelfde editie lezen, zelfde druk, alles. Mike stuurde wat fotootjes. Na enig puzzelen bleek het een katern uit het Schrijversdagboek van Virginia Woolf te zijn, zelfde reeks, zelfde opmaak. Ik vond het komisch, maar Mike niet, die was behoorlijk aangebrand – maar waarom? Boos op de drukker? Op de uitgeverij? Op mij?
Nee, allemaal niet. Al vond hij het ‘prutswerk’. Nee, hij was vooral boos op zichzelf. Hij moest even herstellen. ‘Maar jong’, zei hij, ‘dertig bladzijden… Waarom zo laat? Waarom pas na DERTIG BLADZIJDEN? Van een totaal ander boek? Moet ik mijn huisarts bellen? Peet? Maar jong.’
Source: Volkskrant columns