Home

Elk schilderij toont Frans Hals’ schaamteloze ambitie om de zwierigste portrettist van de 17de eeuw te zijn

Natuurlijk kun je op het ruime assortiment aan zwarte hoeden letten, op de tentoonstelling van Frans Hals in het Rijksmuseum in Amsterdam; ze zijn er in alle maten en vormen, vooral groot en rond. Of op de hoeveelheid ontblote voortanden die bij al het gelach in zijn schilderijen zichtbaar zijn. Of op de zeker honderd stuks handen, dun, breed, geaderd, stram of stevig, met tussen de vingers een drinkglas of handschoen. En trouwens, wat doet dat donkere jongetje daar op dat familieportret?

Je kunt je natuurlijk ook richten op de beroemde vlotheid van Frans’ verfstreken. Man, man, man, wat kon de Haarlemmer tekeergaan met zijn penseel. Een lui oog, rimpelig jackje, gepofte mouw, zijden sjerp of een paar lakschoenen, in alles is zijn stijl even lichtvoetig en spitsvondig als elegant. Van een gezellig zooitje kleurtoetsen dat een kindergezichtje moet verbeelden tot de straks gespannen snaren waarop een luitspeler tokkelt.

Over de auteur
Rutger Pontzen is sinds 2002 kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant en schrijft over zowel oude en moderne als hedendaagse kunst.

En dan is er nog het al even beroemde oog van de schilder voor beweging, haast fotografisch geregistreerd, tweehonderd jaar voordat Daguerre en Niépce hun eerste proeve van fotografische bekwaamheid afleverden. Een schilderkunstige topprestatie. De Spanjaard Velázquez mag dan als eerste een draaiend spinnewiel hebben geschilderd, de Hollander Hals was de uitvinder van de gulle lach die nergens een grimas wordt. Portretten zijn bij hem als stills uit een film, ze lachen achter je rug door terwijl je de zaal uitloopt.

Invalshoeken te over, want ja, Frans Hals is feitelijk ongrijpbaar en multibenaderbaar. Van de Grote Drie die Nederland in de 17de eeuw rijk was – Rembrandt, Vermeer en Hals – en van wie het Rijks nu de laatste in het middelpunt van de belangstelling zet, is Hals de meest buitensporige. Nu de trilogie is voltooid – solo’s van Rembrandt en Vermeer waren er eerder in 2015, 2019 en 2023 – kan de balans worden opgemaakt (en de bewieroking beëindigd). En die luidt, volgens Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits, dat Rembrandt de condition humaine vertegenwoordigt, Vermeer de verstilling en Hals de levendigheid. Het zijn ware woorden.

En toch, ondanks de hoeden, handen en tanden, ondanks de verfstreken en luide lach, is wat me het meest bijbleef in deze bonte parade van vijftig schilderijen de aandacht van Hals voor bravoure. Voor het legertje lefgozers dat hij heeft vereeuwigd. Voor de schuinsmarcheerders van het schuttersgilde. Voor de Haarlemse elite die diep in de buidel heeft getast om zich, de kin vooruit, te laten vereeuwigen. En de manier waarop de schilder daar, al vervend, zelf aan heeft bijgedragen.

‘Kunt u misschien een beetje met de schouders draaien? Ja, en dan die hand in de zij en de elleboog naar mij. Precies. Perfect. Dank.’ Het Rijksmuseum mag dan voor 15.217 euro per vierkante centimeter Rembrandts Vaandeldrager in huis hebben gehaald, die Frans Hals kon er ook wat van. Mensen in al hun pronkzucht etaleren.

Zie De lachende cavalier, die als een praalhans zich naar de kijker keert. Of Willem van Heythuysen, de textielhandelaar met zijn speelgoedzwaard, poserend als een operette-officier in een geënsceneerde rozentuin. Grote uitzondering is het portret van Cunera van Baersdorp, de enige vrouw die dezelfde (mannelijke) pose aanneemt; de Leidse burgermeestersdochter en bierbrouwer laat zich duidelijk geen knollen voor citroenen verkopen.

Overigens was Hals zelf ook niet gespeend van enige onverschrokkenheid. Elk schilderij toont zijn schaamteloze ambitie de zwierigste portrettist van de 17de eeuw te zijn – wat hij was. Zo branieachtig als zijn modellen voor hem poseerden, zo opschepperig etaleert hij zijn kunde nu weer aan ons.

Reden waarom de ingehouden schilderstijl van zijn twee laatste groepsportretten, van de regenten en regentessen van het Oudemannenhuis, niet alleen een stijlbreuk is, maar ook een karakterbreuk van de schilder zelf. Hals was 82. Enige herkenning in zijn modellen is niet uit te sluiten. Dat hij door de innemendheid van met name de dames – oude besjes met blozende wangen en zware oogleden – zijn pose als bravourekunstenaar liet voor wat die was. Een verademing.

Beeldende kunst

T/m 9 juni, Rijksmuseum, Amsterdam.

‘Aan namen heb ik niets, rugnummers moet ik hebben!’ De beroemde kreet van wielerverslaggever Barend Barendse, tijdens Olympia’s Tour door Nederland in 1958, is ook van toepassing op het Feestmaal van de officieren van de Sint-Jorisschutterij (de versie uit 1627) van Frans Hals. Bestudeer de kleding van de poserende schutters en u ziet getallen op hun sjerpen en tunieken. Ze zijn er later op geschilderd, corresponderend met een genummerde lijst met namen, die lange tijd bij het schilderij werd getoond. Daardoor weten we nu nog wie wie is, en waar die op het groepsportret staat.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Antwoord op al uw vragen

Updates, wijzigingen en klachten

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next